Dit zou gemakkelijk moeten zijn, denk ik wanneer ik in het Antwerpse Café Kamiel een ballerina probeer te onderscheiden van de andere gehaaste cafégangers die binnenwaaien. En zo blijkt het ook. Aki Saito (41) wandelt door de deur in een jeansjasje en met een zomersjaaltje rond haar hals, maar het is haar houding die haar verraadt : met rechte rug, beslist en tegelijk zwevend als een pluimpje begeeft ze zich door de ruimte, tot ze mij opmerkt in een hoekje aan het raam. "Sorry dat ik te laat ben !", zegt ze, als ze mijn halflege kop koffie ziet. "Ik moest mijn reiskoffer nog pakken."
...

Dit zou gemakkelijk moeten zijn, denk ik wanneer ik in het Antwerpse Café Kamiel een ballerina probeer te onderscheiden van de andere gehaaste cafégangers die binnenwaaien. En zo blijkt het ook. Aki Saito (41) wandelt door de deur in een jeansjasje en met een zomersjaaltje rond haar hals, maar het is haar houding die haar verraadt : met rechte rug, beslist en tegelijk zwevend als een pluimpje begeeft ze zich door de ruimte, tot ze mij opmerkt in een hoekje aan het raam. "Sorry dat ik te laat ben !", zegt ze, als ze mijn halflege kop koffie ziet. "Ik moest mijn reiskoffer nog pakken." Straks, na ons gesprek, rijdt Saito door naar de luchthaven van Zaventem. Ze heeft vijf dagen Berlijn gepland, de stad waar haar Amerikaanse vriend woont, ook een danser. "Vier jaar geleden woonde hij nog in België, nu danst hij bij een Duits gezelschap en hebben we een langeafstandsrelatie", zegt Saito. "Dat is best te doen. Berlijn is Morioka niet. Gelukkig maar !" Aki Saito : Op mijn zestiende mocht ik deelnemen aan de Prix de Lausanne in Zwitserland, een internationaal bekende balletcompetitie voor jonge dansers. Ik won er een studiebeurs, waarmee ik kon beginnen aan enkele van de grootste balletscholen ter wereld, zoals Londen en New York. Maar ik vond het moeilijk om in te schatten welke school de beste was voor mij. De toenmalige directrice van de Koninklijke Balletschool van Antwerpen, Marinella Paneda, zat als jurylid in de wedstrijd en nodigde mij uit om in Antwerpen een opleiding te volgen. Omdat ik nog nooit buiten Japan was geweest, geen andere taal sprak, en niet verwacht had een studiebeurs in de wacht te slepen, leek het mij verstandig om een school te kiezen waar ze mij echt graag wilden. De Europese cultuur sprak mij bovendien enorm aan. Zo gebeurde het dat ik in augustus 1991 mijn geboortestad met haar ondergesneeuwde rijstvelden en hete zomers achterliet en in Antwerpen arriveerde. Het eerste dat mij opviel aan de balletschool, was de creativiteit van de Belgische studenten en hun talent voor zelfexpressie. Dat kwam vooral tot uiting in aanloop naar de jaarlijkse schoolvoorstelling, die Self Made heette. Studenten van tien tot zeventien jaar mochten hun eigen choreografie tonen en waren zelf verantwoordelijk voor alles wat bij zo'n voorstelling komt kijken : van de affiches tot het decor. Terwijl de jonge kinderen vooral schattig stonden te wezen op het podium, brachten de oudere leerlingen al een echte balletopvoering met een diepere, maatschappelijke boodschap. De creatieve kracht van mijn medestudenten blies mij van mijn sokken. Ik besefte toen hoe uniek en belangrijk kunst in België is, terwijl ik aan de balletscholen in Japan nooit had horen spreken over de zelfexpressie die zo belangrijk is voor een artiest. Mijn ballettraining in Morioka bestond vooral uit technieken aanleren en gehoorzaam uitvoeren wat mijn dansleerkracht van mij verwachtte. De onafhankelijkheid die ik onder mijn Belgische medestudenten zag, intimideerde mij. De eerste drie jaar kon ik amper praten, en dat kwam niet doordat ik nog niet goed Engels sprak. Er waren gewoon te veel zaken die ik verwarrend vond, waardoor ik dichtklapte. Zo begreep ik niet waarom er in zo'n klein land als België niet één taal gesproken werd, waarom de winkels hier al om zes uur sloten, waarom jongens en meisjes heel familiair met elkaar optrokken en toch geen koppel bleken te zijn, of waarom mensen soms op een heel grove manier hun mening durfden te uiten en zo anderen kwetsten. In Japan is het een kunst om elkaar te begrijpen zonder al te veel woorden. Japanners tonen niet te veel emoties, en drama wordt in onze cultuur niet goed geaccepteerd. Als zestienjarig meisje had ik veel nieuwe prikkels te verwerken, en dat heeft best wat tijd gevraagd. Bovendien durfde ik mijn ouders niet te vertellen dat ik het moeilijk had, omdat ze mij toch niet konden helpen en alleen maar bezorgd zouden zijn om hun jongste dochter. Op mijn negentiende, toen ik al bij Ballet Vlaanderen danste, durfde ik na de trainingen nog altijd niet goed in de cafetaria rondhangen. Maar langzaamaan heb ik mijn draai gevonden en ik ben blij dat ik daar in mijn eentje in geslaagd ben. Al heeft mijn vaste danspartner Wim Vanlessen, met wie ik al sinds mijn eerste schooldag in Antwerpen een dansduo vorm, daarin een belangrijke rol gespeeld. Ja, ik woon intussen vijfentwintig jaar in Antwerpen, en heb geleerd om mezelf open te stellen. Eens ik aanvaardde dat Belgen anders zijn dan Japanners, zonder mij daar voortdurend vragen bij te stellen, ging alles veel makkelijker. Ik zeg vandaag wat ik wil zeggen, voel me hier heel erg op mijn gemak en ik ben blij dat ik mag werken voor een dansgezelschap waar niet enkel dansers gevormd worden, maar ook artiesten en mensen. Mijn typisch Japanse jeugd, waarin mijn zus en ik hard leerden werken en nooit mochten opgeven, heeft mij een ijzeren discipline meegegeven waar ik als ballerina de vruchten van pluk. Maar in België ben ik pas echt een artiest geworden. Jullie aandacht voor kunst en zelfexpressie heeft jullie internationaal bekende kunstenaars en modeontwerpers opgeleverd, van de Vlaamse Primitieven tot de Zes van Antwerpen. In België leerde ik mezelf in vraag te stellen en moest ik op zoek naar mijn creatieve stem. Dat ik een andere persoon ben wanneer ik mijn familie in Japan bezoek, vind ik maar normaal. Als je in België woont, moet je de mentaliteit van de Belgen proberen te respecteren. Net zoals ik het normaal vind dat ik in Japan respect toon voor de lokale cultuur, waar het belang en het geluk van de groep belangrijker is dan individuele verlangens. Ik heb in mijn hoofd een knop gevonden waarmee ik heel gemakkelijk kan switchen tussen de Belgische en de Japanse Aki." Zeker, de vraag die mij het meest gesteld wordt, luidt : Wat is de belangrijkste religie in Japan ? Tijdens mijn eerste jaren in België heb ik wat boeken over Japan moeten lezen om op zulke vragen een bevredigend antwoord te kunnen geven. Zo wist ik wel dat onze twee heersende religies het boeddhisme en het shintoïsme zijn, maar op mijn zestiende vond ik het niet gemakkelijk om uit te leggen wat dit precies betekende, omdat het voor Japanners veeleer een manier van leven is die van generatie op generatie wordt doorgegeven. Er staat ook geen god centraal in onze religies, in tegenstelling tot in andere godsdiensten. Het boeddhisme is voornamelijk een levenshouding waarin het trainen van je geest van belang is, het shintoïsme draait dan weer rond het vieren van allerlei natuurverschijnselen, zoals de overgang van de seizoenen. In Japan zijn er heel wat rituelen waarmee we op dagelijkse basis onze liefde en respect voor de natuur uiten. Ik vind het fijn om daarover te vertellen en ik merk dat veel Belgen met een zekere nieuwsgierigheid naar mijn verhalen luisteren. Misschien komt dat doordat jullie land nog relatief jong en klein is, waardoor Belgen een grotere interesse hebben voor wat er elders in de wereld gebeurt. Japanners hebben die open houding minder. Ik herinner me dat mijn ouders op een bepaald moment in mijn kindertijd een huis hadden gebouwd. Vóór we het nieuwe huis konden betrekken, moesten we onder leiding van een priester van het shintoïsme een zak muntjes uitstrooien over de aarde rond het huis, om de mogelijke natuurgeesten die over de grond waakten te bedanken dat wij op die lap aarde mochten wonen. Zulke gewoontes hebben voor ons niets met bijgeloof of hekserij te maken. Japanners vinden gewoon dat ze eervol met de aarde moeten omgaan, omdat ze haar niet zelf gemaakt hebben. Ik heb geen vijfjarenplan. Daarin ben ik typisch Japans gebleven, denk ik. Ik blijf hard werken om zolang mogelijk te kunnen dansen. Ik ben 41 jaar, maar mijn lichaam wil voorlopig nog mee. Als dat morgen anders is, komt er wel iets nieuws op mijn pad. In Japan geloven we dat er altijd iets te winnen valt, zolang je je best maar doet. Tekst Elke Lahousse & Foto's Wouter Van Vaerenbergh"In Japan ben ik een andere Aki"