Bernhard Willhelm, de fantasie aan de macht

Voor zijn tweedejaarscollectie op de Antwerpse Academie kreeg hij de Weekend Knack-prijs en ook na het afstuderen (in 1998) bleven weinigen onberoerd voor de mode van de Duitse Bernhard Willhelm (°1972). Tijdens zijn schooljaren liep hij al stage bij onder anderen Vivienne Westwood, Walter Van Beirendonck en Alexander McQueen, en zelf liet hij er ook geen gras over groeien : nog geen jaar na het behalen van zijn diploma gaf hij al een eerste vrouwendefilé in Parijs (maart 1999). Meteen liet hij een hoogst persoonlijke, erg herkenbare stijl zien : eclectisch en humoristisch, een patchwork van verschillende invloeden (folkloristisch, etnisch, popcultureel) en driedimensionale, organische vormen. Willhelm spaart zijn fantasie niet op, maar draait de kraan net open : kleuren, motieven, prints en woorden, allemaal overheen duchtig experimentele coupes. De IJslandse zangeres Björk blijkt een fan (ze draagt een Willhelm-outfit tijdens de uitreiking van de Amerikaanse Golden Globe Awards in november 2000) maar ook klanten in Japan, Amerika en Groot-Brittannië doen zijn reputatie stijgen. In 2000 toont hij voor het eerst mannenmode, die hij later via afzonderlijke defilés showt. In januari 2002 is hij eenmalig hoofdredacteur van het Belgische blad Nr. B. Later datzelfde jaar wordt hij aangesteld als ontwerper van de vrouwenlijn van het Romeinse couturehuis Capucci. Sinds vorig jaar heeft Willhelm zijn atelier van Antwerpen naar Parijs verhuisd.
...

Voor zijn tweedejaarscollectie op de Antwerpse Academie kreeg hij de Weekend Knack-prijs en ook na het afstuderen (in 1998) bleven weinigen onberoerd voor de mode van de Duitse Bernhard Willhelm (°1972). Tijdens zijn schooljaren liep hij al stage bij onder anderen Vivienne Westwood, Walter Van Beirendonck en Alexander McQueen, en zelf liet hij er ook geen gras over groeien : nog geen jaar na het behalen van zijn diploma gaf hij al een eerste vrouwendefilé in Parijs (maart 1999). Meteen liet hij een hoogst persoonlijke, erg herkenbare stijl zien : eclectisch en humoristisch, een patchwork van verschillende invloeden (folkloristisch, etnisch, popcultureel) en driedimensionale, organische vormen. Willhelm spaart zijn fantasie niet op, maar draait de kraan net open : kleuren, motieven, prints en woorden, allemaal overheen duchtig experimentele coupes. De IJslandse zangeres Björk blijkt een fan (ze draagt een Willhelm-outfit tijdens de uitreiking van de Amerikaanse Golden Globe Awards in november 2000) maar ook klanten in Japan, Amerika en Groot-Brittannië doen zijn reputatie stijgen. In 2000 toont hij voor het eerst mannenmode, die hij later via afzonderlijke defilés showt. In januari 2002 is hij eenmalig hoofdredacteur van het Belgische blad Nr. B. Later datzelfde jaar wordt hij aangesteld als ontwerper van de vrouwenlijn van het Romeinse couturehuis Capucci. Sinds vorig jaar heeft Willhelm zijn atelier van Antwerpen naar Parijs verhuisd. Na zijn studies aan de Antwerpse Academie, trok Christophe Charon (°1966) naar Parijs om er te werken voor Jean-Charles de Castelbajac. In 1991 won hij de felbegeerde Gouden Spoel met een visionaire collectie die toen al alle elementen bevatte waarrond hij nog steeds werkt : een conceptuele herinterpretatie van workwear, sportswear en andere utilitaire kledingstijlen, het gebruik van kleur als psychologische herkenningsfactor en het contrasteren van materialen. Hij werkte een aantal jaar in België voor verschillende modemerken, bracht enkele seizoenen een minimale couturelijn voor vrouwen en richtte in 1996 zijn eigen mannenlabel op in Parijs, C. Charon/Paris. Hij opende er een shop, die tegelijk zijn showroom en uithangbord was. Zijn collecties vat hij op als garderobes die zowel klassieke als strikt utilitaire aspecten vermengen, steeds met de nadruk op kleurgebruik en functie. In september 2003 opende hij een vernieuwde versie van zijn shop in Parijs. Hij verkoopt ook in Amerika, Japan, België en Groot-Brittannië. Dirk Bikkembergs (°1959) behaalde zijn diploma aan de Antwerpse Academie in 1982. In 1985 won hij de Gouden Spoel ; de belangstelling resulteerde in het aanbod een mannenschoenencollectie op de markt te brengen, wat in 1986 een feit werd. Alleen al met zijn schoenen wist Bikkembergs een stempel op de mannenmode te drukken : viriel, zelfverzekerd en geërotiseerd was het statement, zonder schroom om van de norm af te wijken. In 1987 kwam er voor het eerst een volwaardige kledinglijn (Dirk Bikkembergs Men) waarmee hij zijn manbeeld kon neerzetten. In tegenstelling tot de kleren van vele mannenlabels uit die tijd, dienden de outfits van Bikkembergs niet om een (werk)functie te illustreren, maar huldigden ze de man en zijn lichaam zelve, vandaar de vele referenties naar allerhande sporttakken en militaire looks. Ook qua constructie waren de ontwerpen van Bikkembergs solide, praktisch en krachtig. Als lid van de Zes van Antwerpen toonde hij zijn mode tijdens de modeweek in Londen, in 1987. Een jaar later was er de eerste eigen show in Parijs. Hij zette zijn productie in Italië op, en verruimde zijn veld met de introductie van een vrouwenlijn, in 1992. In 1996 kwam er een derde lijn, simpelweg Bikkembergs geheten. Hoewel hij al in het begin van zijn loopbaan stelde dat er voor een man niets beters bestaat dan een wit T-shirt, jeans en sneakers, duurde het tot 2000 alvorens hij zijn geperfectioneerde versie van de denimbroek lanceerde (Bikkembergs Jeans Collection). In Italië groeide zijn fascinatie voor voetbal, wat hij steeds duidelijker maakt in zijn recente collecties. Niet alleen nodigt hij profvoetballers uit om voor hem te defileren ; in 2003 werd hij tevens aangesteld als officiële klerenmaker voor het Italiaanse topteam Inter Milan. Hans De Foer (°1966) trekt, na het behalen van zijn einddiploma aan de Antwerpse Academie in 1989, naar Parijs, waar hij aangenomen wordt door Jean-Charles de Castelbajac. Hij werkt er tot 1995, en gaat dan aan de slag bij Jean Paul Gaultier, voor diens zijlijn Sportswear JPG en later als assistent voor diens couturecollecties. Na drie seizoenen bij de excentrieke Franse meester, gaat Hans De Foer ook in de leer bij die andere god, Azzedine Alaïa. In 2001 presenteerde De Foer in Parijs zijn eerste vrouwencollectie : down-to-earth maar speels en verfijnd. Thimister, geboren in het Nederlandse Maastricht, studeerde in 1987 af aan de Antwerpse Academie. Hij trok daarna naar Parijs en deed werkervaring op bij Patou en Karl Lagerfeld. In 1990 werd hij als hoofdontwerper aangenomen bij het gereputeerde huis Balenciaga, waar hij tot 1995 werkte. Daarna ging hij solo : onder zijn eigen naam bracht hij in 1997 prêt-à-porter, daarna couture, steeds met zin voor klassiek ambacht gemaakt, maar hedendaags geïnterpreteerd. In 1999 begint hij collecties te tekenen voor het grote Italiaanse modemerk Genny. Martin Margiela (°1959) studeerde af aan de Antwerpse Academie in 1979. In 1983 raapte hij enkele eervolle vermeldingen op tijdens de editie van de Gouden Spoel, maar verkoos zich niet te binden aan de rest van zijn ex-schoolgenoten (die later als de Zes van Antwerpen het mooie weer maakten). In plaats daarvan trok hij naar Parijs, waar hij van 1984 tot 1987 als de assistent van Jean Paul Gaultier werkte. In 1988 richtte hij in Parijs, samen met Jenny Meirens, La Maison Martin Margiela op. Sindsdien presenteert hij collecties die het algemene aanzicht van de mode diep hebben beïnvloed en getransformeerd. Eind jaren tachtig veroorzaakte hij een breekpunt in de modehistoriek met zijn avant-gardistische ontwerpen die de term 'decon-structivistisch' opgeplakt kregen. Hij presenteerde onafgewerkte zomen, zichtbaar gemaakte figuurnaden, halve mouwen en gescheurde stoffen, maakte van de binnenkant van kleren de buitenlaag, verwerkte ongewone materialen als jute en plastic en contrasteerde zijn brute lijnen met technisch vernieuwende vormen, zoals de blazers met het te nauwe, verhoogde schoudertje en laarzen met een hoefvorm. Na de initiële schok werd duidelijk dat Margiela niet anti, maar juist pro kleding was : hij promootte bijvoorbeeld traditionele kleermakerstechnieken, assembleerde en recycleerde delen van oude kledingstukken tot nieuwe items en hermaakte definitieve, archetypische kledingstukken in andere, veelal vergrote proporties. In de kleren van Margiela is vaak het maakproces af te lezen, maar zijn sterkte ligt erin dat hij het ongebreideld experimentele draagbaar en flatterend kan maken. Ook zijn presentaties bleken baanbrekend : hij showde op ongebruikelijke locaties (metrostations, fabrieken) of via films of performances. Hij bedacht een systeem voor de structurering van zijn verschillende lijnen : aangezien er nooit naamlabels in zijn kleren hangen, enkel een rechthoekig stukje witte stof, geeft hij met lukraak gekozen cijfers aan om welke divisie het gaat : '6' voor de vrouwenlijn, '10' voor de mannenlijn, '22' voor de schoenenà Margiela reageerde ook op het doorsnee profiel van de modeontwerper door zich nooit te laten fotograferen en enkel interviews via fax te geven. In juni 1997 organiseerde het Rotterdamse museum Boijmans Van Beuningen een retrospectieve tentoonstelling, waarbij Margiela zijn kleren onder andere liet aanvreten door bacteriën. In 1998 werd hij aangesteld als permanente hoofddesigner van de vrouwenlijn van het Franse luxehuis Hermès. (Nu heeft Jean Paul Gaultier dat overgenomen.) In september 2000 opent de allereerste Margiela-shop in Tokio, Japan. De tweede volgt in Brussel, in februari 2002 en vier maand later komt er een derde in Parijs. In de loop van zijn carrière nam Margiela deel aan talrijke tentoonstellingen en zijn kleren zijn aangekocht door musea over de hele wereld. Zonder zijn opleiding af te maken (hij verliet de Brusselse modeschool La Cambre in januari 1997) stond Olivier Theyskens (°1977) in het najaar van 1997 al op de Parijse defilékalender met een volwaardige collectie die hij evenwel niet te koop aanbood. Maar dat laatste deed er niet toe, want de pers had al een hele kluif aan het macabere, gotische spektakel dat de toen piepjonge Theyskens hen voorschotelde. Schedels, opgezette vogels, Victoriaanse hoepeljurken, korsetten met haakjes en ogen en bodysuits met bloedbanen : geen wonder dat Theyskens als de nieuwe prins van de duisternis werd toegejuicht. Niemand minder dan Madonna droeg tijdens de Oscaruitreiking van 1998 één van die jurken, en ook de gezaghebbende Amerikaanse Vogue schreef hem de hoogte in. Toch hield deze Brusselaar het hoofd koel : zijn volgende vrouwencollecties behielden een gotische, dreigende sfeer, maar tegelijk bewees hij dat hij ook sexy, elegante én draagbare kleren kon tekenen. Medio 2002 laste hij even een adempauze in, maar op het moment dat velen dachten dat Theyskens zijn snelle klim naar de top aan het uitzweten was, kwam er het nieuws dat hij door het Franse modehuis Rochas als hoofdontwerper was aangenomen. De eerste prêt-à-porter van Rochas, gesigneerd Theyskens, werd begin 2003 in Parijs getoond, onder luid applaus. Patrick Van Ommeslaeghe (°1965) studeerde af aan de Antwerpse Academie in 1990. In 1992 vertrok hij naar Parijs, alwaar hij tot 1995 werkte als eerste assistent bij het couturehuis Balenciaga (indertijd onder leiding van Josephus Thimister). Daarop volgde een jaar op het atelier van Jean Paul Gaultier, waarna hij twee jaar de rechterhand was van de Franse cultcouturière Adeline André. Begin 1999 presenteerde hij zijn eerste vrouwencollectie in Parijs en kreeg meteen de Andam-prijs van het Franse ministerie van Cultuur. In totaal maakte Van Ommeslaeghe vier opeenvolgende collecties, maar ondanks het kleine volume bleken zijn regale, tot de essentie geminimaliseerde wikkelvormen en monochrome inkleuringen naast invloedrijk ook tijdloos, een aspect dat Linda Loppa onderschreef toen ze hem uitnodigde voor een retrospectief defilé tijdens het openingsgala van het Antwerpse Modemuseum (september 2002). In 2001 en 2002 fungeerde Van Ommeslaeghe als assistent/consultant bij het Italiaanse modehuis Pucci. Sami Tillouche (°1964) studeerde mode aan het Brusselse La Cambre (1986-1987) en won de tweede prijs tijdens het Gouden Spoel-evenement in 1989, wat hem een job als assistent bij Romeo Gigli opleverde. In 1994 lanceerde hij een mannencollectie, en werkte tot 1999 voor verschillende huizen (onder meer Joseph en Malo). In 2000 lanceerde hij in Parijs zijn eigen breigoedcollectie, voor mannen en vrouwen, waarin hij vooral zijn technische onderlegdheid en zijn gevoel voor subtiele moderniteit kan etaleren. De Luikse Véronique Leroy (°1965) trok in 1984 al naar Parijs voor een modeopleiding ; in 1987 behaalde ze haar diploma aan Studio Berçot. Ze deed ervaring op bij Azzedine Alaïa, en daarna bij Martine Sitbon. In 1989 won ze de Gouden Spoel, dankzij een collectie waarmee ze voor eens en altijd haar signatuur duidelijk maakte. Leroy is immers 'on-Belgisch', in die zin dat geen enkel karakteristiek die ooit aan de algemene Belgische mode is toegeschreven (deconstructivistisch, donker, gelaagd, no-nonsense, conceptueel, historisch... vul zelf aan) op haar werk van toepassing is. In de door minimalisme getypeerde jaren negentig viel ze op met haar radicale, sexy ontwerpen, vol echo's uit de jaren zeventig en (toen al) tachtig. Aan wat velen als slechte smaak beschouwen, haalt ze haar hart op : lurex, vinyl, polyester, nepbont, peroxide, hotpants, zonnekleppen en vleermuismouwen, Leroy heeft ze gerevitaliseerd, zonder, en dat is belangrijk, een ironische knipoog. Integendeel : ze slaagt erin haar voorkeuren chic, elegant en waardevol te maken. Deze pittige pionier richtte in 1990 haar eigen atelier op, won tot drie keer toe de Franse Vénus de la mode-award en blijft onafhankelijk opereren.