Het huis van mijn jeugd staat te huur, ik moet er een kettingzaag leveren. Met de sleutel verschaf ik mij toegang tot het atelier van wijlen mijn vader. Een kale ruimte is dat nu, zo strak in de verf gezet dat het kraakt in mijn ogen. Ook de rest van het huis is leeggemaakt. Ik verdrink erin en voel mij hulpeloos, alsof ik veel te grote kleren draag waarmee ik ook nog eens door de gietende regen heb gelopen.
...

Het huis van mijn jeugd staat te huur, ik moet er een kettingzaag leveren. Met de sleutel verschaf ik mij toegang tot het atelier van wijlen mijn vader. Een kale ruimte is dat nu, zo strak in de verf gezet dat het kraakt in mijn ogen. Ook de rest van het huis is leeggemaakt. Ik verdrink erin en voel mij hulpeloos, alsof ik veel te grote kleren draag waarmee ik ook nog eens door de gietende regen heb gelopen. Er liggen plassen aan mijn voeten. Geluiden en woorden, klanken en kleuren en timbres. De geur van terpentijn. Voetstappen in de smalle doorgang tussen trap en atelier. De zelfverzekerde tred van mijn vader. Ik kan hem horen, zo helder dat het zeer doet. Het huis is amper veranderd. Het lijkt een flauwe grap dat het leeg is, dat ik de echo van mijn stem kan horen opklauteren tegen de trap. Papa en mama zullen nu wel gauw te voorschijn komen uit een van de kamers. Glimlachend zullen ze zeggen dat onze meubelen alvast verhuisd zijn naar Granada, waar wij de zomer zullen doorbrengen in het appartement, zoals wel vaker gebeurd is. Nu echter gebeurt er niets. Het huis blijft koppig zwijgen. Zijn muren beknellen mij als een team rugbyspelers met hoekige schouders. Daar stond het speelgoedorgeltje, het orgeltje van yesterday, waar papa na het ontbijt soms opgewekte deuntjes op speelde. Daar is de keuken, met zijn glimmende tegeltjes, waar ik op een avond in de herfst voor het eerst het woord dieven hoorde uit de mond van mijn ouders, en daar uitleg bij kreeg toen ik wilde weten wat het was. Ik herinner mij hoe ik de rest van de avond af en toe bang naar de deur keek, vanwaar de dieven zouden komen. Mensen die stelen van andere mensen : tot op die dag wist ik niet eens dat het bestond. Daar is de living waar papa elke middag zijn siësta hield, een gewoonte die hij meebracht uit het zuiden. Daar is de deur waar hij mij later, toen ik een lastige tiener was, eens toesiste dat hij mij kapot zou maken. Ook het lelijke onthouden wij. Ik wenste dat hij mij hier en nu kapot kon komen maken, als hij er tenminste nog maar even wás. "Dood", zeg ik hardop, als om mezelf te overtuigen. "Papa is dood." Dat hij dood is, heb ik feitelijk altijd vlot kunnen geloven - echter niet dat hij daarna nooit meer is komen kijken hoe het met ons ging. Soms denk ik dat hij, in een voeg of onder een tegel of achter een vals plafond, een boodschap voor mij heeft verstopt aangaande de zin van het leven. Die zou allang gevonden moeten zijn. Anderen hebben hier intussen gewoond. Gezinnen met katten, opgroeiende kinderen. Enkele jaren lang is het huis zelfs hoerenkast geweest. Luxebordeel. We hoorden het van de buren, die blote vrouwen zagen rennen in de tuin. Intussen groeide gestaag de cipres, die amper twintig centimeter mat toen grootvader hem plantte. Nu reikt hij drie keer zo hoog als de nok van het dak. "Boomke groot, manneke dood", zegt de wijsheid van het volk. Het doet mij duizelen die boom daar te zien staan, zo enorm nu dat een dinosaurus zich ertegenaan zou kunnen schurken zonder al te veel verbazing te wekken. Daar is het chauffagehok, waar ik Ursula mocht bevoelen. Haar apenteentjes klauwend op de grond. De zwarte zolen van haar voetjes. Ik ruik nog haar meisjeszweet, vermengd met oud stof en het loeiend aanslaan van de brander. Het zou het begin zijn van een levenslange voorkeur om de liefde te bedrijven op plekken die enigszins groezelig zijn. Ze had krulletjes, die Ursula, en heftige ogen. Een van nature bruine huid. Wat zou het leven haar gebracht hebben ? Ik zou dat kunnen uitzoeken, maar voel daar weinig aandrang toe. Liever blijf ik nog even bij de Ursula van toen verwijlen dan mij te wenden tot die van nu, die misschien aan het loket zit bij de F***-bank en in haar vrije tijd boetseert. Daar is het zwarte gat tussen de oven en de hoekkast van de keuken. De hellemond waar heksen woonden die mij met huid en haar verslonden, in mijn kleuterdromen. Wijdbeens loop ik ernaartoe, toch nog een beetje op mijn hoede. Het rekje van de handdoeken schuift in en uit, nog altijd met diezelfde rrrrrrrrrrr die ik uit duizend andere rrrrrrrrrrr's zou herkennen. Dat zoiets onaangetast kan blijven, terwijl een wereld daarbuiten intussen met man en muis is vergaan. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders