Casimir Meubelen, dat ben ik. Mensen vinden mijn meubels een beetje bruut en zwaar, maar toch met een zekere verfijning en poëzie. No-nonsense. Zo ben ik ook. De meubels die ik vijftien jaar geleden maakte, verkopen nog. Dat bewijst dat ze een identiteit hebben en dat ze het vermogen hebben om lang mee te gaan.
...

Casimir Meubelen, dat ben ik. Mensen vinden mijn meubels een beetje bruut en zwaar, maar toch met een zekere verfijning en poëzie. No-nonsense. Zo ben ik ook. De meubels die ik vijftien jaar geleden maakte, verkopen nog. Dat bewijst dat ze een identiteit hebben en dat ze het vermogen hebben om lang mee te gaan. De wegwerpcultuur in de meubelsector maakt mij soms kwaad. Een ontwerper tekent een stoeltje, het wordt geproduceerd en een jaar later staat er alweer een nieuw. Die meubelmerken hebben de mond vol over ecologie, maar dat is louter een verkoopargument. 'Naar welke designers kijk je op ?' was een van de vragen bij het ingangsexamen industriële vormgeving in Genk. Ik kende geen enkele ontwerper. Ik wilde eigenlijk wiskunde gaan studeren, maar toen hoorde ik per toeval van deze studie. De combinatie theorie en 'een beetje prutsen', leek me wel wat. Maar voor de grootindustrie werken wou ik niet, besefte ik al snel. Dan ben je een marionet. Je voert andermans ideeën uit. Dat is niets voor mij. Ik ontmoette Ron Arad toen we als student naar de Interieurbiënnale gingen - in 1986 of '88. Hij had er een kleine stand, met een betonnen pick-up en een paar zetels. Erg avant-garde. Ik bleef vier uur op zijn stand, ik was er kapot van. Dat was wat ik wilde zijn : conceptueel vormgever. Daarmee kon ik me identificeren. Dus ben ik een klein afgietsel van Ron Arad geworden. De eerste tien jaar was het sukkelen. Toen kon dat nog. In Vlaanderen bestond nog geen cultuur rond design. Her en der vond je wel een designwinkel, maar in bedrijven was er weinig aandacht voor. Iedereen die ermee bezig was, had een eigen atelier : Maarten Van Severen, zijn broer Fabiaan, Spijker, Dirk Meylaerts... We waren verliefde zielen. We waren met ons eigen ding bezig, in ons eigen atelier. Iedereen had ook zijn eigen voorkeursmateriaal. Logisch : als je iets wilde maken, investeerde je in de aankoop van een grondstof, in gereedschap om ze te bewerken. Bij het tweede product bleef je dan maar bij hetzelfde materiaal want daarin had je geïnvesteerd. Ik heb altijd met hout gewerkt. Nu heb ik andere mogelijkheden, toch grijp ik altijd terug naar hout. Dat ligt mij het best, denk ik. Vlaemsch( ) was mijn eerste industriële collectie. Ik verzamelde tien objecten van verschillende ontwerpers, waaronder vier van mij. Vier jaar lang ben ik er bijna fulltime mee bezig geweest. Mijn eigen collectie Casimir schoof naar de achtergrond. Moose is de bestseller van Vlaemsch( ) : de elandkop in multiplex, ontworpen door Big-Game. Begin volgend jaar openen we het virtuele Mooseum : elke maand zal een internationale creatieveling de Moose opgestuurd krijgen en er iets mee doen. Het resultaat publiceren we online. Nu wil ik weer zelf ontwerpen. Ik neem de draad op van Casimir Meubelen, maar ik wil er een wending aan geven. Er komen nieuwe prototypes en een nieuwe huisstijl. Misschien ga ik traag, maar het is mijn tempo. Ik ben nog maar 42, ik heb wat ervaring die ik nu kan gebruiken. Ik maak mijn eigen verhaal. De plannen die ik nu heb, zaten al lang in mijn hoofd, maar zijn nu pas rijp. Casimir Reynders (42) heeft een eigen collectie onder de naam Casimir Meubelen en een industriële lijn Vlaemsch( ). Met Casimir stelt hij nieuwe meubels tentoon van 4 oktober tot 7 november, in Designcenter De Winkelhaak, Lange Winkelhaakstraat 26, Antwerpen (di.-vr. 10-18 u., zat. 14-18u). Met Vlaemsch( ) is Casimir genomineerd voor de Design Management Europe Award die op 13 oktober wordt uitgereikt. Info : www.casimir.be, www.vlaemsch.be, www.mooseum.be, www.winkelhaak.be Tekst Leen Creve / Portret Saskia Vanderstichele