Een paar jaar geleden zag ik in een Brits blad voor het eerst een fotoreportage over het huis van architect John Pawson. Met vrouw en twee kleine kinderen slaagt hij erin te wonen in een huis waar niets te zien is dan kale muren. In de woonkamer staan een houten tafel en twee banken, het licht lijkt uit de muren te komen en het enige warme element zijn twee haardvuren. Niets aan de muur, niets op de vloer, niets aan het plafond. Alles zit weggemoffeld in kasten en laden die haast onmerkbaar in de wanden verwerkt zijn. Pawson ontwerpt ook winkels, zoals die van Calvin Klein in New York, een zen...

Een paar jaar geleden zag ik in een Brits blad voor het eerst een fotoreportage over het huis van architect John Pawson. Met vrouw en twee kleine kinderen slaagt hij erin te wonen in een huis waar niets te zien is dan kale muren. In de woonkamer staan een houten tafel en twee banken, het licht lijkt uit de muren te komen en het enige warme element zijn twee haardvuren. Niets aan de muur, niets op de vloer, niets aan het plafond. Alles zit weggemoffeld in kasten en laden die haast onmerkbaar in de wanden verwerkt zijn. Pawson ontwerpt ook winkels, zoals die van Calvin Klein in New York, een zentempel voor minimalistische kleren die alleen met eerbied betreden wordt. Ook hier werd John Pawson als een soort paus ingehaald op de net afgelopen biënnale Interieur in Kortrijk. De vraag is wat Pawson betekent in deze woelige tijden. Als hij een huis onder handen neemt, wordt zijn filosofie rigoureus toegepast. Maar hoe reageert de bewoner ? Wat drijft mensen ertoe om juist vandaag een volgeling te worden van deze minimalistische goeroe ? In hoeverre houdt een architect als Pawson nog rekening met materiële, praktische overwegingen ? Dezer dagen ook hoorde ik Ann Demeulemeester in een radio-interview vertellen dat zij niet alleen het lichaam maar ook de geest en de ziel van mensen aankleedt. Zij zette haar werk op één lijn met kunst. Een mens kan toch ook niet leven zonder schilderijen, zonder boeken, zei ze haast letterlijk. Waarom voel ik mij bij John Pawsons huizen en bij de uitspraak van Ann Demeulemeester onbehaaglijk ? Omdat het contrast zo groot is tussen de ongeordende chaos van het leven zoals het zich afspeelt op straat, in treinen, in justitiepaleizen, op scholen, in discotheken, en de luchtbel die sommige ontwerpers en trendsetters proberen te creëren en intact te houden. Wordt deze beweging onbewust gedreven door een angstreflex ? Sneeuwwitje blijft maar mooi als ze beschermd wordt door haar glazen doodskist. Helmut Gaus, politicoloog-trendvoorspeller, zei kort geleden in de krant dat we op de drempel staan van een rauwe periode vol geweld en opstandigheid. Op straat speelden zich de jongste weken soms chaotische taferelen af, de agenda in dit land werd bepaald door 300.000 mensen die de hoofdstad inpalmden. Zelfs de premier kon niet anders dan doen alsof hij naar hen luisterde. Het lijkt erop dat weinig nog zal blijven als voorheen, en dat is op zijn zachtst gezegd rustverstorend voor wie gewend is van bovenaf lijnen te dicteren. Ook in Frankrijk en Groot-Brittannië broedt dit soort ongenoegen. Wereldwijd is alles al een paar jaar matig tot totaal onvoorspelbaar. John Pawson creëert huizen die, als eilanden in een woelige oceaan, een illusie van rust geven. Een fata morgana van onverstoorbaarheid. De huisraad, de vervelende brieven, de krant met het slechte nieuws, het vuile en ongestreken linnen worden aan het oog onttrokken. Het leven wordt weggemoffeld in de kasten. Zo lijkt het minder banaal. De illusie wordt geschapen dat je dat ook kan doen met de problemen van de straat. Je kan jezelf voorhouden dat de kleren die je maakt meer zijn dan gewoon textiel om naaktheid te bedekken en te versieren. Afstand scheppen en jezelf bezweren dat jij niets te maken hebt met het rauwe leven buiten. Tessa Vermeiren