Altijd krijg ik de luxeopdrachten, de prestigeprojecten", zegt ze. Nedda El-Asmar besloot twintig jaar geleden om 'iets driedimensionaals' te studeren. Ze kwam bij juweelontwerpers terecht en verbreedde onmiddellijk haar terrein naar gebruiksvoorwerpen voor aan tafel. En toch. "Een opdracht voor plastic krijg ik zelden."

Nedda El-Asmar : Door het feit dat ik al deze producten (zie tijdlijn) heb ontworpen, word ik constant in een vakje gedrukt. Toen de afdeling keramiek van Villeroy&Boch me vroeg om samen te werken, dacht ik : 'Eindelijk mag ik een porseleinen servies ontwerpen.' Krijg ik natuurlijk weer de vraag om een zilveren collectie. (lacht)

Als een producent me vraagt om een meubel te tekenen, dan ga ik daar graag op in, want ik leer graag bij. Meubels ontwerpen, dat is nadenken over andere technieken en materialen dan ik gewoon ben. Het schrikt me niet af, integendeel. Want waar draait het om in mijn job ? Hoe een materiaal zich gedraagt, hoe je het kunt beïnvloeden, hoe het aanvoelt, hoe je het gebruikt. En hoe je het als ontwerper en als persoon benadert. Als je daar dan een object mee maakt, spelen er nog eens zoveel aspecten een rol : wat doet het emotioneel ? Wat doet het functioneel ? Ergonomisch ? Die denk-oefening is dezelfde voor een stoel, een ring of een vaas.

Vindt u het moeilijk om met luxeproducten te werken ?

Ik heb heel veel respect voor materialen en wat mensen ermee doen. Mijn antwoord op de ecologische hype is dat ik duurzame producten maak, in mooie recycleerbare materialen. Het zijn producten die je niet weggooit, maar die je lang houdt.

Het is een totaal ander verhaal dan een massaproduct. Kijk, ik heb geen probleem met Ikea, ik zou er zelfs graag eens een bestek voor ontwerpen, maar ik vraag me af of de prijzen altijd zo fair zijn. Natuurlijk heb ik ook producten die in China gemaakt worden. Als je voor een groter publiek wil werken, kom je daar onvermijdelijk terecht. Zo zit het systeem in elkaar. We moeten daar tegenin gaan : als ontwerpers, als producenten, als consumenten. We weten in welke omstandigheden die mensen moeten werken, maar we kopen gewoon verder.

Aan luxeproducten is tijd besteed om ze mooi te maken. Afwerken met de hand kan nu eenmaal niet snel. Ambachtslui vinden daar voldoening in, en als ik zelf een stuk maak met de hamer, dan beleef ik daar ook plezier aan. Het probleem is dat het savoir-faire verloren gaat. Het maken van objecten is nochtans iets dat bij onze cultuur hoort. In Frankrijk werd er heel veel zilver gemaakt, maar er zijn nog maar weinig ateliers over. Als we zo doorgaan, zullen we niet meer weten hoe iets gemaakt wordt.

Is dat ook de reden waarom u dit schooljaar bent beginnen lesgeven aan de Academie van Antwerpen ?

Ik wil kennis doorgeven. Ik zal de laatstejaars begeleiden en ik wil proberen ze te doen begrijpen dat ze alle kanten uit kunnen. Ik wil ze niet in één richting duwen, maar laten zien dat er verschillende mogelijkheden zijn. Je kunt uitsluitend pièces uniques maken, volledig je eigen wereld en je eigen stijl ontwikkelen, maar dat is moeilijk. Er zijn er niet veel die daarvan kunnen leven. Ik wil hen tonen dat het ook anders kan en hen een beetje realisme aanreiken.

Herinnert u zich nog waarom ú als negentienjarige zilversmeedkunst ging studeren ?

Niet echt. Ik had de afdeling wiskunde-wetenschappen gevolgd in de humaniora, maar ik wilde niet naar de universiteit zoals mijn klasgenoten die nu apotheker, tandarts of ingenieur zijn. Ik wilde niet zitten blokken. Creatief met mijn handen werken, dat wilde ik. Zo ben ik in de afdeling juweelontwerpen terechtgekomen. Toen ik in het tweede jaar zat, maakten twee studenten als eindwerk een koffieservies. Dat vond ik heel knap. In het derde jaar wist ik dat ik niet alleen maar juwelen wilde ontwerpen.

Toen ik mijn diploma behaald had, vond ik dat leuk, maar wat moest ik ermee ? Ik kon nog drie jaar Hoger Instituut doen in Antwerpen, maar dat was gewoon verder doen met hetzelfde, dacht ik. Toen ging ik onze docent Jean Lemmens om advies vragen. "Je kunt naar Stockholm gaan", zei hij. "Daar worden zes mensen per jaar aanvaard. Of je kunt naar Londen, waar jaarlijks twaalf studenten toegelaten worden." Ik maakte heel naïef de afweging : Stockholm, ijskoud, kleine kans. Londen, dichterbij, leuke stad, meer kans. Pas toen ik aan het Royal College of Art zat, besefte ik dat het een school was met veel invloed.

Ondertussen zijn er al veel Belgen afgestudeerd, maar destijds was ik de eerste Belgische in die afdeling.

Heeft die opleiding uw ogen geopend ?

Absoluut. Dankzij die twee jaar sta ik waar ik nu sta. Je had een zilversmid en een juwelier die er enkel en alleen voor de techniek waren. Als je iets ontworpen had, dan kon je bij hen de techniek uitgelegd krijgen. Die waren echt goed. Naar twee andere docenten, David Watkins en Michael Rowe, konden we met artistieke vragen. We kregen gastdocenten en lezingen van een hoog niveau.

Er zit nog steeds een duidelijk ambachtelijke kant aan uw ontwerpen.

Ik zit in een grijze zone. Ik ben geen industrieel ontwerper, maar ik maak wel gebruiksvoorwerpen die in productie komen. Zilver smeden, dat is per definitie met de hand werken. Ik maak mijn prototypes in hout of was. Ik zoek mijn vorm driedimensionaal. Ik wil kunnen voelen hoe een bestek in de hand ligt en hoe een kromming moet lopen. Mijn werk is vrij intuïtief. Op basis van het prototype maak ik dan een gedetailleerde technische tekening op de computer. Met die tekeningen ga ik naar de producenten en zij maken dan de eerste prototypes in het materiaal waarin het bedoeld is.

Wanneer beslist u om een opdracht uit te voeren of niet ?

Als opdrachtgevers zeggen : "Doe maar iets, we zullen wel zien of het bij ons past", dan haak ik af. Er moet een wisselwerking zijn. Ik vraag om een opdracht en dompel me onder in het bedrijf. Het kan drie of vier jaar duren vanaf het eerste contact tot de eerste opdracht. De investeringen zijn groot en een vertrouwensband is belangrijk, want uiteindelijk geef je een deel van jezelf. Een huis dat mij niet inspireert, daar werk ik niet voor.

Hoe laat u zich nog inspireren ?

Dat kan iets wetenschappelijks zijn. Samen met de Katholieke Universiteit Leuven doen we al een aantal jaar onderzoek naar een composietmateriaal. Ik ben ook geboeid door de manier waarop wetenschappers denken. Ik wil openstaan voor wat ik niet ken. Dat kan technisch zijn, wetenschappelijk, literair, vormelijk, menselijk...

Voor iets de tijd nemen is belangrijk. Daarom maak ik ook graag objecten voor momenten dat je ergens tijd voor maakt. Ik houd van een mooi gedekte tafel met veel mensen eromheen. Samen eten vind ik een waar plezier. Het is een soort van levenshouding. Ik vind dat er in onze maatschappij een probleem is met respect. Respect voor mensen en voor materialen.

Hoe belangrijk vindt u het dat uw werk toegankelijk is ?

Je kunt niet voor iedereen een goed product maken, iets dat iedereen mooi vindt en dat iedereen gemakkelijk te gebruiken vindt. Je kunt alleen maar je best doen. Ik denk dat mijn werk wel toegankelijk is, maar betaalbaar, dat is iets anders. Trouwens, werk dat niet toegankelijk is, is ook waardevol. Dat is ook nodig.

Heeft het grote publiek in 2007 meer oog voor goed design ?

Ik denk dat mensen zich meer bewust worden van vormgeving, maar design is meer dan dat. Een gps-toestel bijvoorbeeld, kan er goed uitzien, maar het moet ook werken én de zuignap moet blijven zitten op de voorruit. Ook dat is design.

Heeft u een carrièreplan ?

Niet echt. Ik doe mijn job graag, omdat het werk zo afwisselend is : reizen, maquettes maken, technische tekeningen uitwerken, productie opvolgen, beurzen bezoeken, mensen ontmoeten... Het is heel boeiend. Maar vraag me niet wat ik over twee jaar zal doen. Ik wil flexibel zijn en de dingen aanpakken zoals ze komen.

U bent nu verkozen tot Belgische designer van het jaar. Maar bestaat er wel zoiets als 'Belgisch design' ?

Ik hou niet van vakjes... We hebben een beetje dat absurde van de Nederlanders, met een slag van de Fransen erin. Ik denk dat we vrij degelijke dingen maken. Het is moeilijk om nationaliteiten te vergelijken, maar als land doen we het niet slecht. Toch denk ik niet dat het nodig is om een stempel van Belgisch design te hebben.

'La Passion des Evidences. Clair-Obscur', van 11 oktober tot 9 december in Grand-Hornu, Rue Sainte-Louise 82, 7301 Hornu, www.grand-hornu.be

'Verleidelijke Eenvoud. Clair-Obscur', van 9 februari tot 27 april 2008, Design museum Gent, Jan Breydelstraat 5, 9000 Gent,

www.designmuseumgent.be

Productfoto's: Wolf&Wolf, Photo ADS, Pironneau, Rousseau en Lieven Heremans.

Visagiste voor portret: Kim Printemps met Dior.

Door Leen Creve I Portretten Guy Kokken