Barbara Baert (49) is professor kunstgeschiedenis en iconoloog aan de KU Leuven. In 2016 won ze de Francqui-prijs, een van Belgiës belangrijkste wetenschappelijke prijzen. Op 3 december is ze te gast in Alleen Elvis blijft bestaan op Canvas.
...

Barbara Baert (49) is professor kunstgeschiedenis en iconoloog aan de KU Leuven. In 2016 won ze de Francqui-prijs, een van Belgiës belangrijkste wetenschappelijke prijzen. Op 3 december is ze te gast in Alleen Elvis blijft bestaan op Canvas. Kunstwerken zijn voor mij levende sporen, een laatste ademstoot uit het verleden. Ze komen niet ineens uit de hemel gevallen, maar zijn een plastische uitdrukking van hun tijd. Als iconoloog klap je de kunstgeschiedenis open en kijk je naar de context, de psychologie, de theologische achtergrond. Naar de zeitgeist, eigenlijk. Daar heb je kennis voor nodig, van de literatuur, de politiek en alles wat de cultuur van een tijdsgewricht bepaalt. Dat vraagt ervaring. Zo'n brede iconologische blik moet groeien in je wezen. Een kunsthistoricus interviewt het object enals je de juiste vragen stelt, zal het antwoorden. Benader een Mondriaan daarom niet met de vraag : kan ik dat ook ? Daar gaat het niet om. Mondriaan koos ervoor om iets unieks en nieuws te doen. Hij abstraheert, hij ziet de schilderkunst als kleur en ritme, en zoekt daar een evenwicht in. Je moet een kunstwerk op je laten inwerken, waardoor er een soort dialoog ontstaat. Vanaf mijn veertigste dacht ik : nu schrijf ik wat ik wil. Dat was een bijna rationele beslissing. Dertig vond ik een fragiele leeftijd. Mijn doctoraat was klaar, maar mijn promotor overleed en ik voelde geen steun binnen de faculteit. Dus ging ik drie jaar reizen, met fellowships. Ik moest alles alleen doen, zowel emotioneel als praktisch. Veertig was een keerpunt. Vanaf dan wilde ik echt samenvallen met mezelf. Als wetenschapper staat je leven niet los van je werk : kinderen krijgen, verdriet, de dood, alles wat je meemaakt, vormt je en kan je werk beïnvloeden. Je moet ook het lef hebben om de methodologische codering van de kunstgeschiedenis te doorbreken. Je moet durven te emanciperen, pas dan kan er een oeuvre ontstaan. Lesgeven en wetenschappelijk onderzoek voeden elkaar. Ik geef heftig les, dat is mijn temperament. Vaak ben ik daarna echt moe. Dan komen er ideeën. Soms wijzen studenten me op voor de hand liggende dingen, terwijl ik het zelf te ver zoek. Ze voorkomen ook dat ik in een ivoren toren leef. Ik probeer hen te raken en te tonen wat ze nog niet onder woorden kunnen brengen. Vijftig mensen die naar je kijken, dat blijft lichtjes intimiderend, maar de directe reactie inspireert. Lesgeven is een soort wonde, je stelt je even open en kunt daar geschaafd uitkomen, maar als je heelt, krijg je inzichten en dankbaarheid terug. Mildheid is belangrijk, want je impact als professor kan groot zijn. Soms krijg ik mails van studenten die al tien jaar afgestudeerd zijn maar laten weten dat iets wat ik heb verteld voor hen belangrijk was. Ze gaan door een ingrijpende periode en een buis of één keer onvriendelijk zijn kan hen echt aangrijpen. We moeten streng zijn, natuurlijk. Ze moeten de kennis opbouwen waarmee we hen in de wereld kunnen loslaten als verfijnde kunsthistorici. Maar we hebben ook menselijkheid en mildheid nodig. Als wetenschapper zijn nieuwsgierigheid en verwondering belangrijk, maar ook empathie. Het zorgt voor inzicht in de ander en waar die het moeilijk mee heeft, en dat geeft verzachting. Je gaat minder hard met elkaar om. Het vermogen om te begrijpen waarom iets met jezelf gebeurt, is ook belangrijk. Je leert ervan en het voorkomt rancune. De academische wereld is hard. Grote persoonlijkheden met een enorme passie zitten samen op een gang. Dat geeft spanningen, en af en toe is er sprake van narcisme. Dat inspireerde me om de mythe van Ovidius opnieuw te bekijken, en om na te denken over de nymf Echo die een grote liefde voelde voor Narcissus, maar hem niet kon bereiken. Echo heeft geen zelfliefde, maar vervloeit met haar omgeving en met de natuur. Dus schreef ik een boekje over een nieuw paradigma in de kunstgeschiedenis, dat niet vertrekt vanuit het Ik, maar vanuit de versmelting met de Andere. Zoals bij interdisciplinair onderzoek. Zo kan academisch werk een boodschap bevatten, van diep komen en de kracht van een catharsis hebben. Erkenning is nodig. Zeker als wat je doet, veel research en veel werk vraagt. Zonder erkenning krijg je verdriet. En jaloezie. Misschien ook burn-outs. Soms word ik wakker en denk ik : ik heb de Francqui-prijs gewonnen ! Het is bijna een Belgische Nobelprijs en dat is soms te groot om te vatten. Maar ik ben dankbaar, en het is mooi dat er nu een jaar lang een licht schijnt over de kunstgeschiedenis. TEKST NATHALIE LE BLANC & FOTO FRED DEBROCK"Als kunsthistoricus interview je het object. Als je de juiste vragen stelt, zal het antwoorden"