We zijn nog maar net de straat van mijn hotel uit wanneer we tegen hoge snelheid afstevenen op een kruispunt met een groot stopbord. Aan het stuur van onze SUV zit de goedlachse stoffen- en meubelontwerpster Huda Baroudi. Ze bood aan om me rond te leiden op deze lome, grijze zondag. We zijn op weg naar Bechara el-Khoury, een 19de-eeuwse villa die lang geleden - voordat ze tijdens de burgeroorlog werd verlaten, geplunderd en onder vuur genomen - een van de mooiste residentiële gebouwen van Beiroet was. Net als de meeste straten in Beiroet, is ook onze baan rijden bochtig, smal en vol kuilen. Bovendien komt er, al even snel, een auto uit de tegenovergestelde richting aangereden. Maar Huda heeft geen zin om vaart te minderen. Op het laatste moment wijkt de tegenligger uit om ons te laten passeren. Ik hap even naar adem, maar Huda lacht mijn angst weg. "Ik keek recht in zijn ogen", zegt ze met een glimlach, terwijl ze haar schouders ophaalt. "Ik zag direct dat hij ons voorrang zou geven." Toch ben ik er niet helemaal gerust in. "Ach, zo doen wij dat hier", vervolgt ze. "De ogen van de mensen zijn belangrijker dan de verkeersborden."
...

We zijn nog maar net de straat van mijn hotel uit wanneer we tegen hoge snelheid afstevenen op een kruispunt met een groot stopbord. Aan het stuur van onze SUV zit de goedlachse stoffen- en meubelontwerpster Huda Baroudi. Ze bood aan om me rond te leiden op deze lome, grijze zondag. We zijn op weg naar Bechara el-Khoury, een 19de-eeuwse villa die lang geleden - voordat ze tijdens de burgeroorlog werd verlaten, geplunderd en onder vuur genomen - een van de mooiste residentiële gebouwen van Beiroet was. Net als de meeste straten in Beiroet, is ook onze baan rijden bochtig, smal en vol kuilen. Bovendien komt er, al even snel, een auto uit de tegenovergestelde richting aangereden. Maar Huda heeft geen zin om vaart te minderen. Op het laatste moment wijkt de tegenligger uit om ons te laten passeren. Ik hap even naar adem, maar Huda lacht mijn angst weg. "Ik keek recht in zijn ogen", zegt ze met een glimlach, terwijl ze haar schouders ophaalt. "Ik zag direct dat hij ons voorrang zou geven." Toch ben ik er niet helemaal gerust in. "Ach, zo doen wij dat hier", vervolgt ze. "De ogen van de mensen zijn belangrijker dan de verkeersborden." Dualiteit lijkt het belangrijkste kenmerk van Beiroet. De stad ligt in het Midden-Oosten, maar is tegelijk een Europese stad. En tegelijk geen van beide. Ontelbaar veel mensen zijn hier gepasseerd, op zoek naar plezier, of naar een beter bestaan. Ook vandaag nog strijken ze hier neer, om diezelfde redenen. Beiroet is synoniem met ongeremde losbandigheid, maar ook met pure terreur. De stad wordt wel 'het Parijs van het Midden-Oosten' genoemd. Niet geheel onterecht. Sinds Frankrijk in 1943 met tegenzin een einde maakte aan zijn mandaat, was Beiroet een tolerante, kosmopolitische en hedonistische metropool, onvergelijkbaar met gelijk welke andere Arabische stad. Met als absolute hoogdagen de decennia tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en de catastrofe die de stad in de jaren zeventig verscheurde. Beiroet oefende dan ook een grote aantrekkingskracht uit op rijke Europeanen, Arabische prinsen, en zelfs op Hollywoodberoemdheden zoals Richard Burton en Elizabeth Taylor. De cafés waren bevolkt met radicale intellectuelen, maar ook met oliesjeiks en sjacheraars allerhande. Zelfs bedenkelijke societyfiguren zoals Kim Philby, de MI6-agent die bekend werd als dubbelspion tijdens de Koude Oorlog, brachten menige avond door aan de bar van het Saint-George Hotel. De stad was een vrijhaven in de zuiverste zin van het woord, een plek waar de bars en clubs evenveel volk trokken als de kerken en de moskeeën. Ook vandaag is de stad die wordt gestreeld door de Middellandse Zee en omhelsd door de bergen, een oord van genot. Je vindt er chique restaurants zoals Le Sushi Bar en er was tot voor kort zelfs een Skybar, om nog maar te zwijgen van die nachtclub vernoemd naar de uit 1972 daterende pornoklassieker Behind the Green Door. Uber is hier een begrip, idem voor duurzaamheid en gezonde voeding. Er zijn Prada- en Hermèswinkels op de Corniche, de prachtige zeeboulevard. In één week zag ik twee limoengroene Maserati's : de ene bij een autodealer, de andere geparkeerd voor Barbar, een restaurant dat algemeen wordt beschouwd als het beste adres voor kip-shoarma. Toch is Beiroet ook de plaats waar de autobom en het zelfmoordvest in première gingen als wapens van de jihad. Het is de hoofdstad van een land dat twee jaar lang geen president had. Het is de stad waar Hezbollah ook vandaag de machtigste politieke organisatie is. Er leven meer dan een miljoen Syrische vluchtelingen verspreid over Libanon, op de vlucht voor middeleeuwse slachtpartijen hier nauwelijks 150 kilometer vandaan. En precies die voortdurende spanningen maken deze stad zo ongrijpbaar én fascinerend. "In Beiroet is onzekerheid een vorm van identiteit", zegt Christine Tohme, curator en oprichter van Ashkal Alwan, een belangrijk centrum voor hedendaagse kunsten. We drinken een fairtrade-espresso in een van de vele mooie cafés van de stad. "Van het communisme en het socialisme tot de vrijemarkteconomie, van hipster zijn tot jezelf waarmaken als ontwerper of kunstenaar: niets werkt hier." Zulke uitspraken - ik hoor ze hier wel vaker - klinken misschien somber. Maar Christine Tohme is niet aan het klagen, maar aan het verklaren. Als je leest wat sommige mensen zeggen, voel je de wanhoop in elke zin. Maar als je hen hoort spreken, of beter nog, als je naar hun ogen kijkt, dan verdwijnt die radeloosheid. Ik vraag Christine of ze al heeft overwogen de stad te verlaten. "Natuurlijk", antwoordt ze. "Maar ik ben vrij zeker dat ik dat nooit zal doen. Dit soort onrust, die vluchtigheid, die onzekerheid..." Ze laat haar woorden even bezinken. "Ik wil niet beweren dat het leven in oorlogsgebieden ons dwingt om creatief te zijn", vervolgt ze. "Ik weet dat zoiets banaal klinkt. Maar Beiroet is een veeleisende stad, en net daardoor is ze zo levenslustig en bruisend." Ik logeer in Villa Clara, een eigenzinnig hotel gerund door Olivier Gougeon, een Franse chef-kok, en zijn vrouw, Marie-Hélène Moawad. Het hotel, in een gebouw dat dateert uit de jaren twintig, heeft slechts zeven kamers, elk ingericht met antieke meubels en schilderijen van lokale artiesten. Mar Mikhael, de wijk waarin mijn hotel ligt, doet me wat denken aan Williamsburg in de jaren zeventig, voordat het een echte hipsterwijk werd. Zoals veel andere wijken in Beiroet loopt Mar Mikhael het gevaar te worden ingepalmd door de gegoede klasse. Maar door de economische crisis en de reisbeperkingen, kunnen jonge kunstenaars en schrijvers hier voorlopig nog betaalbaar wonen en werken. Het eten in Villa Clara is voortreffelijk, vooral het ontbijt met zelfgemaakte labneh : de dikke Libanese yoghurt die wordt gezeefd om de wei te verwijderen. Maar ook manakish, het versgebakken Levantijnse brood, en de eieren van kippen die vrij rondscharrelen op een veldje in het nabije Chouf-gebergte. Ze hebben ook hun eigen ham, die ze laten rijpen in de kelders van het maronitische St. Jeanklooster dat na de burgeroorlog gesloten werd. Het Franse restaurant van het hotel wordt algemeen beschouwd als een van Beiroets beste (en duurste) eetgelegenheden. Olivier Gougeon, een ex-patissier, kwam in 1999 naar Beiroet om als kok te werken in de Franse ambassade. Hij besefte al snel dat er geen weg terug was. "Hier heerst totale anarchie", zegt hij, met een guitige blik in zijn ogen. "Chaos. Je moet elke dag weer vechten om te krijgen wat je wilt." En net als vele anderen die ik ontmoet, beschouwt hij deze dagelijkse strijd als een troef, veeleer dan als een obstakel. "In Frankrijk is alles gereglementeerd", zegt hij. "Er zijn uren en regels en lange vakanties. Hier hebben we geen vrije dagen. We hebben weinig rust. Maar we hebben wel iets wat anderen niet meer hebben : energie, passie, complete vrijheid." Mijn vorige bezoek aan Beiroet dateert van bijna twintig jaar geleden. In die tijd hadden de gevechten, die van 1975 tot 1990 genadeloos bleven doorgaan, de stad in een puinhoop herschapen. Meer dan honderdduizend mensen waren omgekomen en vele honderdduizenden waren gevlucht. De infrastructuur - telefoonnet, waterleiding, wegen - en de bedrijven kregen het zwaar te verduren. In de jaren negentig kwam er een einde aan de oorlog en kon de politiek het weer overnemen, in ieder geval voor een tijdje. Dit was het perfecte moment voor de opgang van Rafik Hariri, de charismatische Libanese zakenman die op zijn 21ste naar Saudi-Arabië was verhuisd. In de jaren zeventig maakte hij snel carrière in de Saudische bouwsector. Toen hij in 1992 terugkeerde naar Libanon en er premier werd, was hij al miljardair. Rafik Hariri begon meteen met de heropbouw van het vernietigde stadscentrum. Hij was een innemende man die meer ophad met spectaculaire nieuwbouw dan met sektarische conflicten. Ook het behoud van wat veel mensen de aantrekkelijkste stad van het Midden-Oosten vonden, liet hem koud. Rafik Hariri, die in 2005 omkwam bij een bomaanslag, hield van jachten en vliegtuigen, maar vooral van enorme vastgoedprojecten. Dat blijkt duidelijk in het centrum van Beiroet. Om de stad weer op te bouwen, richtte hij in 1994 een bedrijf op met de naam Solidere, een Frans acroniem voor 'Libanese onderneming voor de ontwikkeling en wederopbouw van het centrum van Beiroet'. Hij verdreef de krakers, sloopte zowat alle huizen in het centrum en herwon zo'n half miljoen vierkante meter grond van de zee. Het doel van Solidere, zo werd gesteld, was het grootse verleden van de periode vóór 1975 te doen herleven, toen Beiroet een pluralistische, welvarende en bruisende stad was. Het bedrijf bewaarde en herstelde een deel van de met kogels doorzeefde gevels, maar tegelijk werden eeuwen geschiedenis en architecturaal erfgoed met de grond gelijkgemaakt. Dit wordt vooral duidelijk in de soeks van de stad, die al sinds de tijd van de Feniciërs functioneerden als een bloeiend handelscentrum. Solidere herbouwde de soeks op basis van de historische plannen. Maar dat bleek niet te werken. De soeks schitteren vandaag vooral door hun oogverblindende koopwaar en hun marmeren vloeren. Het is dé plek om een chique handtas of een peperduur horloge te kopen. Kortom, de nieuwe soeks lijken meer op een hedendaags shoppingcenter dan op de originele oosterse bazaars die sinds duizenden jaren zo kenmerkend zijn voor het Arabische marktleven. "Het punt is niet dat een traditionele soek automatisch authentieker is dan een hedendaags winkelcentrum. Het gaat erom dat er iets vreemds gebeurt met ons historisch bewustzijn wanneer we een winkelcentrum verwarren met een soek", oppert de Libanese Saree Makdisi, professor Engels aan de UCLA in Los Angeles, die ook vaak schrijft over de ontwikkeling en het behoud van Arabische cultuur. George Arbid, een beer van een vent met een indrukwekkende baard, is directeur van het Arabisch Architectuurinstituut en professor aan de Amerikaanse Universiteit van Beiroet. Hij is het eens met Makdisi. Op een late namiddag neemt hij me mee op een wandeling door het centrum van de stad, niet ver van zijn kantoor. Al te vaak, zo stelt hij, wordt het woord erfgoed gebruikt om Romeinse en andere ruïnes aan te duiden. "Toen ik architectuur studeerde, " - hij deed dat zowel in Beiroet als aan Harvard - "bevonden de moderne bouwwerken die je in boeken kon vinden zich allemaal in het Westen. Wij waren synoniem met antieke gebouwen. Maar kijk hier nu eens om je heen. Dit is een moderne samenleving, en dat zie je aan de panden. Hier en in het hele Midden-Oosten." Sommigen beweren dat Beiroet moet kiezen: de zoveelste karakterloze miljoenenstad worden of een decorstad uit lang vervlogen tijden blijven. Daar is Arbid het niet mee eens. Ik vraag naar zijn mening over de Hariri-periode en over Solidere. "We hadden een rampzalige oorlog achter de rug", antwoordt hij. "Hariri werd gezien als een redder, de man van de vrije markt die Beiroet uit zijn as zou laten herrijzen. En voor sommige mensen was dat ook het geval. Maar de vraag is : voor welke mensen ? Niet voor de middenklasse, en zeker niet voor de armen. Het nieuwe stadscentrum van Beiroet is gewoon één groot vastgoedproject." Een vastgoedproject met grote gevolgen en eentje dat heftige discussies uitlokte. De grote vraag : hoe voorkom je dat ontwikkelingsprojecten het eeuwenoude samenlevingsmodel verstoren ? Terwijl we richting zee wandelen, toont Arbid me hoe de open ruimte geleidelijk werd opgeofferd aan de anonieme hoogbouw. "Tot in de jaren zeventig reflecteerde de moderne architectuur de lokale tradities van het buitenleven. De gebouwen hadden arcades en veel ruimtes waar mensen elkaar konden ontmoeten. Er waren parkjes en plantsoenen. Open en uitnodigend. Dat zijn essentiële onderdelen van de traditionele Libanese bouwstijl." Toen kwamen de donkere tijden. Letterlijk. "Nu hebben we flatgebouwen van veertig verdiepingen hoog die zijn opgetrokken door mensen met maar één gedachte in hun achterhoofd : de prijs per vierkante meter. Ik ben niet tegen torengebouwen in wijken die het zich kunnen veroorloven, maar ik vind het jammer dat de traditionele Libanese terrassen zijn verdwenen, net als de winkels en de cafés op de begane grond." George Arbid weet waarover hij spreekt. In de oude woonblokken zie ik nog stomerijen, bankkantoortjes, bakkerijen en restaurants. De nieuwste torens, waarvan er vele hoog boven de elegante oude villa's uitsteken, zijn niets anders dan enorme muren van glas. Veel terrassen zijn vervangen door ramen die zelfs niet open kunnen. "Stuk voor stuk een gated community, een verticale hekwerkwijk", aldus George Arbid. "Er zijn geen winkels, geen pleinen, geen plekken om elkaar te ontmoeten." Na mijn ontmoeting met George heb ik behoefte aan een wat meer opbeurend gesprek. Ik heb een afspraak met Marwa Arsanios, een 37-jarige kunstdocente aan de Amerikaanse universiteit. Zij was in 2007 mede-oprichter van de organisatie '98 Weeks' die al over de hele wereld heeft tentoongesteld. Marwa wil een plek creëren waar kunstenaars kunnen focussen op interdisciplinaire samenwerking en zich kunnen concentreren op enkele fundamentele vragen zoals : hoe creëer je een gemeenschap in een tijd waarin het traditionele leiderschap verdwenen is, en hoe bouw je iets op wat duurzaam is, op een plek waar alles verandert ? "We leven in bizarre tijden", zegt ze. "Niemand weet wat er zal gebeuren, maar iedereen verwacht dat er iets zal gebeuren." Als het nodig zou blijken, kan Marwa, net als de elite, in een oogwenk vluchten. Maar net als veel van haar creatieve vrienden besloot ze te blijven, deels vanwege de kwetsbaarheid van de stad. De stad, hoe ze zich ook zal ontwikkelen, heeft nog steeds potentieel. Beiroet blijft een unieke en vitale stad, ondanks de onvoorspelbare situatie in de regio. Hoewel de euforie van de Arabische Lente verdampt is en bij velen vervangen door angst en verwarring, blijft Marwa hoopvol : "Toen we begonnen, was het politieke leven geblokkeerd. De media waren waardeloos, net als de universiteiten. De kunstscene werd een toevluchtsoord. Dat gaf ons kracht." De volgende avond ga ik iets drinken met Marwa en enkele van haar collega's van de Amerikaanse Universiteit, een intelligent en verre van mistroostig gezelschap. Allemaal voelen ze zich betrokken bij de toekomst van de stad, als een plaats waar ruimte is voor kunst, maatschappelijke discussie en vrij onderzoek. Maar ze beseffen ook dat het niet gemakkelijk zal zijn. Ik denk aan wat The Economist onlangs omschreef als 'de globale empathiekloof' tussen het lijden van het Westen en het lijden van Beiroet. In november 2015 leidde een reeks aanslagen in Parijs tot 130 dodelijke slachtoffers, met als gevolg een internationale golf van verdriet en medeleven. Maar de nacht ervoor had dezelfde terreurgroep IS, die vol haat de oorlog had verklaard aan Hezbollah, de verantwoordelijkheid opgeëist voor een reeks bomaanslagen in Beiroet waarbij 43 doden vielen. Het leek de wereld onverschillig te laten. Ik wandel terug naar mijn hotel, alleen en in stilte. Zoals elke avond sinds ik hier ben aangekomen. Hoewel de criminaliteit in het grootste deel van Beiroet laag is, zou iemand die de richtlijnen van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken volgt, dit niet mogen doen. "De Libanese overheid kan de bescherming van de Amerikaanse burgers in het land tegen plotselinge uitbarstingen van geweld niet garanderen", zo wordt gewaarschuwd. "Publieke manifestaties vinden soms onverwacht plaats en kunnen gewelddadig worden." Dit geldt natuurlijk ook voor veel Amerikaanse steden. Maar er staat ook : "Amerikaanse burgers die ondanks dit reisadvies reizen of verblijven in Libanon, zorgen er best voor dat ze niet opvallen, dat ze aandacht schenken aan hun persoonlijke veiligheid en variatie aanbrengen in de tijden en trajecten van alle vereiste verplaatsingen." Ik volgde geen van die adviezen op, omdat ik ze gewoonweg onnodig vond. Er zijn wel delen van Beiroet die duidelijk onveilig zijn, en toeristen wagen zich natuurlijk best niet in door de Hezbollah gecontroleerde gebieden. Maar de wijken die ik bezocht, leken me erg rustig en zelfs vredig. En niemand van mijn gesprekspartners beweerde het tegendeel. Het meeste lawaai kwam doorgaans uit de erg energieke nachtclubs. En toch : in de buurt van mijn hotel hoorde ik op een avond plots het geratel van zware machinegeweren en het gefluit van mortiergranaten. Ik wilde net wegduiken onder een geparkeerde auto toen ik een groepje oude mannen zag, op de straat naast het gigantische pakhuis dat leek te worden aangevallen. Ze waren aan het lachen. Met mij. "Wat is er aan de hand ?", schreeuwde ik in het donker toen ik besefte dat geen van de mortieren iets geraakt had. Een oude man die motorolie verkocht langs de kant van de weg, kwam naar me toe. Hij sloeg zijn arm om mijn schouder. "Het is maar een film", klonk het op luchtige toon. "Ze zijn hem aan het opnemen in het pakhuis. De wapens zijn nep." Tekst Michael Specter & Foto's Stefan Ruiz"In Beiroet is onzekerheid een vorm van identiteit" "De ogen van de mensen zijn hier belangrijker dan de verkeersborden" "Hier hebben we geen vrije dagen, maar wel wat anderen niet meer hebben : energie, passie, complete vrijheid"