Of ik naar Zwitserland wil om er de hipfactor fotografisch op te meten. Nu had ik enkele jaren geleden aan de hand van een architectuurexperte mooie beelden en herinneringen overgehouden aan de hedendaagse bouwwerken die er toen uit de grond rezen. Een land met de meest hippe vlag in haar grafische eenvoud, rijk en met stijlvolle Italianen, ingenieuze Duitsers en creatieve Fransen als buren moet een smeltkroes van kwalitatieve trendyness zijn.
...

Of ik naar Zwitserland wil om er de hipfactor fotografisch op te meten. Nu had ik enkele jaren geleden aan de hand van een architectuurexperte mooie beelden en herinneringen overgehouden aan de hedendaagse bouwwerken die er toen uit de grond rezen. Een land met de meest hippe vlag in haar grafische eenvoud, rijk en met stijlvolle Italianen, ingenieuze Duitsers en creatieve Fransen als buren moet een smeltkroes van kwalitatieve trendyness zijn. In Zürich vind ik mijn gids in een staat van hyperactiviteit en ze doet wat ze moet doen : onophoudelijk praten. "We gaan oude stadsdelen en musea bezoeken", kondigt ze vastberaden aan. Wanhopig probeer ik haar het onderwerp van mijn opdracht en het concept 'hip & trendyness' duidelijk te maken. Zonder veel succes. We doorkruisen de stad en ik krijg de hele levensloop van elke straatsteen te horen. De poort van de hel, een loodzwaar werk van Rodin wordt uit het Kunsthaus getild, op weg naar Londen voor een tijdelijke tentoonstelling. Het kan geen toeval zijn dat net nu Zürichs trots in schone kunsten in de lucht hangt te bungelen om zijn Danteske boodschap te verkondigen en mijn torment te verbeelden. Maar ik vind snel troost : even verderop hebben een paar uit de lucht gevallen engelen een cocktaillounge opgestart. Het failliet van Swissair dwong deze ex- flight attendants tot het ondernemerschap, met als resultaat deze Wings Lounge. Een hippe seventies aandoende bar met referenties aan luchtvaartvormgeving. Het gaat er ernstiger aan toe in de oudste bank van Zürich. In dit statige gebouw vind je Al Leone, een bar waar je aan allerlei champagnes kunt nippen. Om de hoek belanden we in Hotel Widder. Ondergebracht in vier oude herenhuizen, laat de buitengevel amper vermoeden voor welke stijl er binnen gekozen werd. Elegante Vitra-stoelen staan als kunstwerken in de minimalistische vijfsterrenlobby. "Ik leer veel bij met u", giechelt mijn oude gids die, sinds ze doorheeft dat ik niet op het klassieke bezoekerspad wil, alles dat ook maar naar (post)moderniteit ruikt aanwijst met een vragende blik. Er hangt wat vreemds over Zürich. Ik krijg er geen vat op. Hoewel het soort trendyness zoals wij het verwachten hier niet dik gezaaid is, krijg je zelden het gevoel van oubolligheid. Zwitsers hebben een bepaalde manier om met de tijd en dingen om te gaan. Bijvoorbeeld met het Cabaret Voltaire : die bakermat van het dadaïsme mag dan al bijna een eeuw oud zijn, het is volledig geïntegreerd in de hedendaagse cultuur. Deels heringericht door een Swatch-designer, is het Cabaret nog steeds een ontmoetingsplaats voor artistiek geëngageerden. Elke stad heeft zo zijn hip kwartier, vaak oude industriebuurten die meteen een broedplaats worden voor loftbewoners. Mijn gids weet van niets en voor alle zekerheid bel ik onze Interieur 2006-eregast Alfredo Häberli : "Zürich is op vlak van kunst en design even belangrijk als Londen, Parijs of Milaan", zegt een toch wel erg zelfverzekerde Häberli. Ik frons mijn wenkbrauwen en informeer naar concrete plaatsen. Slechts een handvol adressen verder sta ik in het nieuwe Zürich-West district. De concentratie aan Smarts en nieuwe Mini's bevestigen dat ik in de buurt kom. Ik zoef voorbij de Freitag-toren. Ongetwijfeld geïnspireerd op de Luc Deleu-concepten uit jaren 80, verleent deze toren van scheepscontainers de verkoopruimte voor de bekende tasjesboer Freitag. Maar mijn tijd zit erop. Ik heb amper de kans om in de Technoparkstrasse een paar beelden te maken van nieuwe architectuur. Dan snel ik voorbij de Kunstgriff, Shiffbau, het Migro Museum en de openbare badplaats Löwenbrau. Stuk voor stuk industrieel erfgoed dat werd verbouwd tot cultuurruimten, kantoren of modieuze gelagkamers. Een goed uur later sta ik aan het meer Luzern. Het is lekker in de zon. Iedereen geniet van de laatste warmte voor de lange valleiwinter eraan komt. Deze stad lijkt open voor internationale invloeden. Zoals met Santiago Calatrava die zich mocht ontfermen over het oude station. De voorgevel werd vervangen door een luchtige galerij die de typische signatuur van deze mediterrane architect draagt. Migros, de warenhuisketen die zijn winkels steevast in een opvallend kleedje steekt, maakt ook hier een architecturaal statement met de herkenbare Diener & Diener-stijl. Aan de rand van het meer staat hét nieuwe architecturale prestigeproject van Zwitserland. Het KKL-complex schuilt onder een reusachtig zwevend dak, zo'n twaalfduizend vierkante meter groot. Het complex is verdeeld in drie monolieten. Elke unit heeft een eigen karakter die alludeert op haar functie. Een lyrisch concertgebouw, een kleurrijker multifunctionele hal en een meer afgeschermde convention center. Een boogscheut verwijderd van het KKL vinden we het nieuwe SAS Radisson. Een groot hotel met een behoorlijk gehalte gesofistikeerde hedendaagsheid. Mooi maar minder uitgepuurd dan The Hotel. Een boetiekhotel, opnieuw van de hand van Jean Nouvel, waarin deze levensgrote beelden uit cultfilms verwerkt voor zijn decoratie van de ruimten en kamers. Aanvankelijk zonder gordijnen, bood het hotel een bijzonder spektakel aan de voorbijgangers. Niet alleen het verlichte decor maar ook de hotelgasten waren in hun nachtelijke glorie te bewonderen. Het duurde echter niet lang of gordijnen schonken de nodige privacy aan de gasten. Opnieuw aan het meer merk ik hoe een antieke raderboot uit de schaduw van het imposante KKL-dak stoomt. Het is haast een metafoor voor de Zwitserse cultuur : een staal van innovatieve toparchitectuur met onderaan een honderd jaar oud vervoermiddel. Allebei in het dagelijkse leven ingebed met een vanzelfsprekendheid die elke open geest tart. De huurwagen klieft door het dal op weg naar het nieuwste hippe hotel. Het oude kasseibaantje kronkelt zich naar de ijle hoogten van de Sankt Gotthard-Pass. Daar hoog boven de wolken bevond zich tot in 1999 een ultrageheime ondergrondse militaire basis. Vervolgens werd het opgekocht door de kunstenaar Jean Odermatt en omgevormd tot hotel La Claustra. De stalen poort is loodzwaar en valt traag achter me dicht. Het is plots ijskoud en water druppelt langs de rotsige wanden van de honderd meter lange verlaten tunnel. Slechts verlicht door enkele peertjes zoek ik me een weg naar de lobby van dit hotel. Naarmate ik dieper de berg inga, vervangt de subtiele geur van etherische oliën die van het roestig staal en nat beton. Pas achter de derde stalen deur vind ik een uit de rots gekapte zaal en word ik verrast door een gedempt lichtspel en zachte muziek. Omgeven door duisternis zit een gezelschap in een glazen module, van een schijnbaar heerlijk maal te genieten. Ik stap erin en word vriendelijk begroet door een medewerkster. "U werd verwacht. Wilt u wat drinken ?" vraagt ze. Ik zet me aan een massieve houten tafel en onderga de benevelende combinatie van dunne lucht, alcohol en de zwaarte van de berg waarin ik zit. De kamers zijn sober. Voorzien van een bed, kast, wastafel en spiegel die alleen spiegelt als het wastafellampje aan is. Doe je dat uit, dan wordt de spiegel een lichtgevende foto van een berglandschap. Ik kan er beter snel aan wennen, want dit is wat nog het meest op een venster lijkt in deze ruimte. Afgesloten van alle buitenelementen ontbreekt het bepaalde zintuigen aan prikkels. Lichaam en geest proberen het verlies te compenseren met fantasie en opnieuw word ik geconfronteerd met de afwezigheid van de vierde dimensie : tijd. Het is opvallend hoe de alpenarchitecten hun eeuwige landschap verwerken in hun hedendaagse creaties. Niet alleen door de locatie of de vorm, maar eveneens door de gebruikte materialen die nu eens contrasteren met de omgeving, dan weer ermee versmelten. Een berg opentrekken is wat bouwmeester Peter Zumthor deed met het kuuroord in Vals. Uit de rotsen is hij er in geslaagd om gelaagde steen gedisciplineerd te stapelen tot een monumentale monoliet. Grote uitsnijdingen zorgen voor gedoseerde lichtinvallen en fantastische panorama's op de Valser-bergen. Hier kom je op adem : ontspannen op warme stenen bedden of zweven in licht bruisend water, vervolgens van een beschut binnenbad zachtjes naar buiten drijven, met de bergen als enige getuigen. Kleur, geur en geluid bespelen hier alle zintuigen met de gewichtloze fijngevoeligheid van een elfenharp. Zumthor zorgde in de late jaren 90 voor een hype met dit thermencomplex en zijn temporaries : tijdelijke kamers in het aanpalende sixties hotel, die bij gebrek aan het nieuwe hotel, bijna permanent geworden zijn. Maar hypes hebben zo hun nevenwerkingen : nouveau riche dubbelgangers van Karl Lagerfeld en jongens-koppeltjes, met wat mijn grootmoeder designer debardeurkes zou noemen, vormen nu een belangrijk deel van de fauna in de glooiende Rode Zaal, het Zumthor-restaurant van de thermen. Ik eet alleen en amuseer me met de naburige gesprekken waarbij de moedertaal vet doorspekt wordt met Engelse quotes, namedropping en afgerond met langgerekte klinkers. Mijn reisschema kent echter geen respijt en ik moet alweer verder over de bergen. Bellinzona heeft de sfeer van een grensstad : het afwachtende wat je daar vaak tegenkomt. Maar dat heeft de plaatselijke architect niet tegengehouden om alle gelegenheden te baat te nemen om zijn visie op architectuur door te drukken. Aurelio Galfetti heeft hier bijna het monopolie op alle nieuwe werken. Van het sportcomplex en postkantoor over de sociale woningen tot het stadsplein met haar subtiele referenties aan de oude stadwallen hogerop. De toegang tot een Castel Grande is vermoedelijk zijn meest geslaagde project en leverde de architect meteen de begeerde Europese Betonprijs op. Op het stadsplein laat je de opvallende Migros achter je, en volg je een egaal pad tussen de steile rotsen. Vervolgens treed je letterlijk Moeder Aarde binnen via een gestileerde schede. Eenmaal door de smalle gang kom je in een holle ruimte (ziet u het beeld ?) die toegang verschaft tot twee liften. Deze brengen je naar het hoger gelegen kasteel met buitengewone zichten op de stad. Hier vind je ook het trendy restaurant Castel Grande. Deels in de rots, deels in de ruïne van het kasteel, heeft dit stijlvolle restaurant zijn sfeer te danken aan de ligging en inrichting op basis van Le Corbu-meubilair. Vol gas naar Lugano. We zijn over de Alpen en het veelzijdige Zwitserland toont zich meteen van zijn Italiaanse kant. De openingstijden van de eetgelegenheden worden soepeler, het levensritme daalt en het verkeer is lang niet meer zo respectvol voor de snelheidsbeperkingen. In Lugano heeft de toparchitect Mario Botta zijn kantoor opgericht : een statige cilindrische toren met zijn kenmerkende terracotta kleur. Dat deze stad zijn bakermat is, valt tijdens een wandeling snel op. Je kunt bijna geen straat door of er staat een bouwwerk van deze meester. Meestal in zijn herkenbare stijl, maar soms ook verrassend afwijkend. Zoals de eenvoudige centrale bushalte of het Palazzo Ransila aan de Corso Pestalozzi dat de Lounge Soho huisvest, meteen de meest trendy bar van de stad. De buitenkant van het Casino is veelbelovend, maar de ranzige sfeer van te snel verloren geld drijft me snel weer naar buiten. Aan uitgaan komt trouwens een vroeg einde in Lugano, want om één uur sluiten alle bars en terrassen. Alleen privéclubs en het Casino mogen nog voor vertier zorgen. Een wandeling over de verlaten promenade langs het meer zal me helpen om te chillen alvorens mijn bed op te zoeken. Zwitserse bouwmeesters blijken ook hun spirituele kant te hebben. Zumthor heeft een prachtige houten kapel gebouwd in Sumvitg en Botta kreeg de kans een paar kerken op grote hoogte op te richten. Een tiental jaren geleden werd de helft van het dorpje Mogno door een lawine van de kaart geveegd. Als door een wonder was iedereen net het dorp uit en vielen er geen slachtoffers. Botta werd vervolgens aangezocht om het verdwenen kerkje te vervangen. Aanvankelijk werd zijn schepping op veel kritiek onthaald bij de plaatselijke bevolking, maar intussen is dit een must op het traject van architectuurtoeristen. De schuin afgesneden cilinder van marmer en graniet ademt een sublieme soberheid die niemand onberoerd kan laten. Botta gaat ervan uit dat architectuur veeleer een ethische dan een esthetische discipline is. Wars van het overbodige, merk je in elk detail zijn engagement voor het katholieke instituut en traditie. Deze kerk is de essentie van een tempel en noopt tot introspectie, of je nu gelovig bent of niet. Minder subtiel is de imposante kerk van Monte Tamaro, net buiten Lugano en een rit van duizend meter per kabellift de hoogte in. Mario Botta kreeg van de locale tycoon vrij spel om op deze berg een kerk op te trekken. Samen met de schilder Enzo Cucchi realiseerde hij een indrukwekkende structuur. Dit dominante gebouw kijkt van op 1600 meter neer op Lugano. De lange toegangsbrug herinnert aan een ruggengraat die leidt naar de rand van de afgrond, waar de nieuwvormige kop de bescheiden kerk huisvest. Het is als een springplank naar het oneindige, opgetrokken in zwaar rood graniet. Binnen is het duister. Licht valt ritmisch door de spleten van de bovenliggende trappen om vervolgens door de zwarte muren te worden opgeslorpt. Enkel achter het altaar krijgt het licht grip op een fresco : twee schenkende handen, gul maar gekweld in hun houding. Ik wacht tot een buslading toeristen de kerk verlaat en ik even de ruimte voor mezelf heb. Wat maakt Zwitserland zo ongrijpbaar ? Zijn het de ondoordringbare bergen die de vluchtige wind van de trends filteren tot hun essentie ? Of het ongekende pragmatisme waarmee heden en verleden verenigd worden in het beste wat ze de Zwitser te bieden hebben ? In het land dat al eeuwen prat gaat op het vastleggen van de tijd, met een precisie waarvan de eenheid in 'juwelen' wordt uitgedrukt, of waar kwantumtheorieen getoetst worden aan een tijdloze werkelijkheid, kun je verwachten dat trendyness anders ervaren wordt. De toeristen zijn weg, op één meisje na. Ze weet niet dat ik er ook nog ben. Geruisloos staat ze op en loopt aarzelend achterom het altaar. Dan, na enig twijfelen, legt ze in een traag gebaar haar hand op die van het fresco. Misschien is een gezonde dosis scepticisme voor het nieuwe een filter voor kwaliteit. Alleen de tijd zal het uitwijzen. En in het geval van Zwitserland, zal die tijd een mensenleven ver overtreffen Tekst & foto's Michel Vaerewijck