De verantwoordelijken van de Chianti-regio, en dan vooral het Consorzio de Marchio Storico, een ledenorganisatie die zich om de belangen van de wijnboeren in brede zin bekommert, wisten natuurlijk ook wel dat wetten alleen, hoe garantita ook, niet volstaan om goede wijn in de glazen te brengen. Vanaf 1988 werd, met de hulp van de Europese Commissie, een 12 jaar durend en meer dan 1 miljard frank kostend onderzoeksprogramma opgestart onder de naam: Chianti Classico 2000. De bedoeling van dit initiatief, een wereldprimeur wat elitair agrarisch onderzoek betreft, is drievoudig. Ten eerste moesten uit een waaier van 239 verschillende ondersoorten (klonen) van sangiovese de beste worden geselecteerd, mét de best bijpassende bodemtypes en de beste manieren om de wijngaarden aan te leggen en te onderhouden. Een zeer grootschalig en duur werk met vele parameters, die allemaal op hun eigen invloed moeten onderzocht worden. In de 14 verschillende klimaatzones van het classico-gebied werden experimentele wijngaarden aangeplant. Na een viertal jaren werden de druiven ervan tot wijn gemaakt in een vijftal meewerkende wijndomeinen, samen goed voor een 200-tal microfermenters: kleine wijnmakersinstallaties van 500 liter capaciteit waarmee de vele partijen druiven uiteen konden worden gehouden. Om nog een bijkomend idee van de omvang van het project te geven: er werden een tiental volledige weerstations opgezet, verspreid over het gehele Classico-gebied voor het meten van regenval, zonneschijn, temperatuur, wind, enz.

In de zetel van het consortium in San Casciano kwam onlangs Stefano Porcinai, technisch directeur van het project, de meest recente resultaten aan de wereldpers voorstellen. Ze zijn verrassend en tegelijk voorspelbaar.

De meest verspreide kloon, de fameuze R10, is ook de minst interessante. De kloon R24, één van de "goede", met een dichtheid van 5000 planten per ha, geeft meer gevulde en beter gestructureerde wijnen. Dat is makkelijk te proeven maar wordt ook door de analysecijfers bewezen: suikergehalte, bitterconcentratie en kleurintensiteit zijn allemaal beter. De trend is nu om te herplanten met meer verschillende goede ondersoorten, om meer breedsmakende wijnen te bekomen. Het inzaaien met gras of klaver tussen de wijnstokken is goed voor de kwaliteit maar er komt wel minder wijn van: de wijnstok moet werken onder concurrentie. Het klimaat is te vergelijken met dat van Bourgogne: vrij gematigd. Er is geen enkele reden meer om wit bij rood te mengen. Men kan zich best oriënteren op multicloon- en multi-perceelassemblages.

Dan volgt een bewijsproeverij van moderne Classico's uit 1994: de stevige houtgevulde Fonterutoli, de evenwichtige Fontodi, de strenge Volpaia, de gewoon lekkere San Felice, de charmerende Caffagio, de commerciële Carpineto en de recent op de markt gekomen Monte Bernardi met fijn evenwicht en goed hout van de enthousiaste, ingeweken Griek, Aivaliotis.

Dé revelatie van de studienamiddag was evenwel een anonieme maar moderne sampling van het laatste oogstjaar 1997, die meteen duidelijk maakte dat 1997 een absoluut groot jaar mag genoemd worden. Natuurlijke alcoholgehaltes van flink boven de 13 graden, friszuur, hoge phenolconcentraties en hoog extract. De kleur is van het inkttype, de neus gevuld met diepe aroma's van rijpheid, en de smaak eindeloos lang en goed gestructureerd. Er kan geen twijfel over bestaan: 1997 is groots, en zeker beter dan 1990, 1995 of 1988 en 1985, toch ook allemaal uitzonderlijke jaren.