Hoewel '94 een beter bordeauxjaar was dan '93, was het ook een moeilijk jaar. Regen in de pluktijd kelderde de hoge verwachtingen en gaf een wijnjaar met grote kwaliteitsverschillen. Uitkijken dus ! Verslag van de jaarlijkse proeverij van de "Union des Grand Crus de Bordeaux".
...

Hoewel '94 een beter bordeauxjaar was dan '93, was het ook een moeilijk jaar. Regen in de pluktijd kelderde de hoge verwachtingen en gaf een wijnjaar met grote kwaliteitsverschillen. Uitkijken dus ! Verslag van de jaarlijkse proeverij van de "Union des Grand Crus de Bordeaux". HERWIG VAN HOVEFOTO'S : TRAVEL PICTURES Het jaar was nochtans goed begonnen : een vroegtijdige oogst kondigde zich aan, met daaruit volgend een veel grotere kans op volledige rijpheid. Want in het najaar wil het al eens vroeg winteren en dan rijpt niets meer. In 1994 kwamen bloemzetting en verkleuring tien dagen eerder dan gemiddeld (berekend sinds 1934), maar toch een week later dan in het zachte, rijpe wijnjaar 1990. De zomermaanden verliepen volkomen "normaal", met een iets minder gunstige augustusmaand "le mois d'août fait le moût" maar op 5 september, 12 dagen voor de voorspelde volledige rijpheid, was de suiker-zuurverhouding zelfs gunstiger dan in 1990. Iedereen verwachtte toen een groot jaar, minstens van dezelfde kwaliteit als 1990 en naar alle waarschijnlijkheid veel beter. Het mocht niet zijn : vanaf 7 september liep het mis, het hield niet meer op met regenen. Nattigheid gedurende de pluk geeft altijd aanleiding tot sneller en vroeger oogsten om rottigheid tegen te gaan, en dat brengt dan weer wat hardere tannines mee. Meteen ligt hier de sleutelparameter voor 1994 : de vroege druivesoorten en de wijnen die erdoor bepaald worden, zijn beter dan de latere. Merlotwijnen zoals Pomerol of Saint-Emilion zijn gemiddeld beter dan de cabernetwijnen van Médoc ; wijnen uit de Graves ten zuiden van Bordeaux die enkele dagen voorsprong hebben op Médoc, maar praktisch hetzelfde druivenbestand, zijn ook weer wat beter ; de witte die voor de regen geplukt werden, zijn heel goed. Algemeen gesproken werkt het vele hemelwater wat verdunnend. Een jaar dus om mee uit te kijken. Het proeven van piepjonge primeurwijnen kan niet onvoorbereid gebeuren : men moet er als het ware doorheen kunnen kijken. Kleine of grote, voorbijgaande maar erg storende onvolmaaktheden zoals brakke neustoetsen, reduktie-elementen, zwavel, extreme geslotenheid of overdreven houtdominantie, kunnen immers in de nabije toekomst wegevolueren. De meeste van deze wijnen hebben nog minstens 6 maanden houtlagering voor de boeg en kunnen nog grondig van opmaak veranderen. Doordat 1994 echter het derde "gewone" jaar op rij is, zijn zeker alle bijmengmogelijkheden uit reservewijnen van betere jaren opgebruikt. Men zal het dus moeten doen met de wijn zoals hij is. Wat in dit nawinterse stadium wèl definitief verworven is, situeert zich in de struktuur. In moeilijke jaren zoals 1994 is de extraktie kritisch : ze moet juist zo zijn dat de resulterende tannines door het wat magere fruit kunnen gedragen worden. De grote wijnmakers zullen er dus niet op uit zijn om te allen prijze de "sterkste" of "donkerste" wijn te maken, maar eerder de meest evenwichtige. Te ver doorgevoerde extraktie leidt immers niet alleen tot koncentratie-onevenwicht, maar ook tot verkeerde bitterheid : harde, groene en vegetale tannines. De tijd kan misschien het koncentratie-onevenwicht wat verzachten, maar kan nooit smakelijkheid ontwikkelen uit rasperige bitterheid. Van dergelijke wijnen moet men afblijven, ze worden nooit goed. Elk jaar, als de verse wijn na de eerste winter wat tot rust is gekomen, nodigt de Union des Grands Crus de Bordeaux de internationale "drinkende" pers uit voor de eerste proefronde van het verse millésime. De Union vertegenwoordigt 115 van de grote châteaus, samen goed voor zo'n 5000 hektaren van de beste Bordeauxse wijngaarden en voor een gemiddeld omzetcijfer van 10 miljard frank. De 5 supergroten, behalve Cheval Blanc, doen niet mee. Officieel omdat de wijnen in dit stadium moeilijk te vervoeren zijn ; in werkelijkheid omdat ze de kompetitie schuwen. Ze kunnen er immers alleen maar bij verliezen. De wijnen worden in grote groepen samen geproefd en er kan dus een duidelijke relatieve norm worden opgebouwd. De genodigden worden in proefgroepen van tien man ingedeeld en per twee à drie in de châteaus gelogeerd. De eigenlijke proeverijen gebeuren in kastelen met de nodige infrastruktuur, waar de monsters een paar dagen op voorhand worden samengebracht. POMEROL 1994 Beauregard : simpele ruwe korte smaak zonder onderbouw. La Cabanne : grasachtige neus met elementen van gekookt fruit en ruwe uitschietende tannines. La Pointe : wat ruwe nietszeggende smaak maar wel een toets van fijn hout. Deze drie wijnen zijn indrukwekkend van kleur, maar hebben geen potentieel van diep fruit aan de neus en (te veel) ruwe bitterheid. Clinet : mooie gedrongen kleur en ruime door hout gedragen neus die niet verdiept bij opschudden, wat wollige smaak met een begin van charme. La Croix-de-Gay : neus met ruimte maar ook met iets struktuur en een toets van verbrand, de smaak is kort en zonder lengte. Nenin : aangename wijnachtige neus met iets finesse, dun in de smaakaanzet maar met iets lengte. Petit Village : neus met finesse en ruimte maar geen diepte, vrij anonieme, door hout gedragen smaak met iets lengte. Deze vier wijnen zijn "verstandiger" gemaakt dan de drie eerste : ze zijn niet overdreven geëxtraheerd, waardoor de kleur minder diep is en de tannines minder virulent. Ze zijn niet van het faux riche-type maar tonen wel de zwakte van het millésime : de regen komt tot in het glas. La Conseillante : ruime kleur met goede koncentratie en een goede neus die wat verruimt na opschudden, charmerende en krachtige smaak met een kleine toets ongedekt bitter op het einde. Gazin : gedrongen kleur en een zachte neus met fruit en charme en zelfs iets verre onderbouw, charmerende smaak tot op het einde. Vieux Certan : goede kleur, neus met een groene toets maar met finesse, smaak met aksent op finesse en goed geknoopte lengte. Deze drie Pomerols vertegenwoordigen zowat het beste wat het millésime kan bieden, maar zijn niet uitzonderlijk op een absolute kwaliteitsschaal. SAINT-EMILION 1994 De kleur van de meeste wijnen van dit jaar is zeer goed, met een flinke koncentratie en een smalle, gedrongen meniscus tegen de glaswand. We vermelden alleen de afwijkingen. Dassault : vegetale neus zonder rijpheid in de onderbouw en ruw-bittere smaak tot op het einde. La Tour-Figeac : losse charmerende merlotneus met eenheid en goed hout, gewoon goede smaak. Villemaurine : neus overdonderd door verse eik en een ronde wat "gewone" smaak. Larcis-Ducasse : prezente neus met een zekere stevigheid die goed samenblijft na opschudden ; charmerende, geknoopte smaak met goede lengte en zonder storende bitterheid. Fonplégade : veel te lichte kleur en een allure van simpele tafelwijn. Franc-Mayne : neus wat overdonderd door verse eik, anonieme korte en lompe smaak zonder charme. Balestard : ruime brede neus met enige charme en rijpheid na opschudden, smakelijke aanzet en golvende brede smaak waarin de tannines mooi zijn toegedekt. Cap-de-Mourlin : neus met finesse en een redelijke smaak met goede lengte. Pavie Décesse : haast geen neus en geen onderbouw, verdrogende smaak van oud hout. Canon-La-Gaffelière : neus met goed hout en grote eenheid met kracht, na opschudden iets rijpe charme in de verre onderbouw, krachtige smaak met lengte en goede struktuurtannines, streng type dat zal komen. La Dominique : diepe kleur waarin een aksent van rijpheid, gebalde krachtige neus metPauillac-achtige finesse en wat charme in de onderbouw, smaak die kracht en charme kombineert. Larmande : vegetale neus met veel hout en overdadige ruwe tannines in de smaak. Angélus : gedrongen kleur met rijpe nuance, neus met ruimte en diep fruit in de verre onderbouw, smakelijk in de mond met grote eenheid en goede struktuurtannines, misschien iets kort door het millésime. Grand-Mayne : neus met rijpheid en fruit en goed hout, smaak met charme en tonus. Troplong-Mondot : uiterst gedrongen kleur, stofferige vegetale neus van vooral droog hout, een vuist tannines in de mond zonder detecteerbaar fruit. Canon : ruime neus met fruit en rijpheid en een kleine vegetale toets, charmerende smaakaanzet met veel bitterheid en een iets vermagerend einde. Figeac : ruime neus en een goede, zachte, charmerende smaak met vooral goed evenwichtig houtwerk. Pavie : opvallend lichte kleur en een dunne diskrete neus met een dunne charmerende toets in de mond. Clos Fourtet : neus en smaak volkomen overdonderd door hout, niet te proeven. Cheval Blanc : ruime neus met fruit in de onderbouw, goede evenwichtige smaak met struktuurbitterheid en grote lengte. Pavie met zijn zoals-het-is-stijl valt wat zwak uit tegenover de moderne geselekteerde broeders zoals Angélus of Mondot. De zo nodige harmonie tussen fruit en bitterheid is zeldzaam omdat er veel bitterheid is en weinig fruit. Figeac is een mooi kompromis. Canon, Troplong-Mondot en Clos Fourtet hebben te veel bitterheid en zijn in dit stadium haast niet te evalueren. Angélus is even bitter, maar met de zo noodzakelijke smakelijkheid erbij, een grote wijn evenals Cheval Blanc. Bij de mindere goden is La Dominique uitzonderlijk en zeker bij het beste van het jaar. Canon-La-Gaffelière is van hetzelfde kwaliteitsniveau maar vraagt meer vertrouwen. "Gewoon goed" zijn Larcis-Ducasse, Balestard, Cap-de-Moulin en Grand-Mayne. Een jaar waarmee het uitkijken geblazen is. Dat is ook de mening van Paul Casenave, keldermeester van Canon sinds 1947 : "Oppassen met overkoncentratie, we moeten niet te allen prijze wijn willen maken zoals in de Rhônevallei. Onze bodemexpressie en het fruit moeten blijven spreken. "Huiselijke sfeer De eerste "flight" die van de Saint-Emilions en Pomerols proeven we in een zijgebouw van het sympatieke Château Canon. Een kleine hoeve-achtige binnenkoer met de wijngebouwen eromheen en het smalle kasteeltje tegenover de grote ingangspoort. Eric Fournier is een no-nonsense eigenaar die niet verdoezelt dat de kwaliteit van verschillende oogstjaren kan verschillen en die open staat voor kommentaar van buitenaf. Na een nacht in het wat anonieme maar wereldberoemde Cheval Blanc, is de huiselijke sfeer van Canon een verademing. We nemen er na het werk een landelijke maaltijd van gebakken kalfszwezerik met asperges en daarna gebraden eend. In de glazen komt een excellente Canon-La-Gaffelière 1988 hij komt eindelijk wat open en een indrukwekkende Pavie 1986. Het duo La Conseillante 1985 en 1986 laat ten slotte zien hoe goed de 1985 in Pomerol wel is (was). MEDOC, HAUT-MEDOC, MOULIS en LISTRAC 1994 Van de kleinere appellations moet men in zo'n moeilijk jaar niet te veel verwachten. Greysac, Loudenne en Beaumont staan te pronken met ongedekt, overmatig bitter. La Tour-de-By, Camensac en La Tour-Carnet hebben duidelijk minder geëxtraheerd, maar vallen wat flauw en verbrokkeld uit en in het beste geval (Camensac) wat simpel commercieel. Coufran staat er ver boven : schitterende diepe kleur met rijpe nuance en tonus van de vatlagering, wat harde cabernetneus met veel verse eik en een volkomen toegeplooide smaak, hij moet komen. Poujeaux van Theil is van hetzelfde toegeplooide type met iets meer diep fruit aan de neus na walsen. Mooi badend in gezond struktuurbitter zijn Citran, Chasse-Spleen en Maucaillou. Minder beladen maar best aangenaam zijn Malescasse, Cantemerle, Lamarque, Fonreaud en Clarke. Fourcas-Hosten en Fourcas-Dupré zijn overdonderd door gedeeltelijk oud hout en volkomen zonder charme. MARGAUX 1994 De minst goede zijn zacht en flauw : Siran, Monbrison (was in '93 al zo flauw), Rauzan-Gassies en Rausan-Ségla. We kunnen ze vergeten. De tweede groep is zacht, braaf en redelijk evenwichtig : Labégorce, Cantenac-Brown, Durfort Vivens en Giscours. De derde groep is echte wijn : charme en stevigheid samen. Angludet : gebalde rijke smaak met charme. Kirwan : diep fruit en stevigheid. Dauzac : mooie door hout gedragen charme. Brane-Cantenac : diep en volkomen toegeplooid. Malescot : strenger dan Dauzac maar goed evenwichtig. Lascombes : smakelijk fijn en goed ingebouwd hout. Gewoonlijk zijn Margauxwijnen niet van het geweldenaarstype, ze worden in de "betere" Médockringen met veel kritiek beladen omdat ze wat flauw zouden zijn, maar in dit overbittere jaar zijn ze gemakkelijker evenwichtig. Ze profiteren ook van hun gemiddeld hogere merlotgehalte. Met Lascombes is er wat meer aan de hand. René Vanetelle, die er sinds 1985 de wijn maakt en het beleid voert, had naar eigen zeggen zes jaar nodig "pour comprendre le vignoble". "Van de meer dan 85 hektaren gaan er nu nog maar 50 in de châteauwijn. De rest, al de miezerige Margauxstukjes die vroeger werden bijgekocht en die oorspronkelijk niet tot het domein behoorden, gaan in de second vin. Deze 50 hektaren geven prachtige diepe merlotwijnen en fijne puntige cabernet. Naast de terroirselektie laat ik ook nog de malolaktische gisting direkt in de eiken vaten verlopen, zodat het hout goed is ingewerkt. Ik krijg een goede struktuur zonder dat het opvalt. De renaissance van Lascombes is begonnen : vroeger maakten we gemiddeld 45.000 kisten, nu 20.000, maar veel betere. "La vie de châteauHet gebouw van Château Beychevelle, waar we onze tweede nacht doorbrengen, getuigt van typische blufarchitektuur : een dun maar breed uitgesmeerd gebouw een "Chartreuse" vormt een vleugel van een immense binnenkoer die op het oosten open is. Vanop het terras kan men de Gironde zien stromen. De naam verwijst naar "Baisse-Voile", een bevel waarmee indertijd voorbijvarende boten verplicht werden om tolrechten te betalen. De rivier staat bij hoog water bijna even hoog als de grasperken en dan lijkt het alsof de boten langzaam door de tuinen schuiven. De kamers zijn enorm : 8 meter bij 8 is "gewoon", met achter een deurtje in de lambrizering nog eens een even ruime badkamer. Het plafond is minstens 6 meter hoog en de nachten zijn onwezenlijk stil. Na de maaltijd met onder meer confit van jonge eend, rijkelijk bevloeid met Beychevelle 1985 en gewaarschuwd voor het kasteelspook (de Duc D'Epernay die in 1644 de Chartreuse liet bouwen maar om ongekende redenen nog altijd niet tevreden is), worden we door een flinke 100 meter gangen naar onze "slaapvertrekken" geleid. SAINT-JULIEN 1994 Van de 7 geproefde wijnen zijn alleen Talbot en Langoa Barton iets minder, de andere zijn ronduit positief. Talbot : zachte smaak van wat overrijp fruit en wat virulent hout op het smaakeinde. Langoa Barton : open brede neus met wat versleten fruit maar goed ingewerkt hout in de smaak. Beychevelle : kleur met rijpe nuance en een fijne neus die goed ruimt bij opschudden, evenwichtige smaak, zacht en stevig tegelijk. Branaire Ducru : gedrongen kleur, in neus en smaak wat overdonderd door hout maar onder de houtkoepel diep fruit. Léoville-Poyferré : stevige kleur met diepe nuance van rijp, een zachtaardige neus met vooral finesse, goed geknoopte smaak met mooi struktuurbitter. Gruaud-Larose : open ruime neus met toets rijp fruit na opschudden, smakelijk in de mond met goed evenwicht. Léoville-Barton : gedrongen kleur en een neus met houtdominantie maar een smaak met rondeur en goede struktuurbitter. Deze grote kastelen hebben duidelijk de fout van een te grote extraktie niet gemaakt en beheersen het werk met de verse eiken barriques volkomen. PAUILLAC 1994 De Pauillacreeks is wat minder homogeen in kwaliteit : Croizet-Bages en Haut-Bages-Libéral zijn schraal en dun met ongedekte bitterheid die er op het einde uitschiet. Gewoon goed zijn : Lynch-Moussas met smakelijk fruit, Grand-Puy-Ducasse met goed evenwicht maar een uitschietende toets finaal bitter. Excellent zijn Lynch-Bages met diep fruit, de volkomen toegeplooide Pontet-Canet, de fijne en toch krachtige Pichon-Longueville en de uiterst charmerende Pichon-Comtesse. SAINT-ESTEPHE 1994 Het was te verwachten dat de wat zwaardere Saint-Estèphes het met de wegende tannines wat moeilijk zouden krijgen, zelfs Montrose haalt de "excellentie" niet. Zo zijn er de iets magere maar toch evenwichtige Les Ormes-de-Pez, de wat anonieme Phélan-Ségur, de goed gekonstitueerde Lafon-Rochet met wat flauw fruit. Iets beter zijn de uiterst massieve Cos-Labory en de wat vegetale Montrose met een goede struktuurbitter. Een echt kasteel We proeven de meeste Médocwijnen in het Château Pichon-Longueville-Baron dat met het vele AXA-geld een waar juweel is geworden. Dit nog altijd tot ergernis van Pichon-Longueville-Comtesse-de-Lalande aan de overzijde van de straat. Na het "werk" gaan we aan tafel met de meesterlijk kommunicerende familie Cazes voor een verrukkelijke "agneau de Pauillac" (grootgebracht op moedermelk). Een Pichon-Longueville-Baron van 1957 toont aan tafel wat te uitdrukkelijk zijn ouderdom : zijn toekomst is duidelijk voorbij. De laatste nacht brengen we door op Château Carbonnieux bij Anthony Perrin. Carbonnieux is een echt château, bewoond door drie generaties, met veel zilver en schilderwerken, en niet te vergeten twee prachtige grote Lalique vazen uit de beginperiode. Met 90 hektaren wijngaard, een volkomen nieuwe wijnkelder en 45 man personeel heeft Perrin hier een heel bedrijf. Hij is wel baas "in de wijn" maar niet in het château : moeder Perrin houdt alles stevig in handen en neemt de honneurs waar aan tafel. Aan tafel "vechten" we met bosduiven en erwten ("Clamart"). "De truuk om de erwten niet te laten rondspringen, is ze als eerste op te eten" aldus moeder Perrin, die nauwelijks eet en ook niet proeft van de excellente magnum witte Carbonnieux 1981. WITTE GRAVES 1994 De Graveswijnen ten zuiden van Bordeaux zijn altijd enkele dagen vóór op Médoc wat rijpheid betreft, en hadden daardoor minder te lijden van de regen. De witte oogst begon zelfs op 29 augustus terwijl de regen er kwam op 11 oktober. De witte zijn dus helemaal "regenvrij". Een groot wit jaar maar niet voor allemaal. Af te raden zijn : Olivier zonder enige onderbouw, de bittere De France, de dunne Malartic-Lagravière en de uiterst banale Rahoul. Nipt aanvaardbaar zijn Bouscaut met een redelijke smaakstruktuur, Chantegrive met goed omfloerst hout, de eenvoudige La Tour Martillac en Haut-Bergey met wat flauw fruit maar goed volume. De grote witte Graves van 1994 : Larrivet-Haut-Brion met zijn edele goed geknoopte smaak. De krachtige, persistente Smith-Haut-Lafitte. De ronde, diepe en krachtige Carbonnieux, de goed beslagen La Louvière en Chevalier die met Pape-Clément wedijvert in finesse, diepte, charme en lengte. Fieuzal is een kompromis tussen finesse en kracht met behoud van grote lengte. Bij de grote witte Graves van 1994 vindt men twee aksent-opties : de finesse van Pape Clément en Chevalier, of de diepte en kracht van Carbonnieux en Smith. Fieuzal ligt er tussenin. RODE GRAVES 1994 Af te raden zijn : de vederlichte en dunne Larrivet-Haut-Brion en de korte en dunne Bouscaut. In het wat neutrale middengebied : 9 wijnen. Malartic : simpele fruitneus en niet geïntegreerd overkoepelend bitter. Rahoul : goede houtgedragen smaak maar iets stomp. Olivier : mooie ronde neus en dito smaakaanzet maar wat uitstulpend bitter op het einde. La Tour-Martillac : dense neus met spanning van de lagering maar wat ruw in de tannines en zelfs wat ongedekt op het einde. De France : aangenaam soepel maar wat simpel. Pique-Caillou : gezond simpel maar iets uitschietend bitter. Haut-Bergey : simpel aan de neus maar mooi soepel in de mond. Chantegrive : onrijp en ruwe tannines. Wijnen die bijna altijd erg goed zijn, zijn nu ook goed. Carbonnieux : neus met ruim fruit en grote eenheid bij opschudden, smakelijke mooi gestruktureerde mondvulling, verdunt iets op het einde. Chevalier : neus met spanning waarin grote rijpheid bij walsen, mooie tanninestruktuur, krachtig en zacht, moet liggen. Haut-Bailly : ronde suave neus met brave onderbouw en goed hout, soepele smaak met goed hout. Smith-Haut-Lafitte : goed breed hout en een suave smaakaanzet met grote soepele lengte. La Louvière : intense, inktachtige kleur en zeer gesloten neus die pas na flink opschudden wat van zijn diep fruit toont, houtgedragen smaak met grote evenwichtige koncentratie, eenPauillac-optie. De Fieuzal : edele neus met finesse en stevigheid en sappige tannines in de smaak. Pape-Clément : fijne brede neus met goed hout en diepte na walsen, soepel en toch stevig in de mond. De rode Graves zijn algemeen wat zachter dan Médoc, maar daarmee komen de tannines er ook wat gemakkelijker door : hier geen extraktieavonturen. Château Pichon-Longueville (Comtesse-de-Lalande) : een excellente Pauillac '94.Château Beychevelle : zoals de meeste Saint-Juliens '94, ronduit positief.Château Malescot : met zijn evenwichtige samenstelling een Margaux '94 vande beste soort.Château Lafon-Rochet : goed gekonstitueerd, ondanks het moeilijke jaar voor de Saint-Estèphe-wijnen.