Als parlementslid voerde Isaac Newton slechts eenmaal het woord: om te vragen of er een raam open mocht. Bij de geboorte van zijn eerste kind telegrafeerde Lejeune-Dirichlet bondig aan zijn schoonvader: 2 + 1 = 3. Van alle geleerden hebben wiskundigen de kwalijkste reputatie wat excentriek gedrag betreft. En dat ze die verdienen, toont David Wells aan met veel anekdotes en randfeiten in Merkwaardige en interessante wiskundige kwesties. Als bronnen gebruikt hij de wiskundige folklore, de biografieën van Grote Mathematici, en hier en daar ook de fait-diversrubrieken van de pers.

De tekst op de achterflap begint met de vraag: "Wat is het grootste priemgetal?" Dat suggereert dat dit een vraagstuk is dat in het boek aan bod komt. Maar men weet al duizenden jaren dat er geen grootste priemgetal kan zijn. Bedoeld wordt: het voorlopig grootste - bekende - priemgetal. Dit soort onnauwkeurigheden komen nog voor in de tekst en wiskundigen zullen zich daaraan ergeren. Normale mensen zullen dergelijke lapsussen niet opmerken, en zij die familiaal of professioneel met wiskundigen (moeten) omgaan, zullen meer dan eens verbaasd zijn bij het doornemen van deze paramathematische bloemlezing, die een specifiek wiskundige vorm van bizarrerie (waarin alle adepten van de mathematica overeenstemmen) treffend weet te karakteriseren. (Bert Bakker, 790 fr.) DC

foto

Beeld van een taal, uitgegeven ter gelegenheid van de 20ste verjaardag van de Nederlandse Taalunie, legt 'onze' Nederlandse taal onder de microscoop. Iedereen beleeft, dus spreekt zijn of haar taal anders: wie om den brode kruiswoordraadsels verzint, benadert het Nederlands niet zoals een logopedist of een lexicograaf, laat staan zoals een dove, een blinde of een schrijver. Zo'n lui van verschillende ambachten, streken en strekkingen, bekend (Brusselmans, Van Dis, Van Istendael) en onbekend, komen hierover via het schrift aan het woord; over een sluitende definitie van 'juist' Nederlands raakt men het vanzelfsprekend niet eens, maar de soms virulente, soms oeverloze bijdragen over o.a. kinder-, computer- en straattaal leveren interessante denkoefeningen op. In de poging om dit boek buiten de kringen van leraren Nederlands te verspreiden, doen de samenstellers wel iets te hard hun best: de lay-out is postmodern verwarrend en de foto's (o.a. van de op zich fantastische Ed van der Elsken) zijn geheel niet ter zake. (Ludo Permentier en Ewoud Sanders, Standaard, 460 fr.) PdP

foto

De kerk van St. George in Southwark heeft drie witte wijzerplaten en één zwarte. Dat komt omdat de inwoners van Bermondsey weigerden bij te dragen aan de kerk. De zwarte wijzerplaat wees in hun richting, en was niet te lezen in het donker. Fans van wetenswaardigheden en anekdotes over Londen zullen wel plezier beleven aan Disturbia van de Brit Christopher Fowler. Of echte thrillerfans in de wolken zullen zijn, is een andere vraag. Fowler laat ons kennismaken met een jonge journalist van proletarische afkomst die een verhaal wil brengen over wat leeft bij de very upper-class. Een aristocratische halvegare wil de jonge kerel wel helpen, maar speelt een vreemd spelletje met hem. Om de antwoorden op zijn vragen te krijgen, moet hij tien opdrachten vervullen in het nachtelijke en winterse Londen. Veel gefilosofeer over rangen en standen, een traag verhaal dat meer op een uit de hand gelopen televisiespel lijkt dan op 'de snelst geschreven thriller ooit' die de flap belooft. (Sijthoff-Luitingh, 750 fr.) FB

Wat is aids? Hoe werkt ons hart? Waarom krijgen we kippenvel en wat zijn nu precies allergieën? In Het Menselijk Lichaam komen jonge ontdekkers het antwoord te weten op deze en andere vragen. De encyclopedie slaagt erin om op een eenvoudige en begrijpelijke manier zowat heel het menselijke lichaam uit te leggen. Leuke anekdotes in de vorm van rubrieken als Raar maar waar!, De eerste keer en Niet te geloven! maken het geheel niet alleen interessant, maar vaak ook grappig. (Time Life, 698 fr.) MVC

foto

Wat mag en wat moet? Wat is absurd en wat correct? In Heb ik iets verkeerds gezegd? onderzoekt Jan Kuitenbrouwer gedragingen en uitspraken die in bepaalde tijden normaal lijken en even later helemaal niet meer. In de jaren '60 trokken veel feministen tuinbroeken aan en hielden op hun oksels te scheren. Om aan de onderdrukking te ontsnappen? Is het wel zinvol om aanduidingen voor aanvankelijk mannelijke beroepen vrouwelijk te maken? Je zou kunnen zeggen dat de vrouw gelijk heeft die zich liet ontvallen: "Een directrice is iemand die een bejaardentehuis leidt, dus ik wil directeur genoemd worden." Niet elke schijnbare opheffing van discriminatie is doeltreffend. Misschien is het wel waar dat wij dingen die we op dit ogenblik als vanzelfsprekend beschouwen, over dertig jaar volstrekt immoreel zullen vinden. Dan zullen we op onszelf met dezelfde verwondering terugkijken als waarmee we nu kijken "naar mannen met Humperdinck-bakkebaarden en oranje coltruien" die het hadden over negers als "genetically inferior material". Foei! (Prometheus, 200 fr.) PdM

Griet Schrauwen