Recent Nederlands onderzoek wijst uit dat van de vrouwen die rond de jaren '70 geboren werden, 21 procent kinderloos zal blijven. Bij de hoog opgeleide vrouwen wordt dit zelfs 25 procent. Bij de generatie van de vlak na de tweede wereldoorlog geboren babyboomers kreeg slechts 12 procent geen kinderen.

Vòòr het einde van de jaren '60 was de contraceptie immers zo gebrekkig of zelfs onbestaand dat de keuze niet of nauwelijks bestond. Wie trouwde, werd moeder. En vaak werd er getrouwd omdat er al een kind onderweg was. Wie absoluut geen kinderen wilde, kon alleen maagdelijk celibatair leven of non worden. In gezinnen waar men de kinderlast wilde beperken, heersten nogal wat spanningen daaromtrent. Het angstige vrijen, de illegale abortussen, de sublimering van de lichamelijke liefde of de verbittering over het ontbreken daarvan, het zal zeker allemaal druk hebben gelegd op koppels. Maar de façade werd permanent gepoetst en er waren zaken waarover men niet sprak.

Op het uitspreken van "ik wil geen kinderen" rust ook in deze tijd nog steeds een groot taboe. Een vrouw die geen kinderen wil, wordt nog steeds makkelijk gecatalogeerd als egoïste of erger nog als "geen echte vrouw".

Het Nederlandse blad Opzij, vooral gelezen door hoog opgeleide dames, stelde aan haar lezeressen de vraag waarom ze geen kinderen wilden. Er kwamen een 80-tal openhartige antwoorden.

"Een kind is een hele verantwoordelijkheid en veel werk", was een van de argumenten. En ook "Stel je voor dat zo'n kind tegenvalt, dat is nooit meer terug te draaien". Of nog: "Zo'n heftige relatie waar je gemiddeld vijftig jaar aan vast zit, ik moet er niet aan denken".

Bleek ook dat veel oudste dochters die thuis altijd veel verantwoordelijkheid hadden moeten dragen niet graag moeder wilden worden. Of vrouwen die uit een groot gezin kwamen en aandacht tekort waren gekomen in hun jeugd. Mensen ook met heel overheersende of ellendige ouders, die zich niet in staat achten om kinderen liefdevol op te voeden. Maar ook natuurlijk vrouwen met een drukke en interessante baan.

Vanzelfsprekend bestonden die argumenten, behalve misschien het laatste, vroeger ook. Maar ze waren niet aan de orde omdat er geen reële keuze was.

Blijkt nu dat mannen, die trouwen met deze hoog opgeleide vrouwen die pas laat of helemaal geen kinderen willen, het daar knap moeilijk mee kunnen hebben. Er wordt tegenwoordig al later in het bootje gestapt dan pakweg 20 jaar geleden. Aan het eerste kind gaat, na een poos samenleven, vaak een rondje onderhandelen vooraf. Ook in een twee-carrière-gezin blijkt het immers over het algemeen nog vanzelfsprekend de vrouw te zijn die inlevert. Meer en meer echter blijkt ook de toekomstige vader bereid om een pas op de plaats te maken, als dat de inzet is om zijn kinderwens te vervullen. Vriendinnen, die op dit vlak onverbiddellijk blijken na hun dertigste, worden ook wel eens ingeruild voor jongere vrouwen die meer in het nest en minder in hun carrière willen investeren.

Maar zelfs als mannen de "nieuwe vader"-rol al wensen te spelen, en een deel van de gezinslast op zich willen nemen, krijgen ze daartoe niet altijd de kans van hun werkomgeving. Die blijft in vele gevallen behoorlijk wat druk op hen zetten om constant en steeds meer te presteren.

Met alle kansen van de wereld wordt het toch steeds moeilijker om over het al dan niet krijgen van kinderen een besluit te nemen waarvan iedereen gelukkiger wordt.

Tessa Vermeiren