Zó brandt de Afrikaanse zon : aardewerk van potten en kommen glinstert, ogen van vrouwen glimmen, hun gewaden en tulbanden ook, fietsspaken ratelen over de piste en branden op mijn netvlies, de witte handpalm van de fietser zwaait voor een begroeting en ook zijn lachende tanden schitteren. Rood is de piste, rood tussen de spetterende heuvelvegetatie en de gele mimosa, zoals dat contrast alleen in Afrika kan.
...

Zó brandt de Afrikaanse zon : aardewerk van potten en kommen glinstert, ogen van vrouwen glimmen, hun gewaden en tulbanden ook, fietsspaken ratelen over de piste en branden op mijn netvlies, de witte handpalm van de fietser zwaait voor een begroeting en ook zijn lachende tanden schitteren. Rood is de piste, rood tussen de spetterende heuvelvegetatie en de gele mimosa, zoals dat contrast alleen in Afrika kan. Rijden maar, door het land van de Lobi, een krijgersvolk dat uit het nabije Ghana kwam. Gewoner kan wegleven niet zijn. De vrouwen, te voet en met last op hun hoofd, heupwiegen, de mannen gebruiken de fiets. Iedereen trekt naar de markt van Dou Dou : groenten en fruit uit een vruchtbare streek waar de Volta stroomt, zoveel weelderiger dan de Sahel in het noorden van Burkina Faso. Vliegen op een slagveld van bloederig rundvlees, lamskoppen en sierlijk uitgestalde tomaten, fetisjen en kruiden. Zo delirisch de kleuren, zo verscheiden de mensen, van gesluierde schoonheden tot een meisje met schoolboeken op haar hoofd, van guitige kereltjes tot een bink met pijl en boog als symbolen van macht. Het is niet anders in de heuvels, in dorpen in de schaduw van baobabs, waar dezelfde Lobi hun tradities nakomen. Met een gids, anders is communicatie onmogelijk, mag ik hun versterkte woning bezoeken, waar ambacht en voorouderbeeldjes een onvatbaar universum vormen voor de blanke indringer. Dan sta ik voor eeuwenoude muren, al even raadselachtig, overwoekerd door woud, zoals ruïnes van de Maya's. Stilte, mysterieuze origine gehuld in nevels van tijd en verval. Loropéni is een van de zeldzame bouwwerken in zwart Afrika, met als tegenhanger de ruïnes van Great Zimbabwe. Waarschijnlijk een stopplaats op een Sahararoute is de site opgenomen op de erfgoedlijst van conservator Unesco. Buiten wat kinderen is er niemand. Wat de ruïnes van Loropéni zijn voor het verleden zijn de rotsen van Sindou voor de natuur. Op een plateau ben ik omringd door grillige pieken en geërodeerde falaises, een massief dat doorloopt naar de Bandiagara in Mali. In mijn verbeelding wakkert de geologie de mythe aan : elke Pic de Sindou, een half miljoen jaar geleden gesticht door de goden, is een voorouder van de Sénoufo. Talloze geslachten uit steen beschermen dit volk uit het westen van het land, dat aan alle oorlogen ontsnapte en pas in de negentiende eeuw afdaalde naar de vlakte om dorpen te stichten, akkers te bewerken en vee te kweken, graanzolders te bouwen, ijzer te smeden en muziekinstrumenten te bouwen, jongens in te wijden in hun clan en offers te brengen voor hun ancêtres. In Ouolokonto bezoek ik zo'n zolder, ik sta op het dak van een huis waaromheen vrouwen maïs pellen, terwijl de zon achter de einder verdwijnt. Eenzelfde geluk overvalt me in een dorp tussen suikerrietvelden in de buurt van Banfora : tussen opgewonden kinderen, die me aanstoten met papa nassara of blanke, kijk ik naar gemaskerde mannen, die dansend een animistisch ritueel voltrekken, opgejaagd door geroffel en gejoel, dreigend en grappend. Misschien vragen ze een voorspoedige oogst, willen ze bescherming, betreuren ze een dode of eren ze een afgestorvene. Ik vraag het niet en begrijp het niet. Hoe zou het kunnen ? Zelfs met mijn diepste sympathie voor een religie die bomen, dieren, planten en voorouders eert - alleen zo red je de wereld - blijf ik het uiterlijke koesteren, de maskers en de ogen die me aanstaren, de hutten die ook de thuis van geesten en doden zijn, de kinderen voor wie de angst voor het onbekende al even sterk is als de fascinatie voor het mysterieuze. Zoals meisjes hun kapsel sieren met antennes, Allah zal me de vergelijking vergeven, zo priemen stokken uit de torens, die op hun beurt de vierhoekige muren van ' la vieille mosque' veranderen in een toonbeeld van Soedanese architectuur : een gebedshuis voor de vromen van de islam, gebouwd op een veel ouder animistisch heiligdom. Twee minaretten zingen de lof van de triomfantelijke god, die de geesten naar de uithoeken van stad en bos heeft verbannen. Het is een prachtige tempel, leemgeel, strak afgelijnd tegen de hemel, met gangen en rustplaatsen, binnenpleinen en sobere ornamenten. Van alle moskeeën die ik heb bezocht, is deze in haar soberheid de zaligmakendste. Rondom op het plein hangen in bomen een paar maskers, grijnzende getuigen van het oeroude geloof van de Bobo en de Dioulasso, de twee stammen die de stad hebben gesticht : met een koppelteken als verbond was Bobo-Dioulasso, toen het land onder de Fransen nog Opper-Volta heette, hoofdstad van een rijk met zo'n zestig etnieën. De moskee, of elders een kerk, is dan wel hun huis, maar de wereld van voor- ouders en goden is hun ware thuis. Niet op de geagiteerde marché central, ook niet in het quartier des artisans waar bronsgieters, ijzersmeden, leerlooiers en meubelmakers een symfonie van ambachtelijke geluiden laten horen, maar op een achterpleintje met muziek en een dansende jongen vind ik warme gastvrijheid. Met een schrale grijsaard, een mollige mama en een griot met instrument is verbroedering vanzelfsprekend. In een halve kalebas borrelt lokaal gierstbier, dolo of de nationale drank die ons vervult met uitgelatenheid en het verlangen naar kleurrijke omhelzingen. De kom gaat van hand tot hand, van lippen naar lippen, van ogen naar ogen. Geef me nog een kalebas, want het leven is alles. " C'est le goudron", lacht de buschauffeur opgelucht : na de pistes van het zuidwesten is de weg naar hoofdstad Ouagadougou een harde weg, een luxe in een van de armste landen ter wereld. Trage kilometers op weg naar het oosten, ook dat is Afrikaans reizen : Mossidorpen, lokale marktjes met nomadische Peulvrouwen, een koffiehuis, het land van de Gourmantché, kinderen op weg naar school, termietenheuvels, mensen met gezichtslittekens, taxibusjes, bokalen vol benzine langs de weg, heilige krokodillen in een plas, controleposten met vriendelijke soldaten, savanne met acacia, karité en kapok. Taferelen voor een zwarte Brueghel, een intense Goya of een driftige Picasso ! Als we aan de grens het ritueel van visum en paspoort achter ons laten, draai ik me nog eens om : Burkina Faso is echt het 'land van de integere mensen'. Voor mij, tot aan de oceaan een paar honderd kilometer zuidelijker, ligt Natitingou, een oude slavenstad in het noorden van Benin. Omdat het regenseizoen is, met hoge grassen en verspreid wild, laten we de nationale parken van Pendjari en W links liggen. Erg vind ik dat niet, want ook het vroegere Dahomey is een bestemming voor ontmoetingen. Tussen wilde vegetatie slenter ik door een dorp van niks in een van de meest geïsoleerde landschappen in de historie van Benin. Ieder huis is het gezicht van een familie : naast de deuropening liggen fetisjen, die aangeven hoeveel mensen in deze tata Somba leven. Het is alsof ik als een ridder voor een miniburcht sta : muren met kantelen, strotorens en een plat dak. Maar de heer des huizes is een gastvrije man. Hij is een lid van de Somba - of correcter van de Bétammaribé - die voor de oprukkende slavernij toevlucht zochten in de heuvels van Atakora. Hij leidt me rond door zijn huis dat aan strengere regels voldoet dan eender welke wolkenkrabber. Omdat regen, kille wind en slechte geesten uit het oosten komen, ligt de ingang aan de westkant. Dat westen is voor de levenden, het oosten van de doden. Ook binnen in de donkere tata heerst de dood : daar bewaart het gezin de oogst, daar slapen de ouderen die, omdat ze de ladder niet meer kunnen beklimmen, al dicht bij de voorouders vertoeven. Op het dak heerst het leven, om te koken, te eten, voor nageslacht te zorgen en naar het uitspansel te kijken. De noordkant is het vrouwenrijk, de zuidkant behoort aan de man. Rondom bewaren de torentjes granen en zaden, de hoop op de toekomst. Een kleine kosmos in een Afrikaans universum. Hoe kan een samenleving middeleeuwse burchten, irrigatiesystemen en steden bouwen als regen, vochtigheid en breekbare aarde telkens weer alles vernietigen ? Alles moet hersteld worden, woning en tempel, een heiligdom, een brug. Regen en tijd, materialen in verval, de vergankelijkheid van een kostbare cultuur maakt van zwart Afrika een continent van mensen en bomen. Zozeer de verhalen oraal zijn, zozeer is het verleden breekbaar. Alles is afscheid, zo mooi, de hut die kort bestand is tegen de elementen, de vrouw die haar borsten opoffert aan haar zogende kinderen, de ceremonies van de geestmensen. En toch leeft dat nog authentieke Afrika. Op een troosteloos plein in Abomey staat het beeld van Béhanzin, de laatste koning uit de dynastie van Danxomé, die zich fel heeft verzet tegen de Franse kolonisator. Van de twaalf paleizen, eentje voor elke koning tussen zeventiende en eind negentiende eeuw, staan er nog twee overeind, van Ghézo en Glélé, sites waaraan het land zijn glorierijkste bladzijden dankt : fresco's die wapenschild en spreuk van de heersende Fon symboliseren, fetisjtempels, rekwisieten, mantels en een troon die steunt op vier mensenschedels, alles opgenomen in dat ondertussen geglobaliseerde erfgoed van de mensheid. Het rijk van Abomey is een van de meest legendarische koninkrijken uit de Afrikaanse geschiedenis. Aan de rand van de koningsstad sta ik na een tocht met chauffeur en brommer in een vochtig bos voor een soort orakelhut, het heiligdom van een fetisjeur die, omringd door beeldjes - allicht van Da en Buku, Hebiosso en Sapata - raad geeft en de nabije toekomst voorspelt. Hij praat, bezweert, zegt woorden die ik niet begrijp. Een andere wereld. We hebben als aardbewoners, millennia terug, onze wereld rijkelijk overstelpt met goden, raadsels, mythen, gestes en rituelen om onze angsten, duisternissen en onzekerheden te sussen. Maar ook om de harmonie met de ons omringende natuur in dankbaarheid te genieten. Sindsdien, sinds de naamgeving van de dieren door Eva en Adam, schrijdt de wereld voorwaarts in verval. Vooruitgang is warmte, voedsel en geborgenheid, beschutting tegen de elementen, dorpen en stadstumoren, landbouw en industrie en technologie, ontmythologisering, de dood van god en de vrijheid van de mens. Maar ook het verlies van de natuur, van harmonie en samenhorigheid. Ik wil niet terug naar archaïsche tijden, maar ondanks mijn sceptische blik kijk ik naar de voodooman en zijn gebaren, luister ik naar bezwerende maar onbegrijpelijke woorden, ik kijk naar beschimmelde beeldjes van onze voorouders en de geesten uit bos en beest, die me aanstaren als was ik een wezen uit een verre galaxis, die alles verloren heeft wat een mens gelukkig kan maken. In de ogen van de priester brandt afscheid, binnen minder dan een paar generaties zullen ook zijn rituelen verdwijnen in de Afrikaanse vooruitgang. Hij weet het nog niet, maar buiten loert onstuitbaar verlies. Misschien ben ik wel de bode van die vooruitgang, met mijn camera en illusieloze blik ? En toch voel ik, in de beschutting van deze bruinrode aarden muren, iets van de magie die het leven in dit bos voor ons verborgen houdt. Bij het afscheid drukken we elkaar de hand en ik weet dat we elkaar nooit zullen weerzien, tenzij in de herinnering van mijn schamele woorden. Geen legende, maar bittere realiteit : het grootse Dahomey was ook een slavenrijk. Aan zee in Ouidah vertrokken duizenden gevangenen naar de Amerika's, ze namen hun voorouders en rituelen mee, ze keerden nooit terug. Slavenhandel als commercie met de blanke man, een bevlekte bladzijde in een roemruchte geschiedenis. Als ik met een pirogue, een prauw, over de lagune schuif, denk ik aan al die stammen op de vlucht voor de roofzuchtige erfgenamen van de Fon : in de moerassige delta ontsnapten de Toffinou aan de mensenjacht en stichtten hun paaldorpen, met waterwegen en waterpleinen, waterwijken en huizen op stelten. Ganvié is een kleurrijk spektakel van houten woningen, winkels, drijvende markten en naar huis kerende vissers. Watermensen in een Afrikaans Venetië : een zachte overdrijving, maar een schoon afscheid bij een lange reis. Bij de grens met Togo brandt in Gran Popo de oceaan, golven masseren vermoeide lijfjes, op het witte strand verbroederen we met zwarte jongeren, we drinken een koel biertje en met een schone vriendin, wiegend in een hangmat, kijk ik naar de Afrikaanse sterrenhemel. Laat de weldoende nacht maar komen. TEKST EN FOTO'S MARK GIELEN