Van de Noorse havenstad Bergen weet de buitenstaander doorgaans alleen dat het de meest regenrijke stad van Europa is. Gelegen op de Noorse westkust, geklemd tussen de fjorden, vangt de stad jaarlijks 250 dagen neerslag, maar juist daarom weten de inwoners elke zonnestraal te appreciëren.

Vandaag, terwijl ik me van het vliegveld naar de haven laat brengen en de taxichauffeur in het Latijn paragrafen uit Caesars De Bello Gallico uit het hoofd afdreunt, breekt een prachtige zon door de wolken, en dan is alle regenleed op slag vergeten. Bergen is ook niet zomaar een plek. De nederzetting verwierf al in de 11de eeuw het statuut van 'stad', was tot 1300 de hoofdstad van het land en zou gedurende de Middeleeuwen de belangrijkste handelsplaats van heel Scandinavië blijven.

De geschiedenis van Bergen is nagenoeg geheel opgehangen aan de aanwezigheid van de Hanze, de Duitse koopmansgilde die er al in de Middeleeuwen neerstreek en er handel en welstand bracht - naast wat wrevel her en der.

En eigenlijk is die invloed geenszins verdwenen: alles in Bergen draait eeuwen later nog altijd rond de Vågen, de komvormige haven, gelegen in de bescheiden zeearm die gekneld zit tussen een smalle landtong en het noordelijke stadsdeel. Aan de noordzijde van Vågen staat de trots van Bergen overeind: de 17 houten gevels, van vuilgeel tot bruinrood, van de voormalige Hanzehuizen, en daartegenover de terrassen van Zachen, waar de zeilbootjes aanleggen en de winderige markt elke ochtend de inwoners naar de benedenstad lokt.

De straten en pleinen rondom de Vågen liggen er min of meer vlak bij, maar de rest van de stad bestaat voornamelijk uit taaie hellingen die de wandelaars in de kuiten bijten. Op de landtong Nordnes leiden die steile, maar charmante gekasseide straatjes naar hogergelegen pleintjes met oude huizen of parken waar 's morgens de joggers doorheen snellen. Daar botst men op crèmekleurige houten villa's met donkere daken en hun keuvelende bewoners die de prille lente trotseren met ijsjes - alsof ze daarmee de zomer al willen binnenhalen.

Op Nordnes heeft men een prima uitkijk over de benedenstad. Daar heerst een aparte sfeer die men niet een-twee-drie kan vatten. Na de zomer gaat het snel bergaf met evenementen en festiviteiten; de inwoners bereiden zich dan voor op de donkere winter. De meeste musea zijn alleen gedurende de zomermaanden open, zodat de stad half september al een deel van haar vreugde ziet teloorgaan. Van dan af blijven ook de toeristen beperkt tot een handvol zonderlingen die wél weten dat Edvard Grieg er zijn eerste successen vierde of dat het Philharmonisch orkest van de stad het oudste van Europa én het oudste in zijn genre is.

De Kong Oscar Gate in het havencentrum is een bijzonder gezellige straat met cafés en eethuisjes, een paar antiekwinkels en wimpeltjes aan de gevels. 's Avonds eet ik er op de eerste verdieping van het Travellers Café bij Dr. Livingstone, waar Silence of the Lambs (coriander-marinated lamb, served with vegetables and couscous), Kiss of a red lip fish ( slices of garlic-marinated salmon in a cream sauce with tagliatelle) of Frankie goes to Singapore ( ginger and garlic-marinated filet of chicken with red peppers, onion and rice noodles) worden geserveerd. Het is er gezellig, de diensters van allerlei kleur informeren er naar de afkomst van de gasten en op een bierglas van vier deciliter lees ik: I would have run to him, only I was a coward in the presence of such a mob - I would have embraced him, only, he being an Englishman, I didn't know how he would receive me; So I did what cowardice and false pride suggested was the best thing - walked deliberately to him, took off my hat, and said : Dr. Livingstone I presume?

Bergen nodigt uit tot wandelen, omdat de lucht er zo heerlijk puur is en de geuren van de zee er in de straten hangen. Maar je bent er ook geneigd om de afstanden te onderschatten, omdat er telkens weer bulten en hellingen in de weg liggen. Maar waar je ook loopt, altijd kom je bij Bryggen uit, de wijk met de Hanzehuizen die uitkijkt op Vågen, een stukje Middeleeuwen dat grotendeels bewaard is gebleven, of vakkundig werd gerestaureerd. Omdat er zo weinig vlakke grond beschikbaar is in Bergen, werd hier al in de 14de eeuw een lap grond op de zee gewonnen, die wordt ondersteund door duizenden heipalen. De belangrijkste handelswaar was stokvis, maar ook levertraan en boter werden er verhandeld. De commercie met Engeland draaide om graan en bloem, met Duitsland om bier en wijn.

Halverwege de 13de eeuw al hadden Duitse handelaars zich her en der aangesloten in kleine hanzen. Die koopmansverenigingen ontstonden uit de wil van een kleine groep mensen om samen de schouders onder handelsprojecten te zetten. De hanzeleden waren mannen met kapitaal, schepen en een behoorlijke kennis van de zee. Ze hadden gemeenschappelijke belangen: ze wilden veiligheid en strakke prijzen. Verschillende Duitse steden gingen mettertijd zo'n grote rol spelen in de koopmansgilde dat ze een redelijke onafhankelijkheid verwierven, solidair werden met gelijkgezinden en zich aansloten bij de Hanseatische Liga waartoe tussen de 70 en 200 steden zouden behoren. De Hanzedag (1356-1669) bestuurde vanuit Lübeck de hele economische unie en domineerde lange tijd de handel tussen het oosten, dat grondstoffen aandroeg, en het westen, dat voor afgewerkte producten instond. De Hanseatische Liga bezat permanente handelsposten in Brugge, Londen, Novgorod en Bergen, waar enkele Duitse handelslieden in 1259 na de zomeractiviteiten waren blijven hangen. Daardoor konden ze vroege, aantrekkelijke koopcontracten sluiten, waardoor ze voordeel verwierven op de concurrentie. Die Duitse handelsaanwezigheid zette Bergen voorgoed op de kaart.

In het begin van de 16de eeuw hadden de handelslui Bryggen volledig in handen, en het havenkwartier groeide snel uit tot een stad in de stad. Die onafhankelijkheid werd nog benadrukt doordat de hanzeleden gehoorzaamden aan de Ordinanzen van de Hanzedag, zodat Duitse efficiëntie de export uit Bergen controleerde, veeleer dan een of ander lokaal politiek gezag. Die situatie liep wel eens uit de hand en in een kwaad moment werd zelfs een afgezant van de koning vermoord.

Achter de houten gevels van de pakhuizen van toen heerst nog altijd de sfeer uit die dagen. In duistere kantoortjes werd een Hanseatic Museum opgezet dat een must is voor elke bezoeker die wat wil opsteken van de lokale geschiedenis. Daar loopt men nu door de vergaderzalen, de keuken, de verblijven en de slaapvertrekken van leden en leerjongens. De ruimtes zijn vakkundig gerestaureerd, compleet met de gebruiksvoorwerpen uit die tijd. Op 19de-eeuwse foto's staan de kades voor de huizen volgestapeld met tonnen en karren, terwijl binnen in de ruimtes de stokvis hoog ligt opgestapeld.

De Hanze genoot niet alleen van een doorgedreven economische onafhankelijkheid, maar had ook eigen regels en straffen. Van lijfstraffen voor de armere leden, tot geldstraffen voor de meer gegoeden.

's Ochtends beklim ik langs hellende straatjes de Nordnes-heuvels, tot aan het Klosteret-pleintje, dat omringd is met prachtige herenhuizen. Vandaar wandel ik westwaarts naar het uiterste punt van de landtong, ontmoet er vrouwen met kinderen op de rug en jongelui met racefietsen, peddelend naar het werk. De bescheiden heuvel is een ideale plek om 's morgens een frisse neus te halen en een blik te werpen op de zuidkant van de stad waar sleepboten bijeenliggen en snelle ferry's wegvaren. De industriële haven leeft en werkt, is grootser maar minder gezellig dan de oude haven rond Vågen.

Wie de stad helemaal vanuit de hoogte wil bekijken, kan ook de Floibanen nemen, het treintje dat in acht minuten naar een hoogte van 320 meter klimt en voor adembenemende vergezichten zorgt.

In de namiddag ga ik, zoals de inwoners, winkelen en kuieren op de Torgalmenningen, het brede plein dat de nieuwe benedenstad beheerst en omringd wordt door een paar van de grote hotels met fraaie terrassen. Vlakbij ligt de vijver SmåLungeren, met het smeedijzeren muziekpaviljoentje en de kunstgaleries. Een oase van rust in een steeds drukker wordende binnenstad.

Sfeervoller is de oudere buurt rond de Korskirken, het kerkje omgeven met kastanjebomen, waar een paar antiekhandelaars zijn neergestreken en waar ik koffie drink aan een van de twee tafeltjes op het trottoir van Godt Brod, de okologisk bakverk die met geuren van vers brood en gebak de voorbijgangers verleidt. En waar een geitenwollensokkenpubliek gezondheid per snee bestelt.

Misschien is het omdat we de Noren onderschatten, dat we Bergen eerder met kilte en regen associëren dan met cultuur en een rijke geschiedenis. Nochtans krioelt het er van de musea: een museum van de lepra in het Sint-Jorishospitaal, een technisch museum, een museum van de Hanze natuurlijk, een museum van arts et métiers, en natuurlijk een nationaal vismuseum.

Even buiten de stad liggen optrekjes om van te dromen. Zo'n 12 kilometer ten westen van Bergen verrijst uit het landschap de 18de-eeuwse Alvoen-manor van de familie Fasmer, die een collectie meubelen, zilverwerk, porselein en oosterse stoffen herbergt. Dichterbij nog ligt de manor van Damsgård, een van de best bewaarde houten huizen van heel Europa. Het werd in 1770 gebouwd, op last van meneer Gyldenkrantz, de toenmalige oorlogsminister, en kreeg een indrukwekkende rococogevel en een planten- en groentetuin.

En dan is er natuurlijk nog Troldhaugen, het huis van Edvard Grieg dat eind 19de eeuw in een prachtig kader werd opgetrokken, vlakbij het Nordås-meer. De componist verbleef er gedurende 22 jaar. Het huis, waarvan het oorspronkelijke interieur werd bewaard, is uiteraard tot museum omgevormd. In de tuin is ook het chalet waar Grieg werkte intact gelaten zoals het was op de dag van zijn dood. En even verder bij het meer kan je de plek bezoeken waar het echtpaar begraven ligt.

Kerkgangers en historici vinden in Bergen een weelde aan kleine kerkjes. Een van de aardigste is ongetwijfeld de Mariakirken die meer dan acht eeuwen oud is en daarmee het oudste gebouw van de stad. De kerk was de favoriete bidplaats van - alweer - de Duitse handelaars, die in ruime mate hebben bijgedragen tot het onderhoud en het opluisteren van het interieur. Maar natuurlijk overtreft niets het stafkerkje van Fantoft met zijn interessante, verticale houten constructie - een van de dertig die zijn overgebleven van de achthonderd die eertijds in het land werden opgetrokken. Al klopt het idyllische beeld niet helemaal: het stafkerkje dat oorspronkelijk in Fortun stond, werd in 1884 naar Fantoft overgebracht en heropgericht. En als om te protesteren tegen die gedwongen verhuizing vatte de constructie acht jaar geleden vuur, maar werd vervolgens weer minutieus gekopieerd.

Pierre Darge