De fietsketting zingt monotoon het lied van ronddraaiende wielen. Toch zal ik vaak stoppen, de keten doorbreken en kijken naar de wondere wereld van honderden torenspitsen in een oase van kanalen, lotusbloemen en ruïnes. In Sukhothai maak ik een fietstocht langs vlakten met rijstvelden, buffels en boeren. De gewassen staan hoog, het is het einde van het regenseizoen. Vruchtbaar land schrijft geschiedenis : van de dertiende tot vijftiende eeuw was Sukhothai koningsstad van Thailand, dat zich uitstrekte van Laos tot Birma. Onder koning Ramkamhaeng beleefde de stad haar grote bloei : de vorst ontwierp niet alleen het Thaise alfabet, als aanhanger van het Theravada-boeddhisme was hij ook een discipel die rechtschapenheid, vroomheid en vredigheid nastreefde.
...

De fietsketting zingt monotoon het lied van ronddraaiende wielen. Toch zal ik vaak stoppen, de keten doorbreken en kijken naar de wondere wereld van honderden torenspitsen in een oase van kanalen, lotusbloemen en ruïnes. In Sukhothai maak ik een fietstocht langs vlakten met rijstvelden, buffels en boeren. De gewassen staan hoog, het is het einde van het regenseizoen. Vruchtbaar land schrijft geschiedenis : van de dertiende tot vijftiende eeuw was Sukhothai koningsstad van Thailand, dat zich uitstrekte van Laos tot Birma. Onder koning Ramkamhaeng beleefde de stad haar grote bloei : de vorst ontwierp niet alleen het Thaise alfabet, als aanhanger van het Theravada-boeddhisme was hij ook een discipel die rechtschapenheid, vroomheid en vredigheid nastreefde. Sukhothai betekent zoveel als 'Dageraad van het Geluk' : ik passeer de aarden stadsmuren, die een wereld van vrede omsluiten. Tussen de grachten waarin Mae Khongkha huist, de watergodin die de moesson over het land jaagt, valt de architecturale rijkdom op : bouwwerken, tempels en schrijnen, ranke, elegante chedis (de Thaise variant van de Indische stoepa en de Sri Lankaanse dagoba), vele boeddha's maar ook heiligen uit het hindoeïstisch pantheon. In de Wat Phra Si Ramana Mahathat staan rond de hoofdpagode zeker tweehonderd kleinere chedis, de torenspitsen in de vorm van een klok of lotusbloemknop. Pelgrims geloven dat in het binnenste een relikwie van Boeddha bewaard wordt. Zuilen, bakstenen muurresten en stucwerk dat zijn leven verhaalt, vooral de geboorte en het bereiken van het nirwana, rondom water en in het hart een zittende boeddha, met een gelaat van bekoorlijke sereniteit. "Dit is het mooiste beeld", zegt gids Worachai Jivoravivat. "Hij is extreem vrouwelijk, hij kijkt tevreden en symboliseert het gelukkige Thailand van die tijd. De voorspoed van die gouden eeuw straalt af op de beelden. Sukhothai is een van de belangrijkste boeddhistische sites van het land." Opnieuw draaien de wielen, ik fiets verder door het historisch park. De Wat Sri Sawai ( wat staat voor kloostercomplex met tempels en woonvertrekken) is gesmukt met fresco's van hindoegoden. Geëerde olifanten ondersteunen de Wat Sorasak en buiten de muren kijkt in de Wat Si Chum een elf meter hoge boeddha me mild aan. Ik weet het niet. Het is niet de eerste keer dat ik een land met boeddhistische erfenis bezoek, ik heb stoepa's en dagoba's gezien, door tempels gedoold, teksten gelezen en met boeddhisten gereisd, bloemen ontvangen en zelfs Boeddha gegroet, maar toch ben ik onwetend. Waarom voel ik me zo anders ? Het zijn niet de tempels, want de sfeer is mooi, rustig, zalig. Het is de ongenaakbare nabijheid van Boeddha, zijn glimlach of de volmaakte handen, de onthechting die ik niet begrijp, zijn weerloosheid die aantrekt, de onbereikbare schoonheid van een vredig leven, vrome mensen rondom en telkens weer dat beeld, op een platform, in een nis, uitgehakt in de muur, nu eens schrijdend, dan zittend, mediterend of glimlachend. Al die beelden, hij de vredige Boeddha en wij zo anders, met het kwaad in ons. Die ervaring is niet anders in zusterstad Si Satchanalai, de stad van de kroonprins, met tweehonderd monumenten in de vallei van de Yom-rivier. Wouden hebben het immense complex overwoekerd. Ik dool tussen schitterende tempelresten, kijk naar beelden, op een heuvel overzie ik de mysterieuze site in een kosmos van bergen en bossen. Bij een laatste tempel zitten weerom boeddhabeelden te kijken naar de ondergaande zon. Sommige hebben geen hoofd meer, andere zijn omzwachteld met een sari. Ze kijken naar de vervliedende dag, naar het eeuwig komen en gaan van het leven, ze glimlachen zoals ik het niet kan. Geografische namen zijn vaak mystiek, ze lokken op kaarten of in de verbeelding. Woestijnen, bergen, legendarische steden, stromen ook. De Mekong heeft dat aureool : onbekend, stroom in Indochina, drager van oude culturen en een koloniaal intermezzo, leidraad door een godsdienstig universum met tempels en bedevaartsoorden, stroom van bergen, oerwouden en een machtige delta. Met zijn 4180 kilometer is de Mekong slechts de tiende stroom van de wereld, al heet hij dan 'stroom der stromen'. In elk van de zes landen waar hij passeert, heeft hij een andere naam, van 'wilde stroom' en 'groot water' tot 'de negen draken' van de delta in Vietnam. In Thailand en Laos is hij de Mae Nam Khong, 'de moeder van alle wateren'. Levensstroom, verkeers- en handelsstroom, gedoemd om de economische slagader van de omringende landen te worden met Thailand als sterkste partner. In het zuiden van de Gouden Driehoek steek ik de stroom over naar Houeisay voor een Laotiaans visum. Midden op het brede water begint een driehonderd kilometer lange cruise met de Pak Ou, een open boot met zitruimte en tafels om te eten. Stroomafwaarts naar Luang Prabang, langs beboste heuvels en bergen, meanders en nauwe doorgangen. De tocht is geluidloos, ik hoor alleen regendruppels als tranen van Boeddha. De boot meert aan in Hui Sanei, waar families tapijten, lakens en sjaals weven. De inwoners zijn Hmong, een van de vele etnische minderheden. Animisten en semi-nomaden, die ook in de bergwouden leven, van rijst en maïs maar ook van opium. Voor hun huizen staan altaren van hout en papier, versierd met hanenpluimen, voor de goden van stroom en woud. Veel dorpen langs de Mekong zijn gespecialiseerd in een ambacht : houtbewerking, wijnkruiken, rieten manden, rijstalcohol. Sierlijke prauwen glijden voorbij, op hun sloepen zwaaien vissers met katvis in de hand. Golvend als Naga, de waterslang uit de mythologie, deint de boot mee met de stroming. Glooiend bergland, soms een vernauwing of een rotswand, niks spectaculairs, gewoon eindeloos groen aan het traagste ritme. Achter een kloof ligt de markt van Pakbeng : uitwisselen van koopwaar, verschillende gezichten en klederdrachten. Fruit, groenten, papaja, bananen en vlees met alles wat in een beenhouwerij bij ons nooit te vinden is. Nog is Laos een volksrepubliek, maar zoals Laotianen alle overheersingen lijdzaam hebben doorstaan - Birma, Khmer en Siam, China, Japan, Franse kolonisator en Amerikanen die meer bommen dropten dan in de Tweede Wereldoorlog -, zo is de communistische ideologie verdwenen naar de achtergrond. In de lodge van Luangsay kijk ik uit over de stroom, omgord door oerwoud, bultruggen, bamboe, nevelwoud, wolken tussen moesson en droog seizoen. Op het terras geniet ik een schotel met katvis, de plabuk, die soms drie meter haalt. De volgende ochtend is het water modderbruin, met een glans van zilver. Draaikolken, zandbanken en rotseilanden. Visnetten aan driepikkels van bamboe, wadende buffels, goudzoekers, houtwinning met olifanten, lokale taxiboten, vissers op een vlot. De stroom als het land, de Mekong als de identiteit van het wegenloze Laos, als transportmiddel, wasplaats, energieproducent, viswinkel, als het hart van het dagelijks leven. "Ik ken elke bocht en rots", zegt de kapitein. "De stroom is alles voor ons : hij geeft leven. We vinden voedsel, kinderen spelen in het water, we wassen en verplaatsen ons. Tijdens de moesson staat het water hoog en overspoelt de oevers. Dan is de Mekong tot achttien meter diep. In het droog seizoen komen hele stukken land blank te staan, met poelen vol vis. Dat is ook goed voor de landbouw, met vruchtbare akkers, groentetuintjes en zandbanken waar we zoete aardappelen kweken. Zonder de Mekong was Laos niets." Bij Tam Ting ligt hoog boven de stroom de grot van Pak Ou, waar naast de phi, natuurgeesten van woud, bomen en stroom, ook duizend boeddha's wonen. Trappen tegen de rotswand leiden naar de donkere grot. Op kale steen, in nissen en op altaren staan beelden, van een paar centimeter tot levensgroot, in hout, steen of metaal, recent of honderden jaren oud, onthecht en lachend, de ogen toe of halfopen. Ex-voto's liggen rond de beelden, ik mag een kaars aansteken en een donatie achterlaten. Nouanesavy Sayavong wijdt me in de houdingen en handgebaren van Boeddha in : armen gekruist naar beneden is reflectie. Niet argumenteren : een hand naast het lichaam, de andere als stopgebaar. Niet vechten : twee handen zeggen stop. Naast het lichaam is vragen naar regen. Zittend, de handen in elkaar : meditatie. Langzaam leer ik, zoals de weg oneindig is. "Ik kan je horoscoop lezen", zegt ze en goochelt met de geluksgetallen 7, 13 en 23 : "Het gaat goed met uw zaakjes, je hebt geen vijanden en geen pijn meer, er is nog een kindje op komst, hier vind je het paradijs." Opgetogen over mijn komend vaderschap bereik ik Had Tur, een paaldorp in de modder. Langs de oever roken mannen, vrouwen doen gehurkt de was. Nergens is een weg. Dit is het traagste Azië, nauwelijks aangevreten door de tijd. Laos is het land, zeggen ze, waar het de hele dag siësta is en de mensen de rijst horen groeien. Tussen houten huisjes spelen kinderen blootsvoets, vrouwen bewerken katoen en zijde, boven een oven borrelt rijstwijn. "Lao khao", lacht een man en reikt me een glaasje straf spul aan. Vrouwen met kinderen schuilen onder hun hut. Ze lachen naar me, of met me, ik weet het niet. Een oma lacht rotte tanden bloot, bruin van het kauwen op betelnoot. Ze pronken met een plankje als was het een antiekzaak : ik koop een koperen potje waarin de vrouwen het bruine goedje bewaren dat hen deze dag nog lomer maakt. Gelooide gezichten, oeroude vingers en zachte ogen, ze lijken op levende boeddha's. Ook zij zijn Hmong, in een van de armste landen op aarde. Ik tuur naar de stroming, luister naar de mantra van de monotone motor : is dit een land, vraag ik me af na de tocht op de stroom, langs stille dorpen en ondoordringbare wouden, waar nog duizenden landmijnen op onschuldige slachtoffers wachten, waar alles voortkabbelt alsof er nooit iets in de wereld is gebeurd. Eindbestemming is Luang Prabang, dat in een lus van de samenvloeiende Mekong en de Nam Khan als een verstilde oase op een landtong rust. Van alle onbekende namen in dit zeeloze land is het dorp, ooit de hoofdstad van het Koninkrijk van een Miljoen Olifanten, het uithangbord van toeristisch Laos. Toch is het niet de klok, maar zon en maan die het dagritme bepalen. In de vroegste ochtend kraait een haan, de resten van een regenvlaag dansen als nevels over de straatstenen. Mensen zitten geknield langs tempelmuren of staan voor de deur van hun huis. Als het vreedzaamste leger doemt langzaam, onhoorbaar als wilden ze zich onzichtbaar maken, een lange rij monniken op, een oranje en saffraankleurig lint dat zwijgzaam voorbijtrekt. Met hun kommetje zijn de bedelmonniken aan hun dagelijks ritueel begonnen. De mensen geven rijst, groenten en voedsel om de dag vredig te leven. Ingetogen, boeddhistische eenvoud. Behalve koloniale huizen, met terrassen en veranda's, hebben de Fransen weinig achtergelaten : misschien de baguette in de winkel, maar geen wegennet, scholen of andere voorzieningen. Langzaam vult de hoofdstraat met haar souvenirwinkels zich met dagelijks leven. Stootkarren, fietsen, stalletjes met eetwaren, waggelende hangbuikzwijnen. Frangipane, bougainvillea en hibiscus kleuren de kloostermuren. "In de loop van de eeuwen zijn de kloosters in verval geraakt", zegt gids Kham Soulivong. "Oorspronkelijk waren het er meer dan zestig, nu hebben we er nog dertig. De monniken zijn aanhangers van het Theravada-boeddhisme. Luang Prabang is het religieus centrum van Laos." Zonder data en feiten te willen kennen, loop ik in en uit, bezoek een tempel met witte muren en goudversierde chedis, praat een paar woorden met een monnik, lach naar de spelende novices, neem kleuren en beelden op van de stille kloosters. Tot ik voor de laatste muur sta : Wat Xieng Thong is een enclave van vredigheid, met tempels en geschubde, afhangende daken om de regen te plezieren, met een school en meditatieruimten, bibliotheek, klokkentoren, de vertrekken van de monniken en banken onder de bomen. In het hart staat de sim, de hoofdtempel met het belangrijkste beeld van Boeddha. Boven het oneven aantal daken brandt een symbolische vlam tegen boze geesten. In conische torentjes zijn relikwieën opgeborgen. Muren zijn bezet met mozaïeksteentjes die de levensboom uitbeelden. De rode kapel met mozaïeken van gekleurd spiegelglas roept beelden uit het dorpsleven op. In de tempel met de koninklijke lijkwagen is niet veel te zien, achteraan staan in het halfduister tientallen beelden van Boeddha. Als ik wil weggaan, gebeurt het : plots valt een eerste straal van de ondergaande zon binnen. Een beeld knipoogt, ik zet me neer en kijk. Nog een beeldje licht op, geel en oranje gloeien de sari's die weer uitdoven, beelden krijgen licht terwijl andere in het duister verdwijnen. Leven en dood, geboorte en nirwana. Het is de kroniek van een zonsondergang. Licht en schaduwen, heilige gloed, de warmte van het leven, een glimlach van Boeddha in de zon, een onthechte dromer en een mens, even vrolijk als wijs. Thai Airways International vliegt twaalfmaal per week op Bangkok (via Frankfurt met Lufthansa). Ook vluchten via München en Parijs. Info en reserveringen : 02 502 47 44, fax 02 502 69 47, www.thaiairways.com. Thailand blijft met zijn bezienswaardigheden een vaste waarde. Ten noorden van Bangkok ligt de koningsstad Sukhothai met boeiende sites (en op zestig kilometer zusterstad Si Satchanalai). Om de terugkerende bezoekers nieuwe ontdekkingen te bieden, heeft de Thaise toeristische dienst grensoverschrijdende initiatieven genomen, met uitstappen naar Birma, Cambodja en Laos. Zo is er een tweedaagse boottocht op de Mekong, tussen Chiang Khong en Luang Prabang (kloosterstad met tempels). De tocht is in beide richtingen mogelijk, met een overnachting in de Luangsay lodge van Pak Beng. Beide landen hebben een tropisch klimaat. Regenseizoen van juli tot begin oktober. Maart en juni zijn heet. Beste reistijd is het droge seizoen van oktober tot februari. Voor beide landen is een reispas vereist (nog zes maanden geldig). Geen visum voor Thailand (gratis bij aankomst), voor Laos ter plaatse tegen betaling van 30 dollar (en twee pasfoto's). Voor alle informatie : Tourism Authority of Thailand, Lakenweversstraat 40, 1050 Brussel (van 10 tot 13 uur), 02 504 97 03, fax 02 504 97 04, tat.belux@planetinternet.be. Tekst en foto's Mark Gielen