Bolzano ( Bozen in het Duits), de hoofdstad van het Italiaanse Zuid-Tirol, omringd door de Dolomieten met hun witte mutsjes, is voor leken misschien niet de evidente startplaats voor een makkelijke fietsreis. Maar het bergstadje is een levendige fietsstad. Het zonneterras aan de zuidkant van de Alpen is bovendien een zeer welvarende plek, de Italiaanse frivoliteit weet er zich te verzoenen met de regelvaste Oostenrijkse aard.
...

Bolzano ( Bozen in het Duits), de hoofdstad van het Italiaanse Zuid-Tirol, omringd door de Dolomieten met hun witte mutsjes, is voor leken misschien niet de evidente startplaats voor een makkelijke fietsreis. Maar het bergstadje is een levendige fietsstad. Het zonneterras aan de zuidkant van de Alpen is bovendien een zeer welvarende plek, de Italiaanse frivoliteit weet er zich te verzoenen met de regelvaste Oostenrijkse aard. De Via dei Portici ( Laubengasse), die driehonderd meter lang de centrale as vormt van de Zuid-Tiroolse hoofdstad, kan zich zonder blozen de oudste winkelstraat van Europa noemen. Ook al zijn de oudste panden hier van rond 1500, de Portici trokken in de twaalfde eeuw al Duitse kooplieden aan voor ruilbeurzen. De boogarcaden houden de shoppers en koopwaar droog en bieden schaduw. Oorspronkelijk waren de winkels smalle pijpen, net geen vier meter breed en wel vijftig meter diep. De H&M's en Intimissimi's hebben veel van die pijpenladen samengevoegd tot een boetiek met hedendaagse proporties. Aan het westelijke eind van de straat loop je plots de afdeling groenten en fruit in. De Piazza delle Erbe ( Obstplatz) is al eeuwenlang het decor van kramen met een onovertroffen aanbod. Look en pepertjes moeten er bij de Zuid-Tirolers ingaan als snoepgoed, zo massaal worden ze verhandeld. Op de Piazza Walther ( Waltherplatz), het grote marktplein, delen minuscule espresso's de terrastafels met literglazen bier, er klinkt Italiaans en Duits. Onder het standbeeld speelt een Strassenmusikant het deuntje van The Third Man op zijn traditionele citer. Kinderen vergapen zich aan de oude, vlugge vingers en aan dat mysterieuze pingelpongeltafeltje. Dat standbeeld in het middelpunt is nu eens niet opgericht voor een vorst of een succesrijke oorlogsheld, maar voor Walther von der Vogelweide, een lokale singer-songwriter uit de middeleeuwen, een minnestreel. Zo lieflijk charmant is Bolzano. We kunnen kiezen uit een zestal musea, waaronder het MMM, over de legendarische bergbeklimmer Reinhold Messner, en het Archeologisch Museum, dat wereldberoemd is door de 5300 jaar oude Ötzi, de mummie uit het bronzen tijdperk die in 1991 werd gevonden in de Italiaanse Alpen. Maar we laten ons verleiden door het Museion, de glazen kubus waar de hedendaagse kunst thuis is. Ook hier geldt de paradox : het museum maakt meer indruk dan zijn collectie. Achter het Museion raast de Talvera ( Talfer). Over dat snelstromend bruin bergriviertje golven twee speelse bruggen, één voor fietsers, de andere voor wandelaars. Zo geordend is Bolzano. Iets verderop, waar de Talvera in de Isarco ( Eisack) stroomt, vertrekken we morgen per fiets, de heuvels in richting Trente. Maar voor vanavond hebben we een tafeltje gereserveerd in Vögele - Roter Adler, het restaurant dat in zijn eentje het gastronomisch erfgoed van de stad kan schragen. In de dertiende eeuw was het al een herberg, ook Goethe zou er in september 1786, bij het begin van zijn Italienische Reise, met plezier getafeld hebben. Als die destijds ook van het Kalbsbraten of Hirschmedaillon heeft geproefd, begrijp ik zijn lof voor de Zuid-Tiroolse keuken. Het is zondagochtend als we in het zadel springen, Bolzano draait zich nog eens behaaglijk om onder de donsdeken, we hebben de straten bijna voor ons alleen. Feilloos gegidst door het roadbook vinden we het fietspad van de Isarco naar de Adige ( Etsch). Het pad trekt glooiend de wijngaarden in, hier en daar moeten we recht op de trappers. Tiens, zouden we niet afdalen naar zee of hou ik de fietskaart ondersteboven ? Toch niet, daar ligt een meer, precies wat de kaart aangeeft : Lago di Caldaro. Vooruit dan maar. De wijnranken verdwijnen stilaan uit beeld. Appels en peren vullen het panorama, kilometers links, kilometers rechts. De houten containers staan al op de plukkers te wachten. Ter hoogte van Ora houden de glooiingen op, we peddelen de rest van de 75 km simpelweg langs de Adige, de hoofdader van Zuid-Tirol. In het dal van de Adige loopt alles parallel naast elkaar, als kabeltjes van een nutsbedrijf : de spoorweg, snelweg, rivier en het fietspad. Alles ernaast en ertussen heet fruitboom. Salorno doorrijden is meteen het afscheid van het tweetalige gebied. Nergens hebben we overschilderde naamborden of bekladde wegwijzers gezien. Italiaans en Duits leven in Zuid-Tirol vredevol in stereo. Toch klinkt het vreemd om een carabiniere in vol ornaat Grüss Gott te horen zeggen. Vanaf Salorno wordt dat simpel ciao, buongiorno of zelfs salve, dat recht uit de klassieke oudheid aanwaait. Het is nog lekker warm als we het historische Trente bereiken. In de zestiende eeuw zochten bisschoppen en kardinalen hier drie jaar naar antwoorden op de Reformatie. De roomsen hadden in Europa regio na regio verloren aan de protestanten. Hoe het concilie ook probeerde de puntjes op de i te zetten, die uittocht bleek onomkeerbaar. Maar het stadje bemachtigde in die drie jaar wel een vaste stek in elk geschiedenisboek. Volgden we gisteren de Adige, dan is vandaag de Brenta onze metgezel. Opnieuw is een vlekkeloos fietspad uitgerold, minder rechtlijnig dan op de Adigedijk, maar slalommend van linker- naar rechteroever, soms zigzaggend het bos in. Onderweg zien we de laatste Duitse accenten van de dorpshuizen verdwijnen. Er kruist ons zowaar een Vespa en zelfs een Piaggio Ape, de trouwe driewieler van de Italiaanse keuterboer, van hier tot in de verste hoeken van Sicilië. We passeren de laatste Dolomietenflanken, een paar kilometer voor Bassano del Grappa vouwt het landschap open, de appel- en perenplantages gaan over in grijsgroene olijfgaarden. Elke kilometer oogt Italiaanser dan de vorige. We rijden Bassano del Grappa binnen langs een kolonie zonnekloppers, ze liggen te bakken op reuzenkeien in de Brenta, roerloos als robben. De stad toont meteen haar visitekaart : de overdekte houten brug van Andrea Palladio. Die is al vijfmaal opnieuw opgebouwd na oorlog of natuurgeweld, maar telkens op basis van de originele plannen van de vader van de symmetrie en de perfecte verhouding, een kind van de streek. In 1948 is de huidige brug gebouwd door de alpenjagers, zeg maar de zware jongens van het Italiaanse leger. Sindsdien heet de Palladiobrug de ponte dei Alpinini. Net over de brug betaal je geen stadstol, maar een originele variante : voor twee euro kun je 'de beste grappa ter wereld' proeven bij Bortolo Nardini. Een mooie traditie is dat, maar het glaasje slaat recht in de fietskuiten. Het is nog vroeg voor conclusies, misschien ben ik wat voorbarig na twee dagen in het zadel : dit is een prima formule voor wie geregeld op zondag gaat fietsen maar zich nog nooit aan een fietsreis heeft gewaagd. Het traject loopt lekker, de fietswegen zijn perfect, net als de bewegwijzering. En de start- en eindpunten zijn het bezoeken waard : Bolzano, Trente, Bassano del Grappa, en dan hebben we nog Vicenza en Padua en Venetië te goed. Een lekke band als ik te voorbarig ben geweest. Midden in het web van hellende, smalle straatjes van Bassano staan we plots voor In Gamba, een winkel vol look en pepertjes. De lookman, die trots in het Nederlands tot tien telt om te bewijzen hoe vriendelijk hij is voor toeristen, bereidt ook heerlijke tapenades van look, kappertjes en peterselie. Maar hoe stop je een bokaal tapenade in een fietstas ? De brug van Palladio hebben we gehad, we zetten koers naar de stad van de architect, Vicenza. Merkwaardig detail : die bouwmeester had geen master na master op zak, hij is begonnen als steenhouwer/metselaar. Letterlijk steen voor steen bouwde hij zijn expertise op. Nog opvallender : op de Piazetta Palladio in Vicenza, naast zijn basiliek, die nu helaas in de steigers staat, neemt hij een onverwachte pose aan. De meer dan levensgrote stenen Palladio kijkt van zijn sokkel neer terwijl hij met de wijsvinger in zijn baard priemt. Geen idee waar die gebarentaal in de zestiende eeuw op alludeerde, nu betekent het zoveel als ik heb jullie allemaal goed liggen.Op de Piazza dei Signori, onder de twee zuilen met de beelden van de leeuw van Sint-Marcus en de Verlosser, installeren we ons op een terras voor een glas wijn. En nog een. We zitten met de neus op een naderende trouwpartij. In een perfecte maar nonchalante operetteregie vult het plein zich geleidelijk met figuranten op stiletto's, in glimmende zwierige jurken, zelfs in witte pakken (ze bestaan nog, de Italianen in wit pak en zwart hemd). Glazen klinken, zonnebrillen verhuizen van neus naar voorhoofd en terug, neefjes blijken gegroeid, de berg boeketten op het terrastafeltje helt vervaarlijk over. Onmogelijk te volgen wie tegen wie spreekt, wie poseert en wie fotografeert. Het paar laat lang op zich wachten, maar wachten is ook een kunst. Vicenza heeft aan Palladio een vermelding op de Unescolijst te danken. Behalve zijn Basilica Palladiana liet hij een aantal opmerkelijke villa's na in en om de stad, zoals Palazzo Valmarana, Villa la Rotonda, Palazzo Chiericati en het Teatro Olimpico. Op weg naar Padua, en zeker langs de Brentakanalen, staan nog talloze palladi-aanse villa's die niet van hem zijn, want de man bleef na zijn dood (1580) minstens twee eeuwen de geldende bouwnorm. De basiliek van Padua valt volledig buiten zijn invloedssfeer. Niet de harmonie, maar groot, groter, grootst blijkt hier het motto. De 'devotiepolitie', die zoals aan veel Italiaanse kerken postvat om shorts, minirokken of korte mouwen te spotten, tolereert hier zelfs geen fietsen op het voorplein. Veel aangenamer is de sfeer in de oude binnenstad met haar arcadegalerijen en studentenbuurten. Galileo Galilei is in de annalen van de universiteit van Padua de beroemdste docent. Hij werkte hier van 1592 tot 1610 als hoogleraar meetkunde, mechanica en sterrenkunde, vóór hij verketterd werd door het Vaticaan omdat hij de zon en niet de aarde als middelpunt van het universum aanduidde. Maar veel meer dan een simpele gedenkplaat aan zijn huis vinden we niet terug. Op weg naar de lagune van Venetië stoppen we in San Pietro bij de Villa Pisani. Het bombastische bouwwerk met gebeeldhouwde bodybuilders in de voorgevel is nu staatseigendom en wordt gebruikt om tentoonstellingen in onder te brengen. Het doolhof van hoge buxus in het ommuurde park blijkt na 250 jaar nog altijd een trekpleister, ook de iPod-passant kan dit antieke amusement moeilijk weerstaan. Bij het buitenrijden van San Pietro zien we in het Brentakanaal een paar boten aangemeerd liggen die overduidelijk Venetiaans van ontwerp zijn. We naderen onze eindbestemming. Wie ooit naar Venetië reed over de drukke, acht kilometer lange brug vanuit Mestre, langs de spoorweg en met raffinaderijen als decor, heeft er geen benul van hoe idyllisch rustig het zuidelijke alternatief is. We rijden haast alleen over de dijken, hier en daar zit een visser in de schaduw van een struik. Alleen de watervogels hebben ons opgemerkt. Net voor we passeren vliegen de eenden, futen en waterhoentjes enkele meters op, omdat het ze zo geleerd is, niet omdat we er gevaarlijk uitzien. Na een uurtje peddelen door een vooroorlogs stil landschap krijgen we de haven van Venetië in het oog. We rijden Chioggia binnen en steken meteen door tot helemaal aan de kade. Er legt net een vaporetta aan, de varende lijnbus. Op de Corso del Popolo zitten de terrassen overvol. Chioggia wil eruitzien als Venetië in het klein, met dezelfde bruggen en met gondels op de kanaaltjes. Alles ademt vakantie. De finale rit heeft nog een paar verrassingen in petto. Driemaal moeten we met de fiets de ferry op : van Chioggia naar Pellestrina, dan naar het Lido en ten slotte naar de dogestad zelf. Pellestrina en Lido scheiden de lagune van de zee, twee uiterst smalle eilanden (elf en twaalf kilometer lang en nauwelijks enkele honderden meter breed), elk met een eigen karakter. Op het Isola di Pellestrina zijn de vissers en scheepsherstellers thuis, het wasgoed hangt er uit elk raam. Isola del Lido trekt voluit de kaart van glamour. Sterrenhotels staan er in de rij, met een portier in livrei aan de deur. Tijdens onze trip is het 66e Filmfestival van Venetië aan de gang, het jaarlijkse sterrenfeest op het Lido, de strijd om de Gouden Leeuw. Auto's worden ver uit de buurt van la Mostra gehouden, met de fiets kunnen wij zo langs (niet óp) de rode loper. Gisteren was George Clooney hier te gast, vandaag Knack Weekend. Iets verderop oogt Hotel Des Bains, waar Dood in Venetië is gefilmd, zeer verleidelijk om uit te blazen van de fietsreis. Maar de ferry biedt een niet te versmaden alternatief. Het blijft de mooiste entree in de dogestad. En wat die voorbarige conclusies betreft : ik kreeg géén lekke band.TEKST EN FOTO'S IGNACE VAN NEVEL