Bart Plouvier / Foto's Erik Tanghe
...

Bart Plouvier / Foto's Erik TangheS ainte-Beuve, negentiende-eeuws essayist en literair recensent, werd in Boulogne geboren en ik logeer op de naar hem genoemde boulevard in een heerlijk hotel met bijbehorend sterrenrestaurant. Als ik onder een withete zon naar de kade slenter, herken ik meteen de maritieme chaos, het wezenskenmerk van elke havenplaats: cirkels olie op het water, metalig blauwglimmend ronde lege blikjes; slepers naast jachten naast vissersvaartuigen, die geen van alle rekening houden met elkaars vormen of kleuren; een skyline als een oorlogstafereel. Uitlaatgassen, zee, vismeel, smeervet en een lading houtpulp vertalen de voor mij aangename wanorde in geuren. Een vissersbootje meert aan en stoot zwarte rooksignalen uit. De meeuwen kunnen ze lezen. Krijsend komen ze hun deel van de buit opeisen. Grote kratten worden op de kade getrokken: tongen, walnoot gevernist; scharretjes met witgelakte buiken; spinkrabben uit een ouderwetse griezelfilm. Bij de kraampjes verderop, waar les matelotes de vis aan de toerist brengen, staan twee reuzen, Batisse en Zabelle, een visserskoppel. Ze schrikken nog alle dagen van de visprijzen. Toen ze klein en van vlees en bloed waren, in 1886, woonden ze in de rue du Mâchicoulis, in de wijk La Beurière. Hun zoontje van negen heette Hilaire:' Het gezin van elf leeft op de gelijkvloerse verdieping van huis nummer 16, hoog in het steile trappenstraatje. Hilaire wordt wakker in de keukenkast waar hij een schap deelt met zijn broertje André. Onder hem, in dezelfde schapraai, slapen, in elkaar geklikt als lege kokkelschelpen, zijn jongste zussen. Zijn moeder is de deur al uit. Ze werkt in een rokerij en komt elke avond thuis, ruikend naar visolie en smeulend beukenhout, de ogen donkerrood als schelvislever. Hilaires vader en oudere broers brengen 320 dagen per jaar door op zee. Morgen worden de kostwinners verwacht. Soms, tijdens het drukke haringseizoen, lossen ze de vis en vertrekken weer zonder een voet aan wal te hebben gezet. Maar deze keer zullen ze een dag of vier thuisblijven. Thuis: een wachtplaats, een korte halte tussen twee reizen, een kamer met een breed, zacht bed en het warme lijf van hun vrouw. Hilaires zus van vijftien en zijn grootmoeder wassen en boenen alsof Neptunus met zijn gevolg op bezoek komt. De kinderen ontbijten met gedroogde melktong en brood. Dan vliegen ze de straat op. Hilaire ruikt het al lang niet meer, maar de hele wijk stinkt naar uitwerpselen. Nachtspiegels en toiletemmers dienen geledigd te worden in strategisch opgestelde vaten, maar de ruimers van de stad blijken nooit opgewassen tegen de beervloed. Veel matelotes gieten de emmers leeg midden in de straatjes en spoelen de troep weg met afwaswater en koud geworden koffie. Alles gorgelt en drupt de trappen af, het havenwater in. Boven in een straatje wonen heeft zo zijn voordelen. Het zijn Hilaires laatste maanden als 'margat', straatkind. Met zijn vriendjes heeft hij winter en zomer buiten gespeeld in de doolhof van straatjes en steegjes; langs de vloedlijn waar vrouwen zware netten door het water trekken; aan de voet van de klippen buiten de stad. Als de veerboot uit Folkestone toekwam, konden ze een paar penny's verdienen door Engelse toeristen te gidsen, iets te zingen in het 'patois de la marine', het vreemde, half Latijnse, half Romaanse taaltje dat in La Beurière gesproken wordt. Op tienjarige leeftijd moet hij, als scheepsjongen, als 'mousse', met de mannen naar zee. Het huis nummer 16 in de rue du Mâchicoulis zal ook voor hem een hotelletje met kamers voor reizigers worden'. Van de hele visserswijk rest nog slecht dat éne trappenstraatje. De magere karrenpaarden zijn uit het beeld gesloft, zeilschepen zijn weggevaren en achter de horizon van de tijd tot zinken gebracht. De mosselvrouwen verkopen nu lege schelpen uit verre zeeën en plastic vissermannetjes. De standplaats voor huurrijtuigen, het zwarte tingeltangeltrammetje, het Hôtel de Paris met een terras onder een enorm razeil: verdwenen, enkel nog te bewijzen aan de hand van oude foto's. Het trammetje en de koetsen zijn op een avond, afgeladen met bleke dames onder parasols en heren met strohoeden, weggereden en nooit meer teruggekomen. De hotels langs de kade werden tijdens Wereldoorlog II platgegooid door de Engelse luchtmacht. Sainte-Beuve beheert nu nog slechts één negentiende-eeuws gebouw. Waar Hilaire in de betere drankgelegenheden zong voor les Inglé, staan op fundamenten van verpulverde gevels en afgerukte Wehrmacht-uniformen, vier flatgebouwen. Miskleunen, vroeg in de jaren vijftig opgetrokken door branieachtige architecten, die in de roes van de herwonnen vrijheid dachten dat alles kon en niets nog moest, die de traditie negeerden en bouwkundige bagage als ballast beschouwden. Wie te weinig omzichtig met artistieke vrijheden omspringt, helpt de dictatuur van de lelijkheid in het zadel. Ik hoop stiekem dat de RAF nog één keer deze kant op komt. Later lees ik dat de blokken als 'symbool van de wederopbouw' beschermd werden. Wanneer de Engelse gevechtstoestellen een eind achter de stad rechtsomkeert maakten, namen ze, bijna anderhalve eeuw nadat hij het gewaagd had hen te bedreigen, nog gauw even Napoleon onder vuur. Die staat op de 54 meter hoge Colonne de la Grande Armée in Boulognes achterland. Zijn woonhuis op de kliffen is verdwenen, maar een gedenksteen markeert nog de plek waar hij, ziek van frustratie, het begeerde eiland liggen zag, zo dichtbij en toch zo onbereikbaar. Erger nog, hij moest er toekijken hoe Nelsons slagschepen rustig de tijd namen om de Franse forten en zijn honderdduizend, in en rond Boulogne gekazerneerde manschappen onder vuur te nemen. De 'moderne Caesar' slaagde niet in wat de echte Caesar wél lukte: vanuit Boulogne Engeland veroveren. Beneden, tussen strand en rotsen paradeert een ruiter. Het is Jose de San Martin, bevrijder van Argentinië, die na zijn heldendaden in deze stad kwam sterven. Hij wil terug, maar zijn bronzen paard kan niet zwemmen. Met de regelmaat van de geologische klok brokkelt een stuk Boulogne- en-Mer. Op een dag gleed de visserskapel in zee en volgde zo de verdronkenen ter wier nagedachtenis ze was gebouwd. Jonge architecten hebben, vertrekkende vanuit een of ander artistiek concept, oude brokstukken gecombineerd met nieuwe, van een scheepsromp afgeleide vormen in wit metaal. Mijn belangstelling gaat vooral uit naar de gedenkplaten, naar de gebarsten sepia portretten van verdronken kindmatrozen, wazige foto's genomen op de bodem van de zee. Velen van hen werden niet ouder dan vijftien. Een enkele inscriptie vertelt iets over de omstandigheden waarin de zeelui omkwamen; over zelfopoffering: " Enlevé par une lame en secourant les naufragés"; over oorlogsmisdaden: " Torpillé à bord du Tahure, bateau de pêche". Maar van de meeste zeelui wordt enkel gemeld dat ze verdwenen. Het ene ogenblik stonden ze aan dek, het volgende waren ze weggeplukt. Van sommigen werd de verdwijning pas uren later opgemerkt. Bij het binnenhalen van de netten of tijdens een korte koffiepauze: "Où est Jacques?" Hier, jaren later, kun je het antwoord lezen: " Disparu en mer".Boulogne kreeg de eretitel van Ville Fleurie. Te midden van elke rotonde, tegen de achtergrond van de industriële grauwzone en aan de voeten van bronzen notabelen schetteren bloemen in kleuren die zich nooit laten vangen, niet op fotopapier, niet op doek. Leg ze vast en niemand gelooft je. Ook binnen het hoger gelegen, ommuurde stadsgedeelte is het bloemenareaal enorm. Ik drink er koffie op de place Godefroy-de-Bouillon en vrees even dat ik een stuk vaderlandse geschiedenis zal moeten herzien. Boulogne, Bouillon... hebben geschiedschrijvers de namen door elkaar geklutst en heeft de held uit mijn ridderperiode nooit in Bouillon gewoond? De man achter de balie van het gemeentehuis begrijpt mijn vragen, maar niet de urgente toon waarop ik ze stel. Hij heeft natuurlijk nooit - met een melkkan op het hoofd, gehuld in een maliënkolder van samengebonden wasborden en gewapend met een panlatzwaard - heidense buurjongens bevochten. Hij leidt me naar een glas-in-loodraam, waar de manshoge Godfried straalt en gloeit en me bijna verdrinkt in zijn vloeibaar licht: kersensap en oude cognac, water uit de Middellandse Zee en muntsiroop. En, godzijdank, de koene ridder werd hier alleen maar even geboren, in 1061, toen Boulogne nog Bonen heette en men in de stad een nu verdwenen vorm van het Nederlands sprak. De verfransing begon al in 1300. Toch vind ik op een spijskaart Potjevlesch. Is het een woord dat in zijn eentje zevenhonderd jaar standhield, of trok het zich terug in Vlaanderen om na eeuwen, verminkt, weer naar Bonen te keren? Wat er ook van zij, op een binnenplaatsje waar het roze geraniumblaadjes regent, laat ik mij het gerecht smaken: varkensvlees in een kruidige aspic. Een burcht, in 1230 opgetrokken tegen de muren van de oude stad, heeft eeuwen kunstgeschiedenis in haar cirkelvorm gevangen. Conservators en milde schenkers hebben het Chronos niet makkelijk gemaakt. Voortdurend trapt hij hier zichzelf op de staart, dagelijks rondjes lopend, flitsen hele stukken van zijn bestaan, ongeordend aan hem voorbij. Ook de bezoeker weze gewaarschuwd: pijlen wijzen je wel de weg door de ruimte van het gebouw, maar het pad door de eeuwen zit vol kloven en steiltes. In zalen gevuld met oude Griekse vazen en schalen vertonen goden en halfgoden hun gruwelijke fratsen, biedt een soldaat zijn generaal de lever van een vijand aan, deelt Athena de wapens en de lakens uit. Het aardewerk golft en rolt door de vitrines en bevestigt wat ik al vermoedde: de Hellenen hebben de ideale ronding ontdekt en ze vertaald in klei. Was het een vrouwenheup, een vrucht, een heuvelrug, de maan in haar laatste kwartier? Trap af. Vier eeuwen naar beneden. Egyptologie. Auguste Mariette, geboren in Boulogne en door de stad rijkelijk met bustes bedacht, legde de basis van de collectie: drie sarcofagen, beschilderd met warm oker, tabakssap en stofgoud, kleuren die wij nu rembrandtiek mogen noemen. Nehemsimontou vertikt het na drieduizend jaar nog steeds om 'tot stof weder te keren', al heeft hij vermoedelijk aan de rand van de hel gestaan want zijn huid is zwartgeblakerd. Zijn gebit is ongeschonden, zijn vingernagels dienen bijgeknipt, zijn fijn, koperen krulbaardje kleeft aan zijn houtskoolkaak. Volgens een bordje aan de muur werden de ingewanden van een gebalsemde in een afzonderlijke urne bewaard. Nehemsimontou heeft nooit meer last van de winderigheid waar zijn vrouw, Nodjemmout zich zo aan ergerde. Hij is het spoor van de pot met zijn maag, lever en darmen al lang bijster. Egyptologen kunnen de tekeningen op de sarcofagen lezen: Nodjemmout zou een getalenteerde zangeres geweest zijn. Nu zingt ze 's nachts voor Sarah Bernhardt die hier, in potlood en gouache, ergens hangt, voor Venus, voor gotische heiligen, en voor haar arduinen impresario, Auguste Mariette. In de trapzalen staan de gebeeldhouwde hoofden van baronnen en gravinnen. Geen materie die zich zo goed leent voor portretten - en dan vooral die van vrouwen - als wit marmer. De grijstonen van schaduwen op de steen maken een wezenlijk deel uit van het verbeelde en het wit oogt zinsbegoochelend zacht. Neuzen kunnen gesnoten worden, blikken gelezen, lippen gezoend. Op een enkele uitzondering na zou je op de meeste hier getoonde witte dames verliefd kunnen worden en misschien zíjn een aantal bronzen heren dat ook wel. Pas als je het beeld zou aanraken - en dat is gelukkig verboden - zou de illusie verdwijnen. Eveneens in de hal, op weg naar de schilderijenzaal, stilgevallen onder het gewicht van haar vondsten, hangt de Ramasseuse d'épaves, de strandjutster van Francis Tattegrain. Ze kijkt, een beetje angstig, naar iets of iemand buiten het doek. Was strandjutten verboden in 1881? Heeft ze nare herinneringen aan een van de gebeeldhouwde mannen? Tattegrain, gekend om zijn epische taferelen, heeft deze keer een heel doek opgebouwd rond de blik van een jonge vrouw. Had Tattegrain niet gezien dat de ramasseuse zag wat ik nooit zal zien, dan had de kunstenaar ze niet op doek gezet, dan was ze niet blijven staan en was ze het beeld uit, de vergetelheid ingelopen. Ik struin trap op trap af, eeuw in eeuw uit, door zalen en langs genres. Ik ontmoet twee maquettes van Rodins burgers die vanuit Calais hierheen zijn komen lopen. Een pastel, L'Enfant endormi van Antoine Leclerq, verzinnebeeldt de absolute onschuld, slaapt zo diep, is zo ontroerend kwetsbaar dat ik op mijn tippen aan haar voorbijloop. Voor 't eerst in mijn leven zie ik porselein waar ik kippenvel van krijg: een koffieservies uit Rozenburg, Nederland. Op Lutteurs, een vaas van Lalique, grijpen glazen worstelaars, zonder te barsten of te splinteren, elkaar in de nek. Bij Le Cheval Boulonnais, een zwart gepatineerd brons van Louis De Monard, blijf ik lang op een bankje zitten. Het werkpaardenras dat voor deze sculptuur model stond, is in werkelijkheid wit, maar los daarvan is er in de hele streek niet één zo'n beest te vinden, nu niet en niet ten tijde dat het gebeeldhouwd werd, 1873. Dit paard heeft nooit bestaan. Ik kijk naar 'het begrip Boulonnais', opgebouwd uit honderden paarden. Dat is wat de kunstenaar kan: je tonen wat er is, maar wat je zonder hem als bemiddelaar, nooit zou zien. Als ik ooit in de misdaad stap, word ik kunstdief. In elk museum bekruipt mij de drang om een paar dingen mee naar huis te nemen. Volgens Anneke Brassinga zei Stendhal dat schoonheid nooit iets anders is dan de belofte van geluk. Ik wil in schoonheid zwelgen. Mijn behoefte mij te omringen met mooie dingen heeft niks te maken met bezitsdrang maar alles met mijn streven naar geluk. Met een hoofd vol beelden die allemaal een plaatsje zoeken in de overvolle kasten van mijn geheugen, loop ik weer naar de haven. Van op de kademuur voor mijn hotel kijk ik hoe de avond valt. Het strand loopt leeg en achter Engeland zakt de zon in een ansichtkaart. In het westen klauwt de nacht al in het blauw, en de schaduw van Napoleon op zijn zuil reikt nu tot Waterloo. De maan, een lepel gesmolten kaas, komt ruim vroeg haar deel van het etmaal opeisen. Links van mij, tegen een horizon van uitdijend purper, rijst het decor van een film die ik nooit gezien heb maar die hier vast werd gedraaid: piramides, staalconstructies van buizen en kabels; dokken met glooiende oevers, donkerder dan een vulkanisch strand; een onverwoestbare U-bootbasis; een labyrint waarin vrachtwagens en schepen voor altijd verdwenen en waarin soldaten uit twee wereldoorlogen in opperste verwarring op elkaar schieten. De meeuwen zijn er zwart. Pas wanneer er tussen hemel en zee niet meer dan een streepje licht kiert, ga ik eten in La Matelote. Op wijn- en spijskaart staat Madame Lestienne, née en 1834 afgebeeld, poserend tussen peperkoeken. Ze draagt een zwarte jurk en een grijzende baard. Een begeleidende tekst vertelt dat ze als Femme à barbe met haar peperkoekkraam de dorpen afschuimde. Vergeefs zoek ik een verband tussen de Menu saveurs de la mer die ik kies, en de bebaarde mevrouw. Ik krijg als dessert weliswaar ijs au pain d'épices, maar die zinspeling lijkt me te summier om het portret van madame Lestienne als logo te verantwoorden. Vanuit haar winkeltje, het mes klaar om een ronde koek aan te snijden, staart ze in mijn bord. Na enig speculatief gemijmer over madame Lestiennes borsthaar stel ik mijn prangende vraag aan de patronne. De baardvrouw blijkt de overgrootmoeder van haar echtgenoot, chef van La Matelote. Nee, ze dácht er destijds niet aan om zich te scheren. De gevolgen van het onevenwicht in haar hormonenhuishouding lokten klanten van heinde en verre. Er is ook een daguerreotype, veel minder flatterend dan het schilderij. Madame Lestienne leek op Leopold II. Ik leg overgrootmoeder op haar buik en eet drie soorten kaas d'ici et d'ailleurs, van overal en nergens. Alles smaakt overheerlijk, ook het peperkoekijs. Weldra gluurde de Dageraad door haar liefelijke roze vingertjes, en Nausicaa ontwaakte...'. Naar die prinses uit Homerus' Odyssee werd het Centrum voor het Maritiem Leefmilieu genoemd. Nausicaa ligt tegenover mijn hotel en was tot het begin van de jaren tachtig het casino van Boulogne, waar dure heren en hun Moët & Chandon-dames hun geld kwamen vergokken. Ik ben dan wel niet, als Odysseus 'een rampzalig verdoolde', ik word door Nausicaa en haar tienduizend zeebewoners, net als Homerus' held, vriendelijk ontvangen. Het complex bondig omschrijven is niet makkelijk: reuzenaquarium, centrum ter sensibilisering van de publieke opinie omtrent de zee, onderzoeksbasis. De definities kloppen allemaal, maar doen het geheel geen recht. Zalen baden in het blauwig licht. Wat ik hoor, is oorspronkelijk niet voor mensenoren bestemd, de geluiden hebben veelal geen naam. Ik ken hun oorsprong niet en moet me behelpen: luchtbel, gratenratel, schelpklok, zee-egelcarillon; aangevuld met trompetvissen, drenkelingen die op kinkhoorns blazen en bodemtrollen op de bas. In een glazen cilinder, ruim als een schoorsteen van de Normandie, zweven witte kwalletjes, zeechampignons die zich voortbewegen door hun hoedjes open en dicht te vouwen. Ik steek mijn hoofd in een koepel en kom terecht in een onderwatertuin. Er leeft zwemmend fruit en gestipte bullebakvis, er groeit witte broccoli en wieren die wapperen in de wind van de deining. Sommige vissen zijn al even onwaarschijnlijk gekleurd als de bloemen in de plantsoenen, duizenden meter boven mij in de straten van Boulogne. In ondiepe bakken demonstreren platvissen hun kunnen door zich, perfect gecamoufleerd, onzichtbaar te maken voor predators die toch nooit komen omdat ze drie aquaria verder wonen. Mediterrane vissen lijken strak in aluminiumfolie verpakt. Zit de look en de venkel al tussen vel en vlees? In een omgekeerde piramide, het hart van het gebouw, gevuld met 45.000 liter water, leeft een kleine school tonijnen. Ik loop door het ruim van een fabrieksschip waar die vissoort verwerkt wordt. Vier dekken boven mijn hoofd kijken namaakmatrozen naar filmbeelden van hun collega's, geprojecteerd op het achterdek. Dan is er plots ook water onder mij en al wéét ik dat het glas waarop ik loop stevig genoeg is, net als iedereen zet ik aarzelend de eerste passen. Een grote haai glijdt voorbij, traag als de vadsige vorst die weet dat zijn onderdanen geen kant uit kunnen. Verderop, in het koraalrif, groeien fallussen. Volgens een bordje heeft elke vorm een zin en een functie en dus wacht ik nieuwsgierig op een zwemmende vagina. Die komt niet. Eén vis, blauw met groen gestipt, werd uit een schilderij van Georges Seurat geknipt. In een ovale bak worden sardines voorbereid op de toekomst: ze zitten in hun aquarium zoals ze later in hun blik en in de daaruit afgeleide vergelijking zullen zitten. Wanneer ik Nausicaa buitenkom, ben ik in het wit van tegels en middagzon even sneeuwblind. Aan de overkant van de havengeul draait de ijsfabriek op volle toeren. De zwartbestoven meeuwen zijn er ook weer. De wind waait strak vanuit zee. Als ze in Dover genoeg zeil bijzetten, ligt Engeland in geen tijd voor de Franse kust. Napoleon hoeven ze niet te duchten, die kijkt de andere kant op.