In Nederland zijn er vermoedelijk niet meer kastelen, jachthuizen en ridderhofsteden dan bij ons, maar ze zijn zeker zo mooi en doorgaans beter onderhouden. Wij bezitten wellicht meer ruïnes en vervallen landhuizen met verwilderde tuinen. Het opkalefateren van een buitengoed kost overal zakken vol geld. Maar in Nederland is dat onderhoud meer dan een geldkwestie: onze Noorderburen houden niet van verval.
...

In Nederland zijn er vermoedelijk niet meer kastelen, jachthuizen en ridderhofsteden dan bij ons, maar ze zijn zeker zo mooi en doorgaans beter onderhouden. Wij bezitten wellicht meer ruïnes en vervallen landhuizen met verwilderde tuinen. Het opkalefateren van een buitengoed kost overal zakken vol geld. Maar in Nederland is dat onderhoud meer dan een geldkwestie: onze Noorderburen houden niet van verval.Er bestaan wel meer essentiële verschillen tussen Noord en Zuid. De Nederlandse buitenplaatsen zijn ongeveer even omvangrijk en op eenzelfde wijze in het landschap geschikt als de onze, maar ze zijn anders van stijl en afwerking. Zeker na 1670 toen de Europese kunst gedomineerd werd door twee grote culturen, de Franse en de Britse. Voordien deelden Vlaanderen en Nederland grosso modo dezelfde kunststromingen. Anno 1650 verschilden de architectuur en het interieur van een Vlaams of Hollands huis nauwelijks. Nadien zoekt Nederland nauwer aansluiting bij de Noord-Europese cultuur: de banden met Duitsland, Denemarken en vooral Engeland worden aangehaald. Dat wordt door de tentoonstelling "Wonen in Arcadië" schitterend geïllustreerd en dat maakt ze ook extra boeiend voor ons. Wij leunden nauwer aan bij Parijs dat vanaf de late 17de tot het begin van de 19de eeuw het kloppend hart van Europa was. Onze ontwerpers haalden daar hun voorbeelden vandaan, via ornamentprenten of door rechtstreeks contact. Menig beeldhouwer, schilder en bouwmeester ging in Parijs in de leer. Door deze directe invloed hebben wij de Franse stijlen vaak letterlijk geïmiteerd, zonder een persoonlijke versie te ontwikkelen. Ook Nederland geraakte vanaf 1690 in de ban van Parijs, maar de beïnvloeding verliep minder direct en resulteerde in een eigen vertaling van het Franse voorbeeld. Sleutelfiguur was ontwerper Daniël Marot, een Franse hugenoot die in 1685 naar Amsterdam vluchtte. Opgeleid in het Parijse atelier van zijn vader, een uitstekend architectuurgraveur, ontwierp Marot zowel interieurs als grondplannen voor tuinen. Zijn stijl kom je in vrijwel alle landhuizen tegen. Eind 17de eeuw onderging Nederland ook een sterke Britse invloed, die wij nooit hebben gekend. Toen huwde Willem III, stadhouder van Holland en Zeeland, de Engelse kroonprinses Mary Stuart. In 1688 combineerde Willem het stadhouder-koningschap over de Nederlandse gewesten en Engeland: hij werd een van de machtigste vorsten van Europa en de directe rivaal van Lodewijk XIV. Op artistiek vlak groeiden de contacten tussen Britse en Nederlandse kunstenaars. Naast de Franse invloed kreeg ook het Engelse classicisme voet aan de grond in Nederland. Willem III maakte van het kleine kasteeltje Het Oude Loo nabij Apeldoorn een paleis dat kon evenaren met Versailles. De exquise buitenplaats met zijn geometrische Franse tuinen werd hét voorbeeld voor de landelijke architectuur van heel Nederland. Overal werden middeleeuwse kastelen gesloopt voor zomerresidenties in de stijl van Het Loo. Vergeet niet dat Nederland als zeemogendheid zwom in het geld. Tussen grote steden als Utrecht en Amsterdam verschenen ontelbaar veel landhuizen. De rivier De Vecht, ten noorden van Utrecht, werd een geliefkoosde pleisterplaats van machtige kooplui en edellieden. De welgestelde Nederlanders hadden een voorkeur voor luchtige interieurs met rijk stucwerk, gemaakt door Tiroolse stuccatori, en vloeren van witte marmer: het Nederlandse rococo stond dicht bij de Venetiaanse voorbeelden. Later beleefde de interieurdecoratie een nieuw hoogtepunt met de reconstructie van het kasteel De Haar bij Haarzuilens aan de Vecht. Baron van Zuylen, gehuwd met de welgestelde Hélène de Rothschild, liet de beroemde architect Cuypers, ook bouwmeester van het Centraal Station en Rijksmuseum in Amsterdam, het renaissanceslot van zijn voorouders herbouwen. Cuypers was de Nederlandse confrater van onze baron Jean de Béthune, stichter van de Sint-Lucasscholen, aanhanger van de neogotiek. Maar Cuypers en opdrachtgever van Zuylen verkozen de renaissance en barok als dé vaderlandse stijl bij uitstek. Voor het 19de-eeuwse historisme is De Haar een hoogtepunt van Europees formaat. De tentoonstelling schetst ook de functionele evolutie van het interieur: een minder bekend verhaal. De eerste kastelen bestonden uit nauwelijks meer dan een zaal, eerst salet en pas daarna salon genaamd: een pronkvertrek waarin gasten werden ontvangen en waarin ook de gastheer sliep, omgeven door bedienden! Eind 17de eeuw wordt de tuin belangrijker en daalt het salon naar de gelijkvloerse verdieping. Deuren verlenen rechtstreeks toegang tot het groen. Pas in de 18de eeuw kregen landhuizen een aparte eetkamer, vroeger werd de maaltijd in het salet verbruikt. Met de eetkamer trad een nieuwe eetcultuur aan. Dat betekende meer serviesgoed van zilver en porselein en het gebruik van de eetkamer als meest prominente ontvangstruimte. Na de middag speelden de kinderen in het park en trokken de ouderen zich terug voor een hazenslaapje in de herenkamer of bibliotheek. Biljartkamers verschenen pas eind vorige eeuw in huis. Die herenkamers groeiden uit tot jachtkamer getooid met trofeeën, of tot rariteitenkabinet, volgestouwd met reissouvenirs. Tot goed 120 jaar geleden bezat geen enkel Nederlands kasteel een badkamer: baden werd nog als ongezond beschouwd en geurtjes werden verdreven met parfum. Maar in 1733 was er wel al een landhuis voorzien van een secreet met waterspoeling! De rijkelui zochten in hun zomerresidentie vooral de rust op die ze moesten ontberen in de vrij dichtbevolkte steden. Genietend van het groen en zonder veel praktische luxe, waanden ze zich in Arcadië.De tentoonstelling "Wonen in Arcadië, interieurs van Nederlandse kastelen en buitenplaatsen", loopt t/m 10 januari '99 in het Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, 's-Hertogenbosch. Info: Tel. (00-31) 73.687.78.00.Piet Swimberghe