Voor het eerst in jaren heeft de zomer mij niet overvallen met zijn komkommerdagen en zijn plotselinge leegte in de straten. Ik ben het vertrouwde bijtijds ontvlucht, door een stelsel van tunnels en passen waaraan geen einde leek te komen, langs verkeersborden die ik niet begreep, naar een land waar ik niet meer was gekomen sinds het internet werd uitgevonden en iedereen nog in leven was.
...

Voor het eerst in jaren heeft de zomer mij niet overvallen met zijn komkommerdagen en zijn plotselinge leegte in de straten. Ik ben het vertrouwde bijtijds ontvlucht, door een stelsel van tunnels en passen waaraan geen einde leek te komen, langs verkeersborden die ik niet begreep, naar een land waar ik niet meer was gekomen sinds het internet werd uitgevonden en iedereen nog in leven was. Ik zit op een terras met zicht op palmbomen en bootjes, op een verweerd kerkje met een dak van groen koper, op bergen en een meer waar nevel over hangt en zo nog wat dingen die van een postkaart lijken te komen, zoals ook de wolken als schaapjes met openspattende hoofden. Het heeft iets dommigs, mensen op een bootje, en nog dommiger wordt het als zij dan zwaaien naar mensen op andere bootjes. Ik ben echter geneigd dat door de vingers te zien, omdat het even dom is alles altijd te benaderen met dezelfde harde maatstaven. Soms moet men dingen door de vingers zien, zoals smalltalk en kuddemanieren, zoals Duitsers die op de snelweg met vlaggetjes op hun auto rijden omdat de Mannschaft de Engelsen heeft ingeblikt. De zon strooit haar warmte vergoelijkend uit over alles, het klokje in de kerk kleppert zijn bronzen middaguur en op mij wachten talrijke pagina's van Qutienvierentachtig, de zopas in het Nederlands verschenen trilogie waarin Murakami knipoogt naar Orwell, zo toegankelijk geschreven dat de bladzijden kilometers lijken die worden afgemalen door een dieselmotor. Onvoorstelbaar haast, dat ik luttele dagen geleden vastzat in een file ten gevolge van een ongeval op de E40. Ik sakkerde op het verkeer, op de auto's die samen met de mijne waren gestremd op secundaire wegen, tot ik besefte dat ik midden in een treurige nalatenschap stond : duizenden vloekende, opgejaagde, naar sluipwegen zoekende automobilisten, een verkeersinfarct dat langzaam opgelost zou raken, tot ieders tevredenheid, waarmee ook de herinnering zou worden uitgewist aan de man over wie ik via de radio vernam dat hij bij de aanrijding oneervol was gesneuveld. Ver van hier nu is dit alles, ver van hier is de stress, ver van hier zijn de huiszoekingen bij het aartsbisdom. Ver weg zelfs zijn uitdrukkingen als de stekker uit de regering trekken, of wat het inmiddels alweer mag zijn. Ik kies ervoor de televisie niet aan te zetten (zelfs TheSimpsons worden hier gedubd), niet op het internet te kijken en niet te spieken in kranten. Zo ver moet het ten slotte komen dat ik mij bijna verveel, wat heilzaam mag heten. Op doortocht heb ik een kathedraal bezocht die tot in 1874 als het hoogste gebouw ter wereld gold. Ik heb bijna een koekoeksklok gekocht, omdat ik er als kind een had waaruit geen vogeltje tevoorschijn kwam, wat ik voor een koekoeksklok onvergeeflijk vond. Ook at in een bonbon van het merk Napoleon. Hij zat nog in hetzelfde cellofaantje als het exemplaar dat tientallen jaren geleden in mijn keel schoot en mij bijna versmachtte. Naar het schijnt, zag ik al blauw. Mijn grootvader heeft mij toen ondersteboven gehouden zodat le bon bonbon eruit schoot en wegstuiterde naar een hoek van de kamer, waarna hij roemloos is verdwenen en niet bewaard werd als een relikwie van mijn herwonnen leven, zoetzuur symbool van alle dagen die ik er sindsdien gratis heb bijgekregen. Alles wat ik zeg en doe, alsook wat mijn dochter zegt en doet, en wat onze betachterkleinkinderen in het jaar 2241 eventueel zullen zeggen en doen, heb ik te danken aan de koelbloedigheid van dat heertje met zijn sigaartje en das, te weten mijn grootvader, al bijna dertig jaar dood, maar door mij nog lang niet vergeten. Hij moet hetzelfde hebben gevoeld, weet ik nu, als wat ik enkele dagen geleden voelde toen mij dochter van de schommel viel en uit haar neus begon te bloeden, zo hevig dat onze kleren vol zaten met spatten, tot zelfs de vlinder op haar bloesje. Zij bloedde zo dat ik mij afvroeg of wij ijlings naar de spoed moesten, dat ik erg opgelucht was toen het stopte, en zij in bad alweer zong en zei het is genezen papa. Ik herinner mij het akelige, zeezieke gevoel van die enkele seconden waarin ik dacht dat er misschien iets ernstigs fout was. Ik word nog wee als ik aan het bleke van haar onschuld denk, aan de overdreven roodheid van haar bloed. Een collega van mij opperde onlangs dat er voor de band tussen ouder en kind een apart woord aan de taal zou moeten worden toegevoegd, vermits liefde daarvoor ontoereikend was en van geen kanten volstond. Het was een uitspraak die ik, aanvankelijk, tamelijk melig vond. jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders