In de hal van het kleinburgerlijke huis dat ik bewoon, zit een lieveheersbeestje op het koude marmer. Door het glas in de deur tuimelen zonnestralen schalks naar binnen. "Het wordt eindelijk lente", fluister ik het diertje toe, waarop het zijn dekschilden opent en zich in de lucht verheft, in een beweging die het midden houdt tussen potsierlijk en statig. De knotssprietige, want dat zijn lieveheersbeestjes volgens hun technische kaart, landt op de lijst met mijn voorouders : een viergeslacht van meisjes, die mij aankijken vanuit zwart-witte tijden, pastelkleurig bijgewerkt door de fotograaf. Vier generaties vrouwen, van wie de jongste, mijn moeder, nog onschuldig in de lens kijkt. Naarmate je opklimt, worden de ogen harder, de lippen strakker, de gezichten strenger. Bij de oudste, 'klein meterke' genoemd, rusten de handen ...

In de hal van het kleinburgerlijke huis dat ik bewoon, zit een lieveheersbeestje op het koude marmer. Door het glas in de deur tuimelen zonnestralen schalks naar binnen. "Het wordt eindelijk lente", fluister ik het diertje toe, waarop het zijn dekschilden opent en zich in de lucht verheft, in een beweging die het midden houdt tussen potsierlijk en statig. De knotssprietige, want dat zijn lieveheersbeestjes volgens hun technische kaart, landt op de lijst met mijn voorouders : een viergeslacht van meisjes, die mij aankijken vanuit zwart-witte tijden, pastelkleurig bijgewerkt door de fotograaf. Vier generaties vrouwen, van wie de jongste, mijn moeder, nog onschuldig in de lens kijkt. Naarmate je opklimt, worden de ogen harder, de lippen strakker, de gezichten strenger. Bij de oudste, 'klein meterke' genoemd, rusten de handen finaal verknobbeld in de schoot. Het resultaat van een leven hard werken in voorwasmachinelijke tijden. Twee van die vrouwen heb ik nooit gekend. Verhalen drongen tot mij door, over hoe ze op latere leeftijd waren. Verbitterd door het leven. Op voet van oorlog met hun man. Ik kan slechts vermoeden hoe zij als jong meisje hebben gegiecheld. Hoe zij bloosden. Wat de warmte was van hun schoot. Wat ik zie zijn slobberkousen, nog even voor de dood. Schoenen die ooit modieus waren. Het verleden trekt aan mij. Het zuigt. Ik heb mij er altijd moeilijk los van kunnen weken. Dat steden overspoeld worden door telkens weer nieuwe generaties mensen, die schaamteloos gebouwen bezetten en hun vroegere bewoners volmaakt vergeten : er zit een wreedheid in die ik slecht kan verdragen. Ik bestrijd de vergetelheid met oude beelden. In dezelfde gang waar dat viergeslacht de toekomst instaart, hangen foto's van het Sint-Pietersstation anno 1913, en van De Sterre in het jaar 1935. Nu is dat een druk en chaotisch verkeersknooppunt dat je over moet zien te raken bij het binnenrijden van Gent. Toen zag je er kasseistenen, en welgeteld twee auto's. "Bieren Aigle Belgica" staat op een gebouw, dat nog met recht afspanning kon worden genoemd, en een handvol onleesbare woorden. Het gezang van de lijsters is niet te horen. De lucht is bewolkt, als wil het gaan regenen. Donkere, gedrongen figuren wachten op de tram. Ze glimlachen schaapachtig. Waarom schuilt er in de glimlach van mensen op oude foto's altijd iets tragisch ? Ik geloof dat het met de vooruitgang heeft te maken. De evolutie van techniek en wetenschap heeft veel van wat zij dachten en geloofden, bespottelijk gemaakt. Komt daarbij dat wij hun toekomst kennen, tot in de meest onwaarschijnlijke details, terwijl zij volslagen in het duister tastten. Fossielen, opgesloten in oude gesteenten. Tastbaar dichtbij en tegelijk duizend lichtjaren ver. Zij staan op het dek van de Titanic en lachen ons toe, hoopvol, terwijl wij weten dat het schip luttele uren later met man en muis zal vergaan. Dat geeft hen iets kwetsbaars, iets dat mijn medelijden opwekt. Zoals personages in boeken of films die koppig hun ongeluk tegemoet lopen, wat je ze ook influistert aan goede raad. Tegelijk boezemen die zwijgende gestalten mij ontzag in. Terwijl ik, gehuld in oranje dromen, nog tussen Saturnus en Jupiter zweefde, beslisten zij al over de toekomst van de ongeborenen. Soms zou ik bevrijd willen zijn van dit soort gedachten. Alleen nog consumeren en vooruitkijken naar een klatergouden tijd. Dat lukt mij steeds beter, al gaat het te traag. Tegen de tijd dat de toekomst volledig bezit van mij heeft genomen, denk ik soms met angst in het hart, zal ik zelf zijn verleden. Intussen gaat alles uitstekend. Ik verheug mij in het bonzen van jonge harten, in het strelen van katachtigen, in het ontbinden van mijn duivels en in de klank van poëzie. Haast dagelijks verwonder ik mij over de woorden op - het is u vergund om te lachen - de Spirituele Scheurkalender die aan een spijker in mijn keuken hangt. "Er is geen weg naar het geluk", schijnt de boeddha gezegd te hebben. "Geluk is de weg." Ik hoor het hem zeggen met dat lachje van hem. Zo mysterieus en ondoorgrondelijk dat je, mocht je hem tegenkomen als je frieten gaat halen, eens goed op zijn smoel zou willen slaan. Jean-Paul Mulders