Zelden zo'n vrolijke ziekenhuiskamer geweten als de hare. Eigenlijk vond ze het zelf ook, het leek eerder de kraamkliniek dan de afdeling oncologie. Bossen bloemen en kaartjes, een fles champagne die ze prompt ontkurkte, een toast op haar gezondheid (nooit toepasselijker!) en gul gelach om grappen. Bij haar was de rechter weggenomen, bij een andere vriendin de linker. Samen toch nog een goed gevuld decolleté. Dat soort grappen, dus. Gelegenheidsgrappen.
...

Zelden zo'n vrolijke ziekenhuiskamer geweten als de hare. Eigenlijk vond ze het zelf ook, het leek eerder de kraamkliniek dan de afdeling oncologie. Bossen bloemen en kaartjes, een fles champagne die ze prompt ontkurkte, een toast op haar gezondheid (nooit toepasselijker!) en gul gelach om grappen. Bij haar was de rechter weggenomen, bij een andere vriendin de linker. Samen toch nog een goed gevuld decolleté. Dat soort grappen, dus. Gelegenheidsgrappen. Borstkanker, heette de gelegenheid. Ik had het gehoord bij mijn terugkeer uit vakantie. Toen ik oog in oog stond met de Grand Canyon, moet zij oog in oog gestaan hebben met de resultaten van het onderzoek. Háár Canyon, de kloof waar ze overheen of zelfs doorheen moet, eer ze haar reis kan voortzetten. Een leerrijke uitstap, verzekerde haar een vriendin, die inmiddels al twee jaar aan de overkant staat. Geloof me, daarna geniet je als nooit tevoren, je zult zien. Maar van genieten hád ze toch al een diploma op zak, summa cum laude. Had ze dan niet liever een villa in Italië gehuurd? Zij en ik, wij hebben een wat rare relatie, ergens tussen collega's en vriendinnen in. Zo gaat dat als je zoveel jaren op dezelfde redactie hebt gewerkt en ontdekt hebt dat je wel meer met elkaar gemeen hebt. De leeftijd, om maar iets te noemen, met het daarbij horende veteranengevoel en stalactietenvlees. Het veteranengevoel gingen we te lijf met ons jonge hart, de vleselijke rondingen en verzakkingen met een fitnessabonnement. Een beetje overtild, had ze nog gedacht na een van de sessies. Die verdikking, een spier die lichtjes overwerkt was. Maar nee, hoor. Wat we nog met elkaar gemeen hebben? Nou ja, humor, relativiteitszin, familiale prioriteiten, een zwak voor tuinieren. En daarbij natuurlijk, door de jaren heen, ook een trits ervaringen: een kop koffie nu en dan, de laptop die we halverwege de Tour de France aan elkaar doorgaven, het Franse terrasje waar we op een zwoele zomeravond die wissel hebben beklonken. We houden beiden van een stevig gesprek. Want we kunnen niet alleen maar goed met elkaar lachen. Toen mijn stiefzoon ziek werd, liep zij niet weg, maar bleef naar hem informeren en liet me verstaan hoe blij ze was met haar twee gezonde zonen (die nu aan haar ziekbed stonden te grijnzen om dat bosje gekke wijven). Toen haar moeder kanker kreeg en mijn vader eraan stierf, wisselden we gezondheidsbulletins en palliatieve informatie uit. Alleen gezeur aan onze kop, daar hadden we weinig geduld mee. Daar was het leven iets te kostbaar voor. Vonden we al in onverdachte tijden. En dan is er nog die onvermijdelijke beroepsmisvorming. Altijd en overal papier in de buurt en pen in aanslag, zo zijn we geworden. Ik had het kunnen weten toen ik haar kamer binnenstapte: op het tafeltje naast haar bed lag het schriftje klaar. Ze had zich een beetje boos gemaakt omdat niemand het woord kanker uitsprak, daar zou ze eens even wat aan doen. Ik ken dat soort boosheid. Ik heb ze destijds ook gevoeld toen mijn stiefzoon schizofreen werd. "Net zo'n onfatsoenlijke kwaal als kanker is krankzinnigheid", schreef ik in mijn boek Papavers. "Kijk dus maar snel de andere kant op, gebaar of je die ongenode gast niet kent, misschien loopt hij je wel voorbij." Om dat stilzwijgen te doorbreken, heb ik toen dat boek geschreven. Zoals zij nu een wekelijkse column schrijft in de krant. Haar gevecht tegen borstkanker, maar niet alleen het hare. Eén op de negen vrouwen krijgt ermee te maken, niet toevallig heeft ze zoveel vriendinnen met ervaring in de buurt. Ziedaar iets dat we niet met elkaar gemeen hebben. In hun gezelschap ben ik met mijn vol decolleté maar een halve. Maar deze halve wil wel uit volle borst met ze meevechten. Laat ik hun ongenode gast dus maar bij zijn naam noemen, laat ik hem maar in de ogen kijken. Want hij hoort bij het leven, meer en meer, bij het hunne en bij het onze. Ook al zou ik het wel weten in zijn plaats, oog in oog met dat forse front van halve en hele decolletés: ik maakte als de bliksem dat ik wegkwam.INGRID VANDER VEKEN