W e're gonna play this goddamn cold night long", lacht de zanger-gitarist en voegt er aan toe, als was het een vloek : " and we're gonna play in goddamn Chicago." De band zet in, het ritme is meteen hartverwarmend. Buiten vriest het, de wind doet de temperatuur zakken tot 25 graden onder het nulpunt, maar in het hol van The Double Door stamp ik al vlug mee op het one two three van de muziek. Na een paar nummers voegt de frontman er als een volleerde weerman aan toe : " We don't care about the wind, we're Chicagoans. It can't beat us. You know, we call this wind 'the Hawk', but only when it's goddamn freezing like now. " De set is kort en hevig, ik kom voor de hoofdact met Blondie Chaplin : daar staat een breekbare gestalte, die als backing vocalist op het podium van de Rolling Stones ongenaakbaar lijkt, maar nu op nauwelijks twee meter, met hoge stem, een droevig gelaat en schitterend gitaarspel, heel tastbaar is. Hij speelt nummers die ik niet ken, maar ze zijn wonderlijk mooi, bestand tegen de koude. Gewillig brengt hij een bisnummer, een gevoelige cover van Look What You Done, een song van McKinley Morganfield, de legendarische Muddy Waters : mijn eerste avond in Chicago en ik ben al meteen verkocht. Morgen ga ik op zoektocht.
...

W e're gonna play this goddamn cold night long", lacht de zanger-gitarist en voegt er aan toe, als was het een vloek : " and we're gonna play in goddamn Chicago." De band zet in, het ritme is meteen hartverwarmend. Buiten vriest het, de wind doet de temperatuur zakken tot 25 graden onder het nulpunt, maar in het hol van The Double Door stamp ik al vlug mee op het one two three van de muziek. Na een paar nummers voegt de frontman er als een volleerde weerman aan toe : " We don't care about the wind, we're Chicagoans. It can't beat us. You know, we call this wind 'the Hawk', but only when it's goddamn freezing like now. " De set is kort en hevig, ik kom voor de hoofdact met Blondie Chaplin : daar staat een breekbare gestalte, die als backing vocalist op het podium van de Rolling Stones ongenaakbaar lijkt, maar nu op nauwelijks twee meter, met hoge stem, een droevig gelaat en schitterend gitaarspel, heel tastbaar is. Hij speelt nummers die ik niet ken, maar ze zijn wonderlijk mooi, bestand tegen de koude. Gewillig brengt hij een bisnummer, een gevoelige cover van Look What You Done, een song van McKinley Morganfield, de legendarische Muddy Waters : mijn eerste avond in Chicago en ik ben al meteen verkocht. Morgen ga ik op zoektocht. Dit is het eindstation : hier kwamen ze toe met tienduizenden, in de hoop op een beter leven. Onder het hoge gewelf van Union Station, met gelige muren en trappen die onvermijdelijk herinneren aan Elliot Ness en zijn onkreukbare kornuiten, draai ik tussen haastige pendelaars driehonderd graden in het rond, op het ritme van een zwerversblues. Keuze zat : Where the Cold Wind Blows van John Prine, of Sweet Home Chicago van Big Bill Broonzy. Maar zo uitnodigend zal de stad niet geweest zijn : de Great Migration was een volksverhuizing, een exodus van de zwarten die uit het diepe zuiden langs Highway 61, over de Mississippi of met de trein op de vlucht waren voor werkloosheid, armoede en racisme, om in het barre noorden een nieuwe toekomst te zoeken. De industrie van the Midwest : werk voor velen. Een boomende grootstad : ruimte zonder de segregatie van het zuiden. En een bruisend nest voor muzikanten van alle slag. Ook ik heb die lange reis gemaakt, ben vertrokken in New Orleans om er naar de eerste noten van jazz en cajunmuziek te luisteren, heb gedoold door de delta waar de blues op katoenvelden, in gevangenissen en bordelen is opgebloeid, ik heb de barensweeën van rock en country gehoord in Memphis en Nashville, en dacht : dit is niet het einde van het verhaal. Want in Clarksdale, hartje delta van de Mississippi, stapten ze op de trein, zoals Muddy Waters en John Lee Hooker, gitaar op de rug, om in de grote steden hun muziek, zo doordrongen van zuiderse hitte en miserie, een nieuwe klank te geven, rauw en urbaan, scherp en hard. Wat in het treinstation het einde lijkt, is dus het begin. Want in de clubs en lounges, bars, kroegen en opnamestudio's groeit muziek die, door toeval en een heerlijke samenloop van omstandigheden, in het Europa van de jaren zestig populair wordt en zo terugkeert naar de States, om er de oude bluesknarren de status te geven waar ze allang recht op hebben. Chicago is de plaats waar het avontuur begint en tot op vandaag doorgaat. Of zoals ik het in de muzikale reisgids van Richard Knight onderlijn : "Met een trits grote clubs, een weelde aan muzikale geschiedenis en onbedwingbare vibraties is Chicago niet zomaar een van de grote wereldsteden, maar is het voor liefhebbers van jazz, blues en gospel een thuis." 'Getto' is het beladen woord voor de geschiedenis van blanke dominantie. Zo welvarend Chicago is, zo hard blijft het contrast tussen het rijke centrum en de buitenwijken. Onderweg naar the South Side verandert de sfeer : troosteloze straten, leegstand, autowrakken, desolaat braakland, vervallen huizen, ooit welvarend maar nu met planken dichtgemaakt, verval. Het oude Bronzeville, ergens tussen de 31ste en 52ste straat, waar de zwarte immigranten samentroepten en zich afsloten van een vijandige wereld, was een broeinest voor jazz en blues. Op de Martin Luther King Drive staat een monument dat die volksverhuizing wil eren : het Salute to the Great Migration toont een zwarte zwerver met lege valies en hoopvolle blik. Op zoek naar een befaamd adres tel ik de huisnummers, vereeuwigd in een song : 2120 South Michigan Avenue. Aan de receptie van Chess Records kon je plaatjes kopen, daarachter lag het bureau van Leonard en Phil Chess, Poolse immigranten die tussen 1957 en '67 alle blueslegenden hebben opgenomen. "Namen ?" vraagt Eliphalet Williams. "Muddy Waters die de rijzende ster wordt aan het firmament van Chicago. Chess en Muddy hebben het gezicht van de Chicago Blues bepaald, al zijn er de anderen : Howlin' Wolf en Willie Dixon, John Lee Hooker en Etta James, Junior Wells, Elmore James en James Cotton, Chuck Berry en Bo Diddley, Aretha Franklin en Buddy Guy. Aan de overkant lag het Michigan Hotel, maar Chuck moest hier in een zetel slapen omdat hij als zwarte niet welkom was", zegt mijn zwarte gidse. "Later is de studio gekocht door de vrouw van Willie Dixon, om er de Blues Haven Foundation onder te brengen : die beschermt de muzikale rechten van de bluesmensen en geeft muzikaal onderricht." Achter glas liggen memorabilia : kledij van Hooker, Diddley en Koko Taylor. Hoed en vest van Willie Dixon. "Hij heeft vijfhonderd songs nagelaten. Willie schreef voor iedereen. Wie heeft hem niet gecoverd ? Hij was ook vaak met de ene of andere op tournee. Hij gaf muziek uit en zei tegen Berry dat hij lol mocht hebben, maar ook z'n rechten moest beschermen : Chuck had beter moeten luisteren. En hij was de eerste Afro-Amerikaanse producer. Hier in deze ruimte..." - Eliphalet buigt voorover en streelt de vloer - "was Willie the right guy. Altijd aanwezig voor een of andere sessie. Later hebben ook de Stones en U2 hier songs opgenomen. Sommige bezoekers komen niet voor de rondleiding, maar om een paar noten op hun gitaar te spelen." De opnamestudio is helemaal leeg. Aan de muur hangt een foto van een sessie van Muddy Waters, Willie Dixon en de jonge Buddy Guy. Ik krijg er de blues van. Omdat het geen zondag is, is het stil in de kerk : vandaag geen dienst, geen muziek. De Pilgrim Baptist Church is dicht. Hier legde Mahalia Jackson, de ' queen of gospel music', samen met pianist Tom Dorsey de basis van de warme en diepreligieuze kerkmuziek. Maar omdat het geen zondag is, krijg ik geen Precious Lord of Peace in the Valley te horen. Niks kippenvel. Dieper in de wijk stap ik binnen in het Elliot Donnelly Youth Center, waar achtergestelde jongeren opvang vinden. De oude dame aan de balie laat me graag binnen om de muurschilderingen van dichtbij te bekijken : ze evoceren op een even kleurrijke als vrolijke manier de geschiedenis van migratie en muziek, met een trein en wolkenkrabbers, opgewekte muzikanten, een lachende vrouw, verleidende blikken (of beeld ik me dat alleen maar in ?), vreugde in harde tijden, jazz en blues als de kreten van een geknecht volk. In de obscure kroegen spelen in de jaren twintig Big Bill Broonzy en Papa Charlie Jackson hun muziek, die zich langzaam losmaakt van de deltablues om in de grootstad een nieuwe sound te zoeken. Gitarist Tampa Red, harpist John Lee 'Sonny Boy' Williamson of gitarist Lonnie Johnson, allemaal maken ze verfijnder en vloeiender muziek. Maar de blues zal pas uitgroeien tot de urbane Chicago Blues na de Tweede Wereldoorlog. In '47 arriveert Muddy Waters en vindt werk in een papierfabriek. Hij speelt zoals alle beginnende muzikanten op de markt van Maxwell Street : de deltaman wordt stadsmuzikant. Met harde riffs, obsederende beats en suggestieve teksten maakt hij de blues agressiever. De eerste opnamen mislukken, maar I Can't Be Satisfied en I Feel Like Going Home zijn een schot in de roos. Hij bouwt een stevige reputatie op, met songs van Dixon en met Little Walter op harp. Kroegen zoals Theresa's, 1815 Club en Smitty's, waar hij en Howlin' Wolf hun vaste stek hadden, zijn verdwenen. Wie beide muzikanten een laatste groet wil brengen, moet kilometers rijden met de bus om in de verre buitenwijken hun met bloemen opgesmukte graven te bezoeken. Rondlopen door het oude Bronzeville is eenzaam zijn in een zwarte biotoop. Ik passeer het huis van Muddy Waters en de eveneens vervallen woning van Louis Armstrong : beide zijn tot Star's Homes gebombardeerd door het stadsbestuur. Een dronken zwarte roept me toe dat hij niet van whites houdt. In de ijzige koude oogt de buurt triester dan ze al is. Aan de overkant van de straat ligt de Checkerboard Lounge : ze lijkt op een kroeg uit de delta, oogt groezelig maar heeft een naam als een klok. Helaas is de bar gesloten : geen bluesy feelings vanavond. Dan maar terug de stad in, met de El, the elevated railway die bovengronds tussen de skyscrapers laveert. Net buiten The Loop, de ijzeren tramlus die rond het hart van downtown zweeft, luister ik in Blue Chicago naar Willy Kent and the Gents. Een ouwe knar in een cool interieur. Hij zingt Hoochy Goochy Man, met mokerende verzen van Willie Dixon : " Well, my mother told my father, on the day I was born, gotta boy coming, gonna be a son-of-a-gun." De zoveelste versie, de blues komt uit duizend monden. Chicago is muziek, maar ook architectuur, de stad van Frank Lloyd Wright. Aan de bevroren boorden van Lake Michigan of hoog in de lucht : 'uitvinder van de skyscraper' is een titel die de stad niet heeft gestolen. Met 1450 voet was de Sears Tower ooit 's werelds hoogste building. Het vergt één minuut muziek, Frank Sinatra met Chicago My Home Town, om met de lift op de 103de verdieping te raken. Door een van de 16.000 vensters zie ik industrie en eindeloze wijken, kaalslag, een dambord van rechte straten, het meer, de Hancock Tower en die andere pieken van steen, staal en glas. Seconden later sta ik beneden in sweet home Chicago. Voor een befaamde deep dish pizza lokt Pizzeria Uno. Eerst een minestronesoep met kaas, Florence genaamd naar de vrouw van Ike Sewell uit Texas, die in 1943 de bijzondere Chicago-pizza heeft uitgevonden : een diepe taartvorm waarbij Italiaanse recepten gecombineerd worden met " impressive quantities of the finest meats, spices, vegetables and cheese". Ik kies een kleine Pepperoni : ruim voldoende om nog maar eens in the North naar de befaamdste clubs te trekken. King-ston Mine is als Nighthawk, het schilderij van Edward Hopper dat in het Art Museum z'n weemoedige sfeer uitstalt. Aan de overkant lokt B.L.E.U.S., een donkere kroeg met foto's van bluesmen aan de muur. Pistol Pete, een kruising van Lenny Kravitz en Jimi Hendrix, beukt er flink op los. Ze spelen Born under a Bad Sign. En natuurlijk : I'll Sing the Blues till I Die. Aan de muur zegt een tekst dat hier 10.500 liedjes gespeeld zijn. Ik bestel een biertje met een toepasselijke naam : Rollin' Rock. Zo dool ik door de nachten van Chicago. De laatste avond is de tent uitverkocht, maar toch raak ik binnen. Buddy Guy's Legends is Chicago's bekendste bluestempel : grote ruimte, pooltafels, restaurant. Plots een oerkreet : Buddy Guy is de zestig gepasseerd, maar hij speelt als bezeten : I've Got the Blues, I've Got the Blues All Night Long. Hij improviseert, meandert door het repertoire, stopt Spoonfull en begint een eerbetoon aan Albert King. En aan Dixon met I Just Wanna Make Love to You. Hij stapt van het podium, loopt tussen de menigte, soleert te midden enthousiaste fans, loopt naar buiten en speelt in de vrieskou, komt langs een andere deur weer binnen. Harde gitaar, virtuoos spel, een vraag : " What makes a man go wild ? Must be the same that makes a cat fight all night." Terwijl hij verder speelt, vlijt hij zich tegen een blon-dine aan : " Are you ready ? I'm ready." Blues gaat altijd over hetzelfde. Ze jammen tot na middernacht. " Feels like rain, like wind, like snow... and the cold is not gonna stop us."Na het optreden, als hij m'n cd signeert : "Ik wil gewoon spelen en plezier maken, ik wil eindeloos doorgaan, ook als ik de blues heb. The blues ? That's just a feeling, man." nTekst en foto's Mark Gielen