Sommige lezers schijnen ervan overtuigd te zijn dat ik een mannenhaatster ben. Eén meneer deed zelfs de moeite om mij er telefonisch van te overtuigen dat de rollen weldra omgekeerd zullen zijn. De wetenschap, zo zei hij, werkt eraan om mannen van een baarmoeder te voorzien. En dan zijn vrouwen alleen nog nodig om een voorraad eicellen in de diepvriezer van de vruchtbaarheidscentra te deponeren en voor de rest mogen ze in het bos gaan spelen.

Verbazingwekkend is het dat sommige mannen geloven dat er een groot vrouwencomplot tegen hen gesmeed wordt. Natuurlijk zijn er ook vrouwen die ervan overtuigd zijn dat de wereld één grote mannensamenzwering is. Maar gelooft u mij, daar hoor ik niet bij.

Mannen zijn nodig als brood. En de voortplanting is nog de minste van mijn zorgen. Want daarvoor kan je desnoods terecht in een soort van baby-op-maat winkel. Daarvan zijn er in België op dit moment meer dan genoeg.

Ik constateer dat in mijn leven mannen belangrijker zijn dan vrouwen. Sinds altijd. Er was mijn vader, van wie ik zowel mijn liefde voor taal als mijn sterk ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid heb geërfd. Er waren een paar leraars die, meer dan hun vrouwelijke soortgenoten, veeleisend en dus stimulerend waren voor het ongeduldige rebelse kind dat ik was. Er is een vriend die over een tijdsspanne van bijna dertig jaar trouw is gebleven, ook al zijn we nu allebei grijzer maar niet noodzakelijk veel wijzer geworden. Er zijn mijn twee zonen, die ik met bewondering zie openbloeien als man. Door hen gade te slaan, besef ik beter dan ooit dat het in deze tijd niet makkelijk is om man te zijn. Niets is immers nog vanzelfsprekend. Vele mannen die de leeftijd van hun vader hebben, worden beheerst door twijfel. Ze hebben een deel van de oude stoere mannelijke waarden losgelaten, maar ze zijn bang om het vrouwelijke in hun leven en in hun persoonlijkheid te onderkennen. Ze zijn daardoor geen duidelijk voorbeeld voor hun zonen, ze kunnen niet zomaar geïmiteerd worden, de sjablonen zijn versleten.

En wat vrouwen van mannen verwachten, is tegenwoordig ook niet echt helder te omschrijven. Mij lijkt het dat, naarmate de verwachtingen van vrouwen complexer en diffuser worden, mannen liever dan ooit ingaan op de simpele vraag zoals die van oudsher in het mannetje-vrouwtjespel gesteld wordt. Bescherm mij en ik zal voor je zorgen. Duidelijk voor de meeste mannen, want het oerbeeld van de vrouw die het vuur bewaakt en de man die jaagt.

Alleen is de realiteit in veel vrouwenlevens nu zo dat ook zij de buit binnenbrengen. Soms uit noodzaak, meestal uit vrije wil. En hoewel ze voor het vuur willen blijven zorgen, vragen ze ook erkenning voor hun jaagtalent én hulp bij het vuur. Waarom ze het zichzelf zo moeilijk maken ? Omdat de waarden in onze samenleving nu eenmaal zo liggen dat promotie tot jager de grootste voldoening geeft en erkenning krijgt.

Of die waardeschaal correct is, is een andere vraag. En een brandende kwestie bij veel jongere mannen en vrouwen. In het jubileumnummer van het feministische maandblad Opzij wordt de vraag geopperd of alle vrouwen op de arbeidsmarkt wel het ultieme doel van dertig jaar vrouwenbeweging is geweest, en of maatschappelijke veranderingen die voor vrouwen én mannen het leven aangenamer en interessanter maken soms geen edeler doel zijn.

Mannen en vrouwen die hierover samen willen nadenken, kunnen elkaar niet haten, want ze hebben elkaar nodig.

Tessa Vermeiren