Ik heb het eerst niet door, in het zwembad, waarom zoveel mensen zo vriendelijk tegen mij zijn. De verklaring volgt snel : het zijn de mentaal gehandicapten die hier met een buslading afgezet werden. Wat een wereld, waarin de enigen die nog spontaan naar ons lachen de geestelijk achtergestelden zijn. De rest kijkt leep en denkt er al over na hoe ons de volgende loer te draaien, in deze overassertieve maatschappij.

Zalig zijn de simpelen van geest, om het zo maar eens te zeggen. Er is er een bij die door het zwembad waadt, het ondiepe gedeelte, en daarbij op luide toon broem broem doet - onophoudelijk. Hij loopt rechte stroken als maait hij het gras. De man naast mij, beschikkend over een normaal verstand, kijkt naar mij en haalt zijn wenkbrauwen op. Een lachje speelt om zijn lippen. Ik weiger koppig terug te lachen. Met gehandicapten heb ik nooit kunnen lachen. "Zij kunnen het zelf ook niet helpen", is er in mijn jeugd te diep ingestampt. Wel blijf ik ze koppig gehandicapten noemen, niet andersvaliden of wat momenteel de politiek correcte benaming mag zijn. Andersvalide : het klinkt alsof ze stompjes hebben in plaats van ledematen, maar ter compensatie van dat kleine gebrek dan wel kunnen toveren.

Broem broem, in het zwembad. Hij doet het steeds luider. Iedereen kijkt ernaar en hij lacht, wat een pret.

Er is er ook een die blaft als een hond. Zijn hoofd is normaal en doet mij aan een verweerde mijnwerker denken. Maar het lijfje dat eraan vasthangt, lijkt op te veel graden gewassen, en hij draagt een oranje reddingsvest dat flink oversized is. De mensen onder de douche voelen zich gegeneerd en zijn sneller klaar dan anders. Ze haasten zich de kleedhokjes in.

Er zijn twee opvoedsters mee, die wellicht Eva en Petina heten. Beiden zijn jong en mooi, op de manier waarop alles wat jong is mooi begint te worden, in de ogen van wie ouder wordt. Allebei zepen ze een gehandicapte in. Zoals overal in de wereld zijn er die hun job met toewijding doen, terwijl bij anderen de drijfveer is dat men nu eenmaal moet leven. Het ene meisje, Eva zal ik maar zeggen, schrobt kordaat en geeft militair klinkende bevelen. Ze doet haar best maar kijkt toch alsof ze iets vies ruikt. Een beetje maar, niet veel, maar helemaal kan ze niet verstoppen dat er wel duizend-en-een dingen zijn die ze nu liever zou doen dan dit verschrompelde lichaam in te zepen. Het andere meisje, Petina dus, zeept bijna teder een mongooltje in, dat vol liefde naar haar opkijkt. Is het het licht ? Zijn het de warme waterstralen op mijn huid ? Met mijn mond misschien een beetje open sta ik het tafereel te bekijken. Ik druk nog eens op de tijdknop van de warme douche, en nog eens, en ik geniet. Ik kan zó'n verbondenheid met andere mensen voelen, dat het hinderlijk wordt. Zeker als die verbondenheid zich begint uit te strekken tot overdadig geschminkte oude dametjes in supermarkten, tot mentaal geretardeerden die in het zwembad gekke bekken naar mij trekken en zelfs tot oplichters en roofmoordenaars, die het per slot van rekening óók niet kunnen helpen dat zij op deze planeet geboren zijn - met haar schaarsheid van goederen en haar wetten van de sterkste.

Dan schudt het mongooltje (ik geloof dat je ze ook niet meer zo mag noemen, maar "iemand die lijdt aan het syndroom van Down" klinkt zo omslachtig) zich uit als een eend die haar verendek van overtollig water wil bevrijden en lacht kinderlijk, lacht. Lachen als een paptaart, zeggen ze bij ons. Vaak zie ik in een hele week niet zoveel mensen voluit lachen als hier in deze vijf minuten tijd. Mijn borstkas vult zich met warmte terwijl in mijn hoofd woorden als glasscherven vallen. Lebensunwertes Leben. Ik ben blij dat ik hier leef, en nu, in deze kalme uithoek van de geschiedenis.

Broem broem, doet de grasmaaier, die nu ook uit het water is gekropen. Hij lacht breed en ongewapend, zoals ik het waarschijnlijk nooit meer zal kunnen, gehard als ik ben door tegenslagen en mensen met slechte bedoelingen. Ik lach flauw terug, terwijl ik hartzeer voel en ook een soort liefde - en zelfs jaloezie.

Hij draait zich om en gaat verder met maaien, daar waar de kleedhokjes zijn en waar de strengste van de twee opvoedsters met warme handdoeken wacht. Reacties : jp.mulders@skynet.be

Jean-Paul Mulders