Met de traditionele nieuwjaarsbrieven van vroeger wensten we vader en moeder, meter en peter op 1 januari een lang en gelukkig leven. Dat zijn vast nog steeds dezelfde. Hoewel, in het licht van de wetenschappelijke ontwikkelingen van de jongste jaren zouden die nieuwjaarsbrieven binnen afzienbare tijd een heel andere en meer dan reële inhoud kunnen krijgen.
...

Met de traditionele nieuwjaarsbrieven van vroeger wensten we vader en moeder, meter en peter op 1 januari een lang en gelukkig leven. Dat zijn vast nog steeds dezelfde. Hoewel, in het licht van de wetenschappelijke ontwikkelingen van de jongste jaren zouden die nieuwjaarsbrieven binnen afzienbare tijd een heel andere en meer dan reële inhoud kunnen krijgen. Wat lees ik onlangs : zowel in de States als in Europa is men druk op zoek naar wegen om het leven van de mens ingrijpend te verlengen. Het is al gelukt met cellen op cultuur en met fruitvliegjes in een labo. Indien men de bereikte levensduur van de fruitvliegjes omrekent naar menselijke normen, zou het theoretisch mogelijk moeten zijn om mensen 150 jaar te laten worden. Als men de levensduur van de cellen omrekent, komt men zelfs aan 420 jaar. De gemiddelde levensduur in West-Europa is tussen 1970 en nu al verlengd van 71,5 jaar tot 75 jaar. Dus de kans dat die 150 jaar ooit werkelijkheid wordt, is niet irreëel. De hele medisch-biologische discussie gaat echter eenzijdig over de mens als machine, het lichaam als raderwerk waarvan het afbraakproces vertraagd moet worden. De vraag of het ook leuk is om zo oud te worden, zal men pas achteraf stellen, vrees ik. Wat met de verschillende levensfasen ? Hoe lang duurt de adolescentie in een leven van 150 jaar, het vruchtbare en actieve leven ? Wanneer wordt men oud en onnuttig, hoe lang zal die oude dag duren ? En wie zal dat betalen ? Zullen we met minder zijn, maar langer actief blijven ? Of zullen we juist, omdat we langer vruchtbaar blijven, een groter nageslacht op de wereld zetten ? Zullen al die vreselijk lang levende mensen de aarde nog niet meer uitputten dan nu al het geval is ? Wat gebeurt er met de psychologie van rijke volkeren die zich sterker dan ooit en bijna onsterfelijk achten ? Zullen ze nog meer dan tegenwoordig de ogen sluiten voor continenten die niet beschikken over de kennis en de technologie om het leven schier eindeloos te rekken ? Hoe zal het zijn om zo lang te leven, met de voortdurende afwisseling van vreugde en verdriet ? Geen enkel leven is immers één lange rustige lijn waarop alles voortdurend goed gaat. De golven van voorspoed en tegenslag kunnen een mens uitputten. Het leven van de mensen rondom je en hun pijn, de littekens van het omgaan met wie je liefhebt en die plots niet meer van je wil weten of langzaam van je vervreemdt, het weegt met de jaren meer. Hoe vaak zal dit alles zich herhalen in zo'n langgerekt leven ? En de eenzame fase, die waarin het vermoeide hart zich behoedzaam afschermt voor nog meer leed, die wordt dan ongetwijfeld uitzichtloos lang. Ook de bezorgdheid en de angst om de toekomst van je kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en straks ook achter-achterkleinkinderen neemt toe in volume en tijd. Kan een mens wel meer aan dan hij de dag van vandaag, in dit toch al lange leven, moet verdragen ? Ik ben niet zo zeker of ik, met dat alles in gedachten, wel 150 jaar zou willen worden. Eigenlijk zou ik een nieuwjaarsbrief willen schrijven aan de witte jassen in de laboratoria. Met de allerbeste wensen voor een flinke portie bescheidenheid, en de suggestie om de mens niet alleen te bekijken als een machine of als een oneindige explosie van cellen. Tessa Vermeiren