Ik weet niet waar u dit leest : in de trein, op een terrasje in de zon of aan de ontbijttafel, nog even snel voor u naar uw werk spurt. Het is nu heel vroeg in de ochtend hier, ik zit op een hagelwit terras met boven mijn hoofd een dak van bougainvilles. Mijn computer staat op een koel marmeren tafelblad waar ik graag mijn blote armen op laat rusten als ik in de verte kijk, naar de turkooizen, nauwelijks rimpelende zee en naar het eilandje van Alle Heiligen.
...

Ik weet niet waar u dit leest : in de trein, op een terrasje in de zon of aan de ontbijttafel, nog even snel voor u naar uw werk spurt. Het is nu heel vroeg in de ochtend hier, ik zit op een hagelwit terras met boven mijn hoofd een dak van bougainvilles. Mijn computer staat op een koel marmeren tafelblad waar ik graag mijn blote armen op laat rusten als ik in de verte kijk, naar de turkooizen, nauwelijks rimpelende zee en naar het eilandje van Alle Heiligen. Als Alle Heiligen, zo voel ik me hier telkens opnieuw, jaar na jaar. Los van alles. Zalig zitten met de zon op mijn huid en in mijn oren de klanken van Odysseus Elytis' To Axion Esti. Over stenen en bomen die nauwelijks grond vinden om wortel te schieten, over snerpende cicaden wier geluid je even vertrouwd wordt als je eigen hartenklop. Over mooie meisjes met donker okselhaar en over lichamelijke geneugten die te vroeg werden gewekt. Elytis werd geboren op dit eiland. In zijn poëzie bezong hij het vitalisme zo eigen aan deze essentiële keien door God zelf in zee gegooid. Hier blijft weinig meer over dan het leven zelf, wanneer de toeristenstroom weer via lucht en zee is afgevoerd. Dit is mijn jaarlijkse eigen kleine foert-gevoel. Ieder jaar opnieuw zeg ik bij het eind van de winter : nu ga ik ergens anders heen. En ieder jaar weer word ik ten minste één keer voor een paar weken naar dezelfde plek op mijn geliefde eiland gezogen. Ik ken elke moerbeiboom in de tuin, iedere kei in het water, ik kan de gevels van het stadje aan de horizon wel dromen. Ik ga steeds weer op zoek naar hetzelfde : het zinderende gevoel van de hitte in mijn bloed als ik onder uitgestrekte staalblauwe luchten lig op een verlaten strand, het water dat zich als koel marmer om me heen sluit in een eenzame kreek. De dorre grootsheid van de bergen waar Zeus werd geboren. Het cafeetje daar, waar geen toerist komt en waar een kopje koffie nog steeds enkele luttele franken kost. De heer des huizes want een heer is hij, helemaal in het zwart gekleed steekt je bij het weggaan royaal een handvol pistachenoten van eigen oogst toe. De wierookwarmte van het kloosterkerkje waar ik het niet kan laten een paar kaarsen aan te steken. Hier is het mijn plicht dit eeuwenoude ritueel niet te doorbreken. Met een paar geurige peren en een bolle boerenroos uit de kloostertuin keer ik terug naar mijn waterkant. Een paar weken op het geliefde eiland is mijn ritueel : steeds dezelfde plekken, steeds dezelfde mensen, de vertrouwde zomergeur van in de zon verschroeide salie die zelfs de kerosine op het vliegveld verdringt. Oud brood met olijfolie, rijpe tomaten, kummel en marjolein. De klaterende lach van vrienden. Denbirasi. Het is allemaal niets. Maak je geen zorgen. Niets is hier belangrijker dan het leven zelf. Deadlines en headlines vergeet ik hier compleet. Telefoonnummers en codes die het hele jaar door in mijn geheugen geprent zijn, worden na een paar dagen gewist. Dit eiland heeft in mijn leven de functie van de deleteknop op mijn computerklavier. Tessa Vermeiren