Van jongs af aan droomde ik van ongerepte wildernissen, en dat is altijd zo gebleven. Als kind las ik Arendsoog en Witte Veder, het originele Jungleboek en andere avontuurlijke verhalen. De aard en locatie van mijn wildernissen stuurde ik met de jaren wel bij. Aanvankelijk was het de weelderige begroeiing achter in de tuin, vervolgens de kleinschalige landbouwgebieden binnen fietsbereik, later de met een Interrailkaart bereikbare Europese natuurgebieden, finaal de rest van de wereld.
...

Van jongs af aan droomde ik van ongerepte wildernissen, en dat is altijd zo gebleven. Als kind las ik Arendsoog en Witte Veder, het originele Jungleboek en andere avontuurlijke verhalen. De aard en locatie van mijn wildernissen stuurde ik met de jaren wel bij. Aanvankelijk was het de weelderige begroeiing achter in de tuin, vervolgens de kleinschalige landbouwgebieden binnen fietsbereik, later de met een Interrailkaart bereikbare Europese natuurgebieden, finaal de rest van de wereld. Ondanks het feit dat ik altijd een speciale affiniteit met Afrika heb gehad, koester ik een bijna magische belangstelling voor West-Canada en Alaska, met zijn beren en arenden en walvissen die er, zoals de buizerds en vossen bij ons, voor het oprapen zijn. Meer bepaald het gigantische regenwoud op de kustlijn, bekend als The Great Bear Rainforest (iets wat ik vrij en sprookjesachtig vertaal als 'Het Grote Berenbos'), spreekt tot mijn verbeelding. Ik kon dus geen neen zeggen, toen ik dit voorjaar de kans kreeg om, in het gezelschap van mijn beste vriend, twee weken de kust van Vancouver Island en Alaska af te dweilen. De reis is een aaneenschakeling van bevreemdende ervaringen, waarvan ik nog altijd niet goed weet wat ik ervan moet denken. Zo heeft een van de imposante Stellerzeeleeuwmannen op een vuurtoreneiland voor de kust van de Canadese stad Victoria een lettercode op zijn lijf, letterlijk in zijn pels gebrand. Hij is aangebracht door onderzoekers van de Canadese visserij-administratie die het beest vingen. Zeeleeuwen kunnen viskwekerijen belagen, zodat inzicht in hun verplaatsingen eventueel tot schadebeperkende maatregelen kan leiden. Vroeger zou het reusachtige dier onherroepelijk zijn afgemaakt. Zeeleeuwen werden massaal geschoten voor hun vlees. Van hun vel werden kano's gemaakt en hun snorharen waren geschikt als pijpenreiniger. Stellerzeeleeuwen zijn zwervers die hun weg weten in de Stille Oceaan waarin ze leven. Ondanks het feit dat ze ondertussen onvoorwaardelijke bescherming genieten, nemen hun populaties zienderogen af. Bescherming volstaat niet als menselijke activiteit ertoe leidt dat hun voornaamste voedselbronnen, zoals haringen, in de vernieling worden gevist, zodat ze noodgedwongen moeten overschakelen op minderwaardige vis, waardoor ze te weinig energie vergaren om te overleven in koude wateren. Zeeleeuwen pompen ook veel energie in hun voortplanting. De mannetjes moeten maandenlang vechten om een territorium te vrijwaren op de stranden en rotskusten waar de soort verzamelen blaast als er zeeleeuwtjes moeten worden gemaakt. In de zee voor het pittoreske kustplaatsje Tofino liggen aandoenlijke zeeotters op hun rug te dobberen. Omdat geen enkel dier méér haartjes per oppervlakte huid heeft dan de zeeotter, een noodzaak om te overleven in het koude water, was hij een gegeerd doelwit van pelsjagers. Die werden naarstig geholpen door lokale stammen, voor wie de zeeotter nochtans een iconische soort was. Maar de commerce dreef de legende naar de achtergrond. De zeeotter werd zo goed als volledig in de vernieling gejaagd. In 1911 werd er een internationaal verbod op de jacht op de soort afgesproken - er waren er toch bijna geen meer. Het herstel verliep moeizaam. Her en der moesten er zeeotters worden uitgezet om een populatie nieuwe kansen te geven. Aanvankelijk ging het goed, maar ondertussen is er een nieuwe bedreiging opgedoken : orka's. Het lijkt erop dat sommige orka's zich gespecialiseerd hebben in de jacht op zeeotters, waarschijnlijk omdat er te weinig grote walvissen overbleven om in hun voeding te voorzien. Als misschien wel de slimste dieren uit de zee laten orka's geen mogelijkheid onbenut. Door de nieuwe afname van de zeeotterpopulatie stijgt het aantal zee-egels, hun voornaamste voedsel, wat gevolgen heeft voor de kelpwouden : onderwaterwouden van lange wieren die een leefgebied vormen voor tal van vissen en andere zeedieren, maar die door zee-egels kunnen worden kaalgevreten. Zo zou de overschakeling van orka's op zeeotters als voedsel het hele mariene ecosysteem voor de kust van Vancouver Island (en Alaska) kunnen beïnvloeden. De oorsprong van deze zeeotterproblematiek is wellicht te vinden zijn in een andere aanslag van de mens op het welzijn van zeedieren : de meedogenloze slachting van walvissen. In de twintigste eeuw zouden wereldwijd drie miljoen walvissen zijn gedood, en dan was de walvisjacht al enkele eeuwen op volle kracht bezig. Niet te verwonderen dat orka's in de voedselketen dan afzakken naar kleinere dieren, zoals zeeotters en Stellerzeeleeuwen. De vraag rijst of ze terug naar walvissen zullen overgaan nu die opnieuw wat talrijker worden. Het is opvallend hoeveel bultrugwalvissen er tegenwoordig in de wateren van West-Canada en Alaska zwemmen. Op sommige plekken zie ik tientallen individuen spelen. Voor de kust van het Pacific Rim Nationaal Park van Vancouver Island doet ook de grijze walvis het opnieuw goed - achter de branding zie ik overal de fonteinen die walvissen uitblazen. Met speciale bootjes kun je de dieren gaan bezoeken, hoewel ze niet altijd gemakkelijk te vinden en te benaderen zijn. Tegenwoordig weten de dieren wel dat de bezoekers in vriendschap komen, dat er geen gevaar meer van te verwachten is. Dat is ooit anders geweest. De Atlantische populatie van de soort werd tot het laatste individu kapotgeschoten, van de Aziatische populatie is slechts een honderdtal exemplaren over. Maar de populatie in de Stille Oceaan is weer opgeklommen tot een twintigduizend dieren, wat goed nieuws is. Ze brengen tegenwoordig geld op als toeristische attractie, net als de andere walvissen en de zeeotters. In de buurt van Tofino zijn ook zwarte beren een attractie. Van op een bootje kijk ik naar de beren die op de smalle strandjes rotsblokken omdraaien om krabben te vangen - heel indrukwekkend, echt natuurlijk gedrag. Het wordt iets minder indrukwekkend als ik een zwarte beer in de gaten krijg die langs een skioord struint, op zoek naar menselijk afval. De zwarte beer is de talrijkste berensoort ter wereld en doet het goed, mede doordat er in Noord-Amerika veel bos groeit waarin hij aan zijn trekken komt. Zijn biotoopgenoot de grizzly - in feite een ondersoort van de bruine beer - kruipt eveneens uit een diep dal, in zoverre dat de Amerikaanse autoriteiten hem onlangs als 'niet langer met uitsterven bedreigd' klasseerden. De grizzly is ook eeuwenlang het mikpunt van pelsjagers geweest. Het was confronterend om tijdens een reis door Vancouver Island en een stukje Alaska te kijken naar The Revenant : de film waarin acteur Leonardo DiCaprio een ruige pelsjager speelt die door een grizzlymoeder wordt aangevallen en door zijn kompanen voor dood wordt achtergelaten. De film is deels opgenomen in de Canadese bergen en bossen. Hij valt op doordat hij de pelsjagers systematisch als een zootje ongeregeld voorstelt, wat ongetwijfeld de realiteit was, terwijl de indianen die opdraven als belagers van de blanken als ongenaakbare helden worden gepresenteerd. Een vergelijkbaar beeld wordt opgehangen in het stadje Chemainus op Vancouver Island, een slaperig plaatsje dat een toeristische attractie werd door een dertigtal grote muurschilderingen op de huizen, die de geschiedenis van de regio afbeelden. Ook hier zijn de indianen allemaal krachtige koppen die onwrikbaarheid uitstralen. De blanke goudzoeker in beeld zit als een lusteloze figuur ineengezakt bij een kunstmatig beekje. Op de schilderijen zijn de blanken proper gewassen en netjes gekleed. De risees in dit alles zijn de Chinezen, die in de eerste fazen van de kolonisatie onder meer de rol van lastdier kregen, de ezels en ossen van dienst, om houtstammen uit het woud naar schepen te slepen. Maar van de indianen, de helden uit de verhalen, blijft niet veel meer over. Je ziet ze als obers en diensters in hotels en restaurants die door blanken uitgebaat worden, en ze zijn overtallig aanwezig in de statistieken van dronkenschap en depressie. Ze staan nu ook bekend om hun niet-discriminerende jacht, hoewel ze hier en daar, om historisch-culturele overwegingen, nog wat walvissen mogen jagen. Ze schieten zomaar ijsduikers (grote vogels) uit de lucht voor het plezier, en ze schieten van veel te ver op zeehonden in het water om de dieren te doden en te recupereren. De mythische harmonie met de natuur, als die al ooit bestond, is heel ver weg. Gidsen doen hun best om bezoekers aan te manen niet langer over indianen te spreken, maar over First Nations - de oorspronkelijke bevolking van de regio vooraleer de geschiedenis van West-Canada officieel begon met de komst van blanke pioniers, in 1860. Niet dat ze veel hebben aan dat late eerbetoon ; ze zijn, net als zeeotters en grijze walvissen, een aspect van het bloeiende toerisme geworden. Bezoekers wordt erop gewezen dat ze in reservaten voor First Nations terechtkomen, gebieden die beschermd zijn, net als natuurreservaten. Ze krijgen al dan niet fake totempalen te zien, met uitleg over de betekenis van de dieren die in de palen figureren. Met wat tegenslag krijgen ze ook folkloristische indianendansjes voorgeschoteld. Er zijn nu toeristentreintjes die de trajecten van de oorspronkelijke goudzoekers volgen, waarin je zelfs geen zweempje meer te zien of te voelen krijgt van de hardheid van het leven van die meestal onfortuinlijke pioniers : de barre koude, de beren en de wolven, de onneembare bergstromen en kliffen, de regen, de eindeloze muggenwolken in de zomer. Ook het regenwoud wordt ingezet als toeristische attractie : je kunt in boomtoppen wandelen, en in het door de houtindustrie gesponsorde Cathedral Grove kun je je vergapen aan de grootste bomen in de regio. Het betreft echte woudreuzen die meer dan achthonderd jaar oud kunnen zijn : rode ceders (ook reuzenlevensbomen geheten) en Douglassparren. De takken van veel van deze bomen zijn behangen met lange slierten heksenhaar uit de familie van de korstmossen. Korstmossen zijn een symbiose tussen een schimmel en een alg, waarbij de schimmel de structuur levert en de alg de energie. Heksenhaar staat erom bekend dat het uiterst traag groeit, ongeveer 1 millimeter per jaar. Sommige van de lange slierten rond de takken van de hoogste bomen zouden duizend jaar oud kunnen zijn. Maar zelfs bij een bezoek aan het imposante (maar kleine) Cathedral Grove, dat langs een drukke weg ligt, zien we door de bomen over de weg de lange vrachtwagens met gekapte stammen voorbijscheuren. In rivieren en baaien drijven grote ladingen hout. Canada is de grootste houtproducent ter wereld - bijna de helft van het uitgestrekte land is bedekt met bos. De houtindustrie is wel tanende. De sector poogt te diversifiëren en zou op een daling van de markt voor papier willen anticiperen door in te zetten op de productie van hout voor de biomassa-industrie. Maar als het wedervaren van biomassacentrales in ons land model staat voor de toekomst van de sector, lijkt dat geen duurzame investering te zijn. De Canadese overheid staat onder zware druk van milieuorganisaties om verstandig om te gaan met het woud, waardoor het in principe de bedoeling is dat elke gekapte boom vervangen wordt door een andere. In Canada huldigt men gelukkig niet het principe dat 'een boom altijd al de functie heeft gehad om gekapt te worden'. Het heeft héél lang geduurd, maar in 2016 werd (eindelijk) het Grote Berenbos (the Great Bear Rainforest) integraal beschermd : een prachtig gematigd regenwoud met een oppervlakte iets kleiner dan België dat landschappelijk een van de mooiste plekken is die je op aarde te zien kunt krijgen. Tekst Dirk Draulans & Foto's Wim Van CappellenHet is opvallend hoeveel bultrugwalvissen er zwemmen. Op sommige plekken zie ik tientallen individuen spelen Het woud wordt ingezet als toeristische attractie : je kunt er in boomtoppen wandelen