' t Was aan de Costa del Sol,
...

' t Was aan de Costa del Sol, daar sloeg mijn hartje op hol. Hij sprak me van amore, ik was finaal verloren. Nee, ik ben geen fan van wijlen de Zangeres Zonder Naam. Waarom dan galmt die onnozele schlager door mijn hoofd terwijl we in een gehuurde Fiat Panda over de nachtelijke A7 bollen ? Iets na middernacht geland op de luchthaven van Malaga en hoopvol op weg naar ons vakantieverblijf nabij Estepona. De argeloze lezer zij gewaarschuwd : dit is niet het soort reisverhaal zoals u het gewend bent, zorgvuldig voorbereid in samenwerking met een toeristische dienst of touroperator. Nee, dit is het relaas van een lastminutevlucht uit de ook al vochtrijke zomer van 2011, naar een bestemming die voor velen het stigma van het massatoerisme draagt. Een soort bedevaart naar een plek uit mijn prilste herinneringen ook. Als kind bracht ik menige zomer door bij mijn grootmoeder in een wit dorpje aan de voet van de sierra, waar de weg ophield en enkel een smal jaagpad de bergen in leidde. Op de kaart zie ik dat de autosnelweg nu vlak langs het dorp loopt, ik hou mijn hart vast. De eerste indruk is niet echt bemoedigend : we passeren Torremolinos, Benalmadena en Fuengirola, zeeën van beton en lichtvervuiling. Restaurante oriental is met stip de populairste neonreclame. Hoeveel loempia's in zoetzure saus kan de doorsneetoerist verwerken ? Op goed geluk hebben we online een vakantiehuisje gehuurd en de eigenaar wacht ons op bij een afrit van de autosnelweg om de laatste kilometers voor te rijden. Ruim 1.30 uur is het intussen, maar de kindjes, die voor de gezelligheid met papa meerijden, zijn nog klaarwakker. Virtueel spreekt Manuel Rodriguez Andrades vlot Frans en Engels, maar in de praktijk valt dat tegen. Geen nood, ik gooi mijn twintig woorden Spaans in de strijd, gebruik ze in alle mogelijke combinaties, met de gepaste mimiek en gebaren. Señor Rodriguez is een vriendelijke mens, dat helpt. Het vakantiehuisje in een buitenwijk van Estepona, valt mee. Het rustige Villacanacomplex heeft een eigen strandje, een paar zwembaden en witte huisjes tussen een overvloed van bougainvillea, hibiscus en jasmijn. Ha, de zoete geur van jasmijn in een warme zomernacht : dit is het Spanje dat ik me herinner. Zoals altijd verkneukel ik mij in de decoratie van ons vakantieverblijf. Wat een bijzondere smaak sommige mensen erop nahouden. Onze huisbaas mag dan nauwelijks Engels spreken, hij heeft een grote liefde voor kneuterige americana, getuige de talrijke Norman Rockwellprenten aan de muur. Maar het daglicht bevestigt onze eerste indruk : we hadden het slechter kunnen treffen. De urbanización is keurig onderhouden, de gasten zijn overwegend Spaanse families en beschaafde, wat oudere Britten. Er is een gezellig restaurant aan het strand, in de mini- supermercado barst de eigenaar op eenvoudig verzoek uit in een a-capellaversie van La donna e mobile. Eens buiten het domein is er minder om vrolijk van te worden. Alle uitwassen van het massatoerisme zijn hier aanwezig. Eindeloze centros comerciales aan weerszijden van de snelweg, om het lelijkst en eensgezind leeg. Zielloze hotelmastodonten van glas en beton uit de jaren zeventig, waar nu zelfs Oost-Europese budgettoeristen hun neus voor ophalen. Irish pub, Café Alt Tirol, Strammer Max mit Kartoffelsalat, Heerlijke Hollandse Koffie. Als het thuis allemaal beter is, waarom blijven ze daar dan niet ? In Estepona wil ik per se Spaans eten. Koppig loop ik pizzeria's, Amerikaanse steakhuizen, restaurantes chinos voorbij. Dan valt mijn oog op een pijl : El Palangre, Casa del Mar. Hoe intens tevreden een mens kan zijn als hij precies vindt wat hij zoekt. Het rustieke huis van vertrouwen ligt op een heuvel, met blauwbetegelde wanden en zicht op zee tussen twee flatgebouwen in. Een beetje citroen op de gegrilde chipirones (kleine inktvisjes) : meer moet dat niet zijn. Pas als we aan de arroz a la marinera beginnen, komen de eerste Spaanse eters : hele families met oma in de rolstoel en kinderen in alle maten en gewichten. En ja, ook in een toeristenoord als Estepona overleeft het echte Spanje. Op de Plaza de las Flores, bijvoorbeeld, een intiem pleintje met klaterende fontein, waar 's avonds de banken druk bezet zijn. Belgische vrienden logeren er in een stemmig hostal en als we samen een café opzoeken waar zij tien jaar geleden voor het laatst voet zetten, sluit patron Paco hen hartstochtelijk in de armen. Heel anders gaat het er aan toe in Marbella, sinds de jaren zeventig de pleisterplaats van jetsetters, nouveaux riches, oliesjeiks en onderwereldfiguren. Don Jaime de Mora y Aragon, de ietwat excentrieke playboy en broer van koningin Fabiola, was er kind aan huis. Op een bepaald moment dreigde het luxe-oord in lokale politieke schandalen te verzinken, maar die donkere bladzijden zijn omgedraaid. Het toerisme kreeg een nieuwe impuls, mede door gefortuneerden uit het Midden-Oosten die het woelige thuisfront ontvluchtten. Er is de Golden Mile met vestigingen als het legendarische Marbella Club Hotel - Golf Resort & Spa. De Costa del Sol wordt niet voor niets de Costa del Golf genoemd. Van de zeventig golfcourses met minstens achttien holes langs de honderdvijftig kilometer lange kust bevinden er zich zestien in Marbella zelf. Een andere trekpleister is het witte jacht-haventje van Puerto Banús. Driekwart van de bezoekers zijn doodgewone burgers die zich vergapen aan de superjachten en limousines van het andere kwart, de superrijken. Alle prestigemerken zitten hier op een kluitje, altijd goed voor een rondje likkebaarden. Maar de meest glamoureuze figuren zijn niet de rijkaards, wel het personeel van de luxeshops. Als je 't mij vraagt moet je minstens een Miss-titel op zak hebben om hier te mogen werken. Zelfs de meest obstinate zonneklopper offert graag een dag van zijn luilekkervakantie op om in het binnenland Ronda te bezoeken, één van de oudste Spaanse nederzettingen, spectaculair gelegen op een vooruitgeschoven rots te midden van een uitgestrekte hoogvlakte. Van de kust voert de route langs luxueuze urbanizaciones met de allures van Hollywood mansions of Arabische sprookjespaleizen, waarna ze door de donkere bergen van de Serranía de Ronda slingert. In Ronda zelf draait alles om het stierenvechten, de namen van de twee grote torerodynastieën, Romero en Ordóñez, vind je overal terug. Zelfs voor mensen zoals ik, die er niet over peinzen om een corrida bij te wonen, is een bezoek aan de Plaza de Toros en het bijhorende museum een must. Ik begrijp wel wat aficionado's als Hemingway, Ava Gardner en Orson Welles fascineerde : de heroïsche poses van de matadors met hun scherpgesneden profielen, de uitzinnige menigte, de geur van bloed en zaagsel. Zo'n Corrida Goyesca, een stierengevecht in de stijl van de grote Spaanse schilder Goya, zoals er hier in de eerste week van september georganiseerd worden, zou ik wel willen bijwonen. Ook al omdat niet alleen de deelnemers, maar ook het publiek in kostuums van de achttiende eeuw opdagen. Maar na de parade zou ik snel de benen nemen, ook in felle kleuren stoot dierenleed mij af. De andere grote attractie van Ronda is de Puente Nuevo, de nieuwe brug die toch al uit de achttiende eeuw stamt en die een van de wereldwonderen van Spanje is. In drie bogen verbindt zij de randen van de kloof El Tago, waar zo'n honderdvijftig meter lager een iel riviertje stroomt. Een eind verder biedt een overhangend balkon een adembenemend panorama over de omringende vlakte en de bergketens in de verte. Via de Puente Nuevo betreed je het oudste deel van Ronda, waar het zelfs in het hoogseizoen rustig blijft. Smalle straatjes, witgekalkte huizen met smeedijzeren balkons en betegelde patio's met een weelde aan bloeiende planten. Er zijn stadspaleisjes met mooie tuinen, kerken waar de Moorse invloed van afdruipt, een plein met een schaduwrijk terras waar een gitarist een fragment van de Bachianas Brasileiras zit te spelen. Dit is het echte Andalusië, niet kapot te krijgen door de vluchtige aanwezigheid van het tourbussenvolk. Maar zelfs het nieuwere gedeelte van Ronda, met zijn levendige winkelstaat Carrera Espinel en de vrolijk bewimpelde Plaza del Socorro is best aardig, zeker met een bordje tapas en een goede rioja erbij. Lange tijd bleef provinciehoofdstad Malaga ondergewaardeerd door toeristen, die er hoogstens landden en dan snelsnel de wijk namen naar een van de omringende badplaatsen. Toegegeven, Malaga is niet rijk aan historische gebouwen ; tijdens de Burgeroorlog ging er veel plat. Maar wat er is, is echt wel de moeite waard. Vóór in heel Spanje het geld op was, zijn er bovendien serieuze inspanningen geleverd om de stad op te waarderen, ook al met het oog op de verkiezing tot Culturele Hoofdstad in 2016. Dat feest gaat niet door, San Sebastian is de uitverkorene, maar intussen is Malaga toch maar mooi opgeknapt. Ik keek vooral uit naar het knap gerenoveerde Palacio de Buenavista dat sinds 2003 het Museo Picasso herbergt. Nu is het wel zo dat Malaga's beroemdste zoon al op z'n negentiende de hielen lichtte en zich daarna nog zelden in zijn geboortestad liet zien, maar voor zijn dood zou hij toch de wens uitgesproken hebben om er zijn werk tentoon te stellen. De kern van de permanente collectie bestaat uit werken uit verschillende periodes, afgestaan door Christine Ruiz-Picasso, de weduwe van Picasso's oudste zoon en zijn kleinzoon Bernard. Vooral als je eerder al de Picassomusea in Parijs en Barcelona bezocht, is dit een mooie aanvulling. Ook de tijdelijke fototentoonstellingen zijn altijd interessant. De meester die in zijn villa La Californie in Cannes op blote voeten met zijn kinderen staat te dansen, zo zie je hem niet vaak. Het geboortehuis van Picasso vind je op de Plaza de la Merced, één van de levendigste plekken van de stad, waar het prettig mensjes kijken is op een van de vele terrassen. Het plein is ook een van de favoriete pleisterplaatsen van de vele uitwisselingsstudenten in Malaga, die er 's avonds botellóns organiseren, terloopse feestjes waarbij ze hun eigen drank en muziek meebrengen. Ook de buurt rond de wat pompeuze kathedraal is aantrekkelijk, met zijn vele tapabars en andere traditionele restaurants. In korte tijd groeide Malaga uit tot de tweede grootste cruisehaven van Spanje. Wie een mooi uitzicht over stad, haven, de palmenboulevards langs het strand en de omringende bergen wil, kan ik van harte een bezoek aan het Castillo de Gibralfaro aanraden. Of beter, neem bus of taxi naar boven en daal te voet weer af, anders riskeer je zoals wij, hijgend en rood aangelopen bij de veertiende-eeuwse Moorse burcht te arriveren. Aan de voet van het Castillo is er ten overvloede het Alcazaba, een kasteelcomplex uit de elfde eeuw, met schaduwrijke patio's en parelende fonteinen, mooie mozaïekvloeren en torentjes, een soort armemensenversie van het Alhambra in Granada. Als we na een week naar Torrox verkassen, ben ik zowaar nerveus. In dit witte dorpje tussen Malaga en Nerja bracht ik als kind een paar zomers door, dankzij een grootmoeder die voor haar pensioen nooit verder dan Echternach geraakte, maar als kranige zeventiger de Spaanse zon opzocht, niet gehinderd door haar geringe kennis van de taal van Cervantes. Tot mijn verrassing moet ik vaststellen dat het dorp van weleer er twee geworden zijn : Torrox Pueblo en Torrox Costa. Waar vroeger alleen een vuurtoren stond en rietvelden tot aan het ongerepte strand reikten, is een heuse badplaats ontstaan, met een strandboulevard waar het 's morgens heerlijk joggen is, spuuglelijke flatgebouwen, een Aldi en godbetert een Sativa Grow Shop, waar je een starterskit voor de wietteelt kunt kopen. De Generalísimo draait zich om in zijn graf. Torrox heeft zichzelf ook een label gegeven : dat van het dorp met de meeste zonuren in Europa. Waar is de tijd dat de inwoners de zon schuwden en een bleke huid een statussymbool was, het bewijs dat je niet in openlucht hoefde te werken. Wonderlijk genoeg is Torrox Pueblo, het witte dorp op de heuvel, zo goed als onveranderd. Toegegeven, de snelweg scheert er rakelings langs. Maar op de smalle kronkelwegen die naar de naburige dorpen leiden heerst nog altijd een loden hitte op het middaguur, met het geluid van krekels als enige soundtrack. Tot ineens het geklingel van bellen weerklinkt en ik kniediep tussen de geiten sta die mij ondoorgrondelijk aanstaren met hun gele ogen. Een wandeling door het dorp is een trip door mijn jeugdherinneringen : hier is het klooster van Santa Maria de las Nieves, Maria Ter Sneeuw, met het kruis ter ere van in de Burgeroorlog geëxecuteerde nonnen, daar het kerkhof-met-uitzicht-over-de-vallei. De cinema, nu ja schuur waar ik ooit Ben Hur in het Spaans zag, is een Chinese bazaar geworden en op het dak van de overdekte mercado wordt niet langer gedanst. Maar op de Plaza wordt er 's avonds als vanouds over en weer geflaneerd en gelonkt. God weet hoe de Manolo's en Jose's waar ik destijds een oogje op had, er nu uitzien. Op de middeleeuwse markt, die tijdens het tweede weekend van september georganiseerd wordt, zorgen vuurspuwers, acrobaten en afgerichte roofvogels voor ambiance. En ja, ook het Moorse element ontbreekt niet, in de vorm van een bedoeïenentent met oosterse versnaperingen. De laatste avond verzamel ik de moed voor de laatste etappe van mijn 'reconquista' : een bezoek aan het voormalige huis van mijn grootmoeder. Ik herken het aan de smeedijzeren madonna tegen de gevel. Naar goede Spaanse gewoonte zit er een hele familie op plastic stoelen voor het huis. In mijn beste Spaans vraag ik naar mijn vriendinnetjes van weleer : Mari-Nieves, Angela, Pili ? Allemaal uitgeweken, zo blijkt, maar een nichtje van Pilar, nu een matrone met de schaduw van een snor, kan zich de Belgische dame met het hondje nog herinneren die hier vroeger woonde. En ja, 's zomers kwam er een klein meisje logeren... Tekst en foto's Linda AsselbergsZelfs de meest obstinate zonneklopper offert graag een dag van zijn luilekkervakantie op om het spectaculair gelegen Ronda te bezoekenHa, de zoete geur van jasmijn in een warme zomernacht : dit is het Spanje dat ik me herinner