Het regent pijpenstelen als de taxi de oevers van de Donau bereikt. Vreemd, want volgens mijn contactpersoon ter plaatse mag ik me aan typisch continentaal klimaat verwachten. Terwijl de winters hier koud en hardvochtig zijn, zou ik nu van een stralend zomerzonnetje moeten genieten. In de plaats daarvan vallen alleen maar stortbuien uit de grijze hemel. Vier dagen lang.
...

Het regent pijpenstelen als de taxi de oevers van de Donau bereikt. Vreemd, want volgens mijn contactpersoon ter plaatse mag ik me aan typisch continentaal klimaat verwachten. Terwijl de winters hier koud en hardvochtig zijn, zou ik nu van een stralend zomerzonnetje moeten genieten. In de plaats daarvan vallen alleen maar stortbuien uit de grijze hemel. Vier dagen lang. Er zijn ergere rampscenario's denkbaar, zeker in Boedapest. De stad beroept zich op niet minder dan 230 monumenten en ruim zestig musea en galerieën. Het Hongaarse gezegde dat wie hier een gat boort water vindt, geldt trouwens ook voor de hoofdstad : in de ruim dertig thermale baden vloeit dagelijks tachtig miljoen liter uit de warmwaterbronnen. Dankzij overheidsfinanciering kost een bezoek aan die baden zo goed als niets, zeker naar West-Europese normen. De communisten werden dan in '90 weggestemd, over die staatssteun klaagt niemand. Het mooiste bad is dat van het befaamde Gellért Hotel op Kelenhegyi utca, een art-nouveaucomplex op de westoever van Boedapest. Het werd geopend in 1927 en is gedecoreerd met zuilenrijen en glasramen. De talrijke Japanners en luidruchtige Italianen bevallen echter niet, en dus zit ik al gauw te weken in de hamams die de Turken er in de zestiende eeuw oprichtten. De octagonale baden en koepels van de Rudas- en Király-baden zijn frappante overblijfsels van 150 jaar Ottomaanse bezetting. Per bad betaal ik slechts vier euro, al is het sommige bezoekers duidelijk om andere ontspanningsmogelijkheden te doen. Op de dagen dat de baden mannen verwelkomen, zijn ook de lokale homo's present. Boedapest imponeert. Een bewogen verleden zorgde immers voor een indrukwekkend architecturaal landschap, met zowel gotische, barokke als neoklassieke schatten. Ik kijk met verbazing naar zoveel imposante kerken, monumenten en palazzi. Niet alleen de Turken waren immers geïnteresseerd. De geschiedenis van Boedapest begint al rond de eerste eeuwwisseling, toen de Romeinen zich vestigden aan een vernauwing van de Donau. Ze hielden Aquincum vier eeuwen in handen, tot de inval van de Hunnen, en lieten in Óbuda, op de westelijke oever, een amfitheater, de Hercules Villa en andere met mozaïeken gedecoreerde woningen achter. Ook de Magyaren, de voorouders van de Hongaren, drukten hun stempel. Ze arriveerden er in 896 en bouwden van hieruit het Hongaarse rijk uit. Hun opeenvolgende dynastieën construeerden onder meer het dertiende-eeuwse koninklijke paleis, nu de thuishaven van het Hongaars Nationaal Museum en andere belangrijke musea, en de sprookjesachtige Mátyás-kerk uit de veertiende eeuw. Haar portalen herinneren aan de hoogdagen van de gotiek. De voornaamste verwezenlijkingen dateren uit de achttiende en negentiende eeuw, toen de stad onder de Habsburgers een van Europa's snelst groeiende metropolen werd. Het Oostenrijkse keizershuis trok diverse monumenten in barokstijl op, van het met allegorische figuren beklede stadhuis tot de Sint-Annakerk. Ze maakten in 1873 ook een einde aan de tweedeling van de stad. Door de natuurlijke waterscheiding heeft de plek echter nog steeds twee gezichten : groen, heuvelachtig en residentieel in Boeda, met het koninklijke paleis en de pittoreske oude stad als trekpleisters, modern en verstedelijkt in downtown Pest op de oostelijke oever. De Oostenrijkers tekenden een concentrisch plan met brede lanen voor Pest. Nu woont de meerderheid van de twee miljoen inwoners er, een vijfde van de Hongaarse bevolking. Het is in alle opzichten de motor van de stad. Ruim een derde van alle handelstransacties in Hongarije wordt er afgesloten, het is de universiteitsstad en met twaalf concertzalen en twee operagebouwen tevens het culturele hart. Dankzij de Habsburgers verrezen ook hier talloze, vaak neoklassieke monumenten. De befaamde Kettingbrug uit 1849 natuurlijk, de eerste permanente verbinding over de Donau, maar ook de Hongaarse Academie der Wetenschappen en de imposante Sint-Stefanusbasiliek. Het fraaiste bouwwerk is wel het neogotische parlement uit 1884, opgetrokken na de oprichting van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk, naar Brits voorbeeld. Met een lengte van 268 meter en bijna 700 kamers is dit het grootste gebouw van Hongarije. Ik kan me geen beter uitzicht in mijn hotelkamer bedenken. "Boedapest is een geschiedenisles", zegt Diana De Clopper, geboren in Antwerpen en als directrice van SanomaMagazines International nu verantwoordelijk voor de Oost- en Centraal-Europese bladen van de Finse uitgeverij. "De inwoners zijn terecht trots op hun stad, een beetje als de Sinjoren, maar vele plekken zijn beladen. Zeker na de Tweede Wereldoorlog en het communistische bewind dat de Russen in 1945 installeerden. Andrássy utca is nu een chique boulevard, maar ooit huisde hier de geheime politie. Aan de bomen werden de opstandelingen van 1956 opgehangen. Ook het Méridien Hotel is ondergebracht in een voormalig politiekantoor." Later bezoek ik de rijkelijke joodse synagoge op Dohány utca, 150 jaar oud en de grootste van Europa. In het museum leer ik dat het charmante, wat gammele Astoria Hotel destijds de uitvalsbasis was van de nazi's. Van daaruit werd het joods kwartier aangevallen en de deportatie van 600.000 Hongaarse joden gepland. De Clopper vestigde er zich in '97. "Als je magazines maakt, moet je contact hebben met je lezers. Te meer daar bladen hier tot in '89 allemaal in zwart-wit verschenen, op vies papier. Alle vrouwenbladen waren in handen van politieke partijen of vakbonden. Of ze gelezen werden, kon de journalisten niet schelen. Die gedroegen zich als notabelen in een ivoren toren."Dat ik in sommige cafés en winkels nogal korte antwoorden krijg en menig café opent en sluit als de eigenaar het zint, verbaast De Clopper niet. "Je mag zo'n mentaliteitswijziging niet onderschatten. Niet iedereen kan die klik maken. Weet je dat we hier eufemistisch over 'de veranderingen' spreken ? Gewoon om mensen niet voor het hoofd te stoten. Je weet nooit aan welke kant iemand stond."Toch hebben de Hongaren het verleden sneller afgeschud dan andere ex-communistische landen, meent De Clopper. "Nergens voel je de wil om vooruit te gaan zo sterk. Kijk hoe er gerenoveerd wordt. Geen monument of er zit een nieuwe laag verf op. De standbeelden van Hongaarse leiders op het Heldenplein zijn allemaal gerestaureerd. Terwijl Praag een dood museum is, vormt Boedapest een echte brug tussen West- en Oost-Europa. De laatste jaren zijn er veel designrestaurants verschenen die ook in Parijs of New York hadden kunnen liggen. Het is een kosmopolitische en open stad die bij de Europese groten wil horen. De mensen voelen zich ook op en top Europeaan. En vergeet ook niet dat hun rijk tot de Eerste Wereldoorlog drie keer de huidige oppervlakte had."Na een lunch bij M, een Frans restaurant waarvan het op de muren getekende interieur ontworpen is door Aleksandar Denic, de setdesigner van Emir Kusturi-ca's Underground, verdwaal ik in het gerestaureerde Nyuagti-treinstation. En zo beland ik in een hypermodern winkelcentrum, een nieuwigheid in een stad waar namen als Louis Vuitton en Giorgio Armani opvallen door hun afwezigheid. Ook in de autovrije Vaci utca, de voornaamste winkelstraat, zijn vooral betaalbare lokale merken aanwezig, al vind ik op nummer 50 toch één designerwinkel, die van hoedenmaakster Valeria Fazekas. Samen met damesontwerper Naray Tamas in Károly Mihály utca zwengelt zij de ontluikende high fashion-markt aan. "De winkelcentra zijn publiekstrekkers", zegt mijn gastvrouw. "Mensen kopen niet, ze gaan er rondwandelen. Ze maken er een dagje met de familie van. Maar de omwenteling is enorm. Vijf jaar geleden reden hier vooral oude rammelbakken rond, nu dreigt een verkeersinfarct. Omdat mensen het beter krijgen en zich een auto kunnen veroorloven. Je ziet hier meer terreinwagens dan in Brussel." Gelukkig vind ik in het WestEnd City Center een ontsnappingsroute. Op de esplanade naast het winkelcentrum kan ik voor pakweg vijftien euro een ballonvaart maken en van op 150 meter de ganse stad aanschouwen. Wie hoogtevrees heeft, verkiest wellicht het uitzicht in de Siklo. Die kabeltram in Boeda reikt net tot aan de voet van het koninklijk paleis, al mist u daar wel de gekleurde tegels in pyrograniet op de talloze torens en daken. Ze komen van Zsolnay, sinds de negentiende eeuw de grootste ceramiekproducent van het land. In Hongarije werden art nouveau en Jugendstil immers vermengd met lokale ambachten als ceramiek, glaskunst en smeedwerk, vaak met fantasierijke motieven. Voorbeelden zijn te zien in de marktkramen op het Mihály Vörösmarty-plein en op de Ecseri-vlooienmarkt in Nagykorösi út. Het negentiende-eeuwse Museum voor Toegepaste Kunsten op Ülloy út is er helemaal aan gewijd. Het beschikt zelf trouwens ook over een kleurrijk dak. "Boedapest heeft iets wat andere steden niet hebben", zegt Diana in Spoon. Ze vertelt me over het licht aan de oevers van de Donau in de winter, en dat ligt niet aan de champagne op de loungeboot. Deze stad lijkt op een schatkamer, klassieke muziek in woord en beeld. Het siert het bestuur trouwens dat ze het monumentale, vaak romantische landschap verrijkten met aanschouwelijke beelden van Hongaarse auteurs en componisten. Onderweg ben ik door Ráday utca gelopen, tot voor kort een vervallen zigeunerwijk met wat alternatieve clubs. Nu is de straat 's avonds verkeersvrij en bezaaid met terrassen als die van de Cara Mia Burger Bar en de Ráday Drive 911. Al is hun interieur zo geïnspireerd als hun naam, dit zou ook de Brera-wijk in Milaan kunnen zijn. Andrássy heeft dan weer Parijse allures, en het uitzicht op het Margareta-eiland doet onvermijdelijk aan de Seine denken. Elders zijn de referentiepunten schaarser. In de gerestaureerde markthal op Fovám tér bijvoorbeeld. Op drie verdiepingen stallen 180 kramen alles uit waar de Hongaren van houden : paprika's, pepers, ganzenlever, worsten, salami, dierenvet en varkenspoten. Ook een ganse kop vind je er zonder problemen. In een uithoek van deze voedingsbeurs-in-het-echt bieden oude dametjes, als appeltje voor de dorst, de oogst van hun eigen erf aan, zoals champignons of kruiden. De vele koffiehuizen en ijssalons in de stad zijn even apart. Bij het sympathieke Auguszt of het nog vele kleinere Ruszwurm in Boeda lonkt gebak als rétes (dun bladerdeeg met een vulling op basis van appelen en rozijnen of kaas), en naar verluidt maakt al die zoetigheid de tong al even los als drank. Voor de Hongaren gaan confidenties en familiebijeenkomsten gepaard met een Dobos-taart vol chocolade, een flensje met walnoten of rijstpap met kersensaus. Dat de cliënteel zich voor de gelegenheid graag opkleedt, spreekt vanzelf. Gerbeaud, een befaamd koffiehuis, laat ik volgens Diana beter links liggen : het zit er vol met toeristen, de patisserie is overroepen en de bediening onvriendelijk. "Als je van couleur locale houdt, ga je beter naar een concert in de muziekacademie. Het is een prachtige art-decozaal met een hoogstaand aanbod, en dan die mensen ! De Hongaarse bourgeoisie in vol ornaat. Het is een heel trots volk hoor. Op vergaderingen ook altijd de eersten om het woord te nemen." Voor ik op Batthyány utca een fles honingzoete Tokaj haal bij de Budapest Wine Society, omhelzen we elkaar ter afscheid. Ook dat is Budapest, lees ik achteraf in mijn notities. "Hongaren zijn heel fysieke mensen, heel emotioneel ook. Ze kunnen lachen en wenen in één dag." n Tekst Wim DenolDeze stad lijkt op een schatkamer, klassieke muziek in woord en beeld.