Van mij zou niets terechtkomen. Toch volgens de directeur van de lagere school in Sint-Genesius-Rode. Een moeilijk jongetje was ik. We moeten ingrijpen, moeten mijn ouders gedacht hebben en ze haalden mij weg uit dat dorp, de trein op naar de jezuïeten in Brussel. Voor die radicale keuze ben ik hun eeuwig dankbaar.
...

Van mij zou niets terechtkomen. Toch volgens de directeur van de lagere school in Sint-Genesius-Rode. Een moeilijk jongetje was ik. We moeten ingrijpen, moeten mijn ouders gedacht hebben en ze haalden mij weg uit dat dorp, de trein op naar de jezuïeten in Brussel. Voor die radicale keuze ben ik hun eeuwig dankbaar. 'Piet gaat op jacht'. Het eerste boekje dat ik zelf heb geschreven, teruggevonden in de nalatenschap van mijn vader. Kinderversjes op aan elkaar geniete blaadjes, naar het handschrift te oordelen was ik een jaar of acht. Ik weet het, het is een cliché, maar ik heb altijd geschreven. Voorlezen, je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen en nooit te laat mee stoppen. In de lagere school las de leraar Tsjip / De leeuwentemmer van Elsschot voor. Aan de universiteit had Hugo Bousset het lef ons, twintigjarigen, de hele Elias van Maurice Gilliams voor te lezen. Een prachtige stem had die man, de muziek van die tekst maakte een diepe indruk op mij. Niemand zit te wachten op een dichtbundel. Dat is het moeilijkste, jezelf overtuigen dat het belang heeft. En verder is dichten eindeloos prutsen en bestand zijn tegen de eenzaamheid. Een uitermate ongezonde bezigheid eigenlijk. Geen publiek moeten veroveren is een groot goed. Op de dichtbundels na, heb ik bijna altijd in opdracht geschreven . Een column in de krant, die lezers zijn er, je moet er niet voor vechten. Anderzijds houdt zo'n opdracht je bij de les, want ook al zijn er wel eens mindere stukjes bij, onder een bepaalde grens wil je niet gaan. Het beschrijven van geluk ligt heel gevoelig in de literatuur. Er is de terechte angst voor het sentiment. Kleine dagen drijft op herkenning. Iedereen is kind geweest, veel mensen hebben kinderen. De uitdaging is je gedachten zo te formuleren dat je de lezer toch verrast : Ha, zo had ik het nog niet bekeken. Ik ben niet van hier, maar ik wil wel van hier zijn. Soms ben ik jaloers op de eenheid van mensen die altijd op hun geboorteplek bleven wonen. Maar dat heeft ook zijn beperkingen. Tegelijk vreemd en vertrouwd : ik vind het goed dat Antwerpen voor stadsdichters kiest die van elders komen en zo een aanzienlijk deel van de bevolking vertegenwoordigen. Kinderen trekken je willens nillens de stad in. Mijn zoon speelt basketbal, de sport bij uitstek die de meest diverse mensen samenbrengt, uit alle lagen van de bevolking. En als ik zijn vrienden bezig hoor, een Marokkaan en een Wit-Rus, hoe die spelen met de clichés over de stad en over henzelf en ze vol humor ontkrachten, dat is het beste wapen tegen verzuring. I k leef tussen twee verschillende oren. Aan de ene kant het oor van het pietje-precies dat zijn taal onberispelijk schoon wil houden, aan de andere kant een oor dat welwillend aanhoort hoe die taal op straat en op de tram vrolijk verkauwd wordt door mensen uit alle windstreken. De tijd heelt niet alle wonden. En het leven is niet kort, het is best lang. Tijd, ik ben er zeer gevoelig voor, op het absurde af. Ook in die materie zijn humor en zelf-relativering onontbeerlijk, anders is het één doffe ellende. Bernard Dewulf (1960) is dichter, columnist en essayist. Met Kleine dagen won hij in 2010 de Libris literatuurprijs en in 2011 de Inktaap. Tegenwoordig is hij actief als dramaturg bij NTGent en sinds januari 2012 als officiële stadsdichter van Antwerpen. DOOR LINDA ASSELBERGS