Het is een kille, grijze februariochtend in Harlem. De 125ste straat wordt langzaam wakker. Voor de vele kapperszaken zitten al groepjes warm ingeduffelde Afrikaanse vrouwen te kletsen. " Braids? Braids? (Vlechten? Vlechten?)", vragen ze als ik passeer. In Young Spring Farm staat een Koreaan al bedrijvig aan de kassa terwijl zijn twee Mexicaanse helpers met zorg appels en komkommers in nette stapels rangschikken. In Ethiopian Outfitters drapeert een vrouw Afrikaanse lappen stof in de etalage. In het wat groezelige restaurantje Mity Fine staan drie klanten in de rij voor koffie. In Nailsalon Sunshine zitten vijf jonge Chinese manicuristen gebogen over de handen van vijf zwarte mevrouwen. Ik ben in wat het hart van Harlem wordt genoemd. Goedkope kleer-, schoen- en meubelwinkels, muziekzaken, restaurants, banken... Er is van alles wat. Mooi is de straat niet maar haar levendigheid, vooral tijdens het weekend en op zonnige dagen, maakt veel goed.

Nog even Lenox Avenue oversteken en ik sta voor nummer 55. Het glazen kantoorgebouw is een dwergje naar New Yorkse normen. Maar in deze buurt torent het met zijn veertien verdiepingen boven al de rest uit. De ingang is verstopt achter staketsels. Het gebouw zit geprangd tussen een vervallen, dichtgemetseld huis en een ouderwets bakkerijtje waar zoete aardappelvla en appeltaart zijn uitgestald. Aan de overkant van de straat staan nog vier dichtgemetselde gebouwen. Achter het raam van een leegstaande winkel hangt een for rent-bordje. Voor de rest vind je hier dezelfde wat rommelige winkels en kapperszaken als in de rest van de 125ste straat.

Maar kijk. In twee winkels wordt druk gehamerd en geklopt. In het huis zonder ramen daarnaast zijn geelgehelmde bouwvakkers in de weer. En wat verder, op de hoek van Fifth Avenue en de 125ste straat, hijsen grote kranen metalen balken omhoog. Het schandalig lang verwaarloosde Harlem wordt langzaam maar zeker weer opgeknapt. En nu dit! Op de leegstaande bovenste verdieping van nummer 55, het bescheiden veertiende dus, liep gisteren ex-president Clinton keurend rond. Gelukkig scheen er een stralende zon zodat hij met volle teugen kon genieten van het zicht op Central Park en de echt hoge torens van Midtown. "Het staat mij hier aan", had Clinton gezegd, alsof hij het meende. Die deugniet van een Bill toch.

Zijn hart moet geen beetje pijn hebben gedaan toen hij ter hoogte van de verre 57ste straat het echte voorwerp van zijn begeerte trots de lucht in zag boren. Niet hier maar ginder, op de 56ste verdieping van de super-de-luxe Carnegie Hall Towers, had hij op kosten van de belastingbetaler van zijn presidentieel pensioen willen genieten. Maar het mocht niet zijn. De pottenkijkers vonden het presidentiële kantoor te duur, zelfs nadat Clinton had voorgesteld om 300.000 van de 800.000 dollar jaarlijkse huur uit eigen zak te betalen. Maar dit is dus wat Bill hier gisteren zei: "Het staat mij hier aan. Ik neem dit kantoor." Het prijskaartje van zijn tweede keuze: een luttele 210.000 dollar per jaar. Hij moest het wel nemen. Stel je voor dat hij geweigerd zou hebben toen de invloedrijke zwarte volksvertegenwoordiger Charlie Rangel hem enkele dagen geleden voorstelde om een kantoor te huren in Harlem. Dat zou een affront geweest zijn voor zwart Amerika, dat hem altijd door dik en dun gesteund heeft. Een dichte menigte stond hier letterlijk te springen van enthousiasme toen Clinton gisteren uit zijn witte limousine stapte. " We love you!", riepen de mensen.

"Vindt u het leuk dat Clinton naar Harlem komt?" vraag ik aan een dienster in restaurant Bayou, waar Clinton met zijn entourage gisteren ook kwam lunchen. "Ja natuurlijk," zegt ze, "ik hoop alleen dat hij niet te veel van zijn rijke blanke vrienden meebrengt, want dan mogen gewone werkmensen zoals ik het wel vergeten om hier te blijven wonen. Ik ken nu al mensen die in de laatste twee jaar uit hun appartementen zijn gezet nadat de gebouwen voor veel geld werden opgekocht door jonge blanken." Haar collega, een wat oudere dame, vindt Bill " a very sexy man".

Clinton en seks, de woorden worden vaak in een adem vernoemd. Ook in Harlem zal hij er wel vaak aan denken. Hij kan bijna niet anders. Op weg naar zijn kantoor passeert hij etalages met meer dan levensgrote foto's van halfnaakte, wulps-mooie modellen. Vanachter zijn bureau kijkt hij op een hartstochtelijk tongzoenend jong stel, een reclame voor de televisieshow No Limits. Straks, als het warmer wordt, zal hij de vrouwen weer kortgerokt zien flaneren in de 125ste straat. En als hij het soort probleem krijgt waar zijn rivaal Bob Dole last van had voor hij woordvoerder werd van Viagra, hoeft hij maar de straat over te steken naar het natuurwinkeltje met zijn uitstalraam vol flessen African Manback Tonic, waarmee ze in Senegal impotentie genezen. Hij zal zich hier wel goed voelen. Als student al kwam hij in de 125ste straat wandelen omdat hij er zich zo thuis voelde. Dat beweert hij nu toch. De mensen hier hebben zijn zonden al lang vergeven, als ze hem ooit al iets kwalijk namen. Zijn blanke vijanden hebben hem misschien een grote dienst bewezen door hem met hun kritiek naar Harlem te verbannen.

Jacqueline Goossens vanuit New York