Het was heet op mijn eiland. Zo heet dat de lucht wel warme watten leek. Zo heet dat alleen een lap dunne zijde, of nog liever niks, om je lijf draaglijk was. Zo heet dat enkel de horizontale positie onder het schaduwdak van een knoestige bougainvillea mogelijk bleek na twee uur 's middags en voor zes uur 's avonds. Zo heet dat het omslaan van de bladzijden van een boek algauw zo vermoeiend werd dat je oogleden ervan dichtvielen. De snerpende eentonige hoge zang van de cicades werkte nog hypnotischer dan andere zomers. Wat objectief als oorverdovend lawaai zou worden ervaren, wordt hier iets vanzelfsprekends als het kloppen van het bloed in slagaders. Dat beeld heb ik van de dichter Odysseus Elytis. Maar het valt niet juister te beschrijven.

Kortom de ideale omstandigheden om mij zonder schuldgevoelens over te geven aan nietsdoen. Het leven voelen als een vertraagde film. Het gordijn van de zinderende hitte filtert al het ongewenste. Alles wat op het lijstje staat, met moeten bovenaan, wordt flou. Onbelangrijke kleine dingen krijgen weer hun terechte plaats.

De duik in de koele zee die je terugvindt na een jaar, vreemd en vertrouwd tegelijk, als een minnaar van vroeger. Wanneer de meltemi-wind eindelijk opsteekt is het puur genot om je door hem te laten geselen en strelen tijdens de wandeling langs de zee naar het vaste terrasje.

De weelde van het eerste glas koel water uit een bedauwde fles, waar je je handen omheen vouwt. Het sap van een overrijpe perzik dat langs je kin loopt. De aangenaam bittere smaak van het koffiedik op de bodem van een minuscuul groen kopje. Op de markt: de scherpe geur van oosterse sigaretten die je neus prikkelt, vermengd met het opdringerige parfum van in de zon drogende salie, oregano en tijm. Het geklater van een taal waarvan je woorden opvangt als kralen, die pas na drie weken, met een paar glazen wijn op, weer als een snoer uit je eigen mond komen. Een lichte dronken roes waarin een lieve stem van ver weg tot je komt. Tijd nemen om brieven te schrijven over de dingen die je niet gezegd krijgt. In de vroege nacht, die eindelijk verkoeling brengt, schijnen door het dak van de johannesbroodboom heen de sterren van de Grote Beer en tegen de immense stilte vloeit in je oren een vioolconcerto van Brahms.

Zijn er volmaakter dagen dan dit? Niet voor mij. Alleen, je durft het haast niet te bekennen dat je hiervan drie weken lang met al je zintuigen genoten hebt.

Want zoveel mensen zijn, terwijl ik daar intens lui zat te wezen, naar het andere eind van de wereld gereisd, om op hun lijstje van Dat Moet Je Gezien Hebben weer een paar wereldwonderen te kunnen afstrepen. Ach ja, ik doe het ook bij tijd en wijle. En het is boeiend. Maar er is, denk ik, te weinig tijd in de meeste mensenlevens om te genieten en daarbij compleet stil te staan. Tijdverlies is het etiket dat daarop wordt geplakt. En tijd is er niet om te verlummelen, zeker niet bij het einde van deze eeuw. Er wordt zoveel gejaagd op wat men dan intense belevenissen noemt. Een hele industrie werd er rond gebouwd. Een mens moét zoveel. Er is de druk van het zinvol bezig zijn. Maar wat is per slot van rekening zinvol? Dat je een kast vol fotoalbums hebt van de plaatsen die je gedaan hebt? Of dat je een vlek hebt op de harde schijf van je emotionele geheugen, waar je sensaties, indrukken, ontmoetingen stockeert? Die komen meestal niet van ver. Die zitten op dat stukje verlaten strand dat iedereen in zich draagt, maar dat alleen toegankelijk is voor wie weet hoe de reis naar binnen te beginnen.

Tessa Vermeiren