Frankrijk is niet mijn favoriete land, maar wel mijn oudste geliefde - als reiziger welteverstaan. Al kan ik me niet precies herinneren wanneer die liefde voor het eerst is opengebloeid. Bij een chanson van Barbara allicht, een zinsnede van Serge Gainsbourg of een tekst van Moustaki, toen er thuis in de jaren vijftig, in de prehistorie van de televisie, maar één zender te bekijken viel : Lille.
...

Frankrijk is niet mijn favoriete land, maar wel mijn oudste geliefde - als reiziger welteverstaan. Al kan ik me niet precies herinneren wanneer die liefde voor het eerst is opengebloeid. Bij een chanson van Barbara allicht, een zinsnede van Serge Gainsbourg of een tekst van Moustaki, toen er thuis in de jaren vijftig, in de prehistorie van de televisie, maar één zender te bekijken viel : Lille. Veel later ontdekte ik Parijs, pastis, de Azurenkust en de Citroën DS, het futuristische product van wat toentertijd het wonderlijkste automerk van het westelijk halfrond was. Geleund tegen de zinc maakte ik kennis met baguettes en croissants (toen nog druipend van de boter) en die schaamteloze vorm van opschepperij die voor Vlamingen zo volstrekt onwerelds aandoet. De meeste Fransen geloven nog steeds dat Parijs het centrum is van een wereld die eindigt bij Martinique of Réunion, al hebben enkele zonderlingen inmiddels Londen en New York ontdekt. Ze wagen zich zelfs aan een onverstaanbaar soort Engels. Mijn liefde voor Frankrijk is niet altijd op te hangen aan tastbare feiten en plekken, maar veeleer aan vage gevoelens van welbehagen en zorgeloosheid ( on s'en fout) en aan een charmante vorm van onvolmaaktheid, die het best tot uitdrukking komt in hotelkamers waar kranen meestal lekken en douchegordijnen er gescheurd bijhangen. Toch heeft die Franse slag er me nooit van weerhouden om zuidwaarts te trekken. In het najaar keer ik steevast terug naar het terras van het Parijse Café Flore om er bij de koffie de oogst aan nieuw verschenen boeken te savoureren. Om dan later, na vele koffies en dronken van taal en literatuur, de Boulevard Saint-Germain over te steken om bij Lipp het perfecte bistrogevoel te ondergaan. Soms ook rijd ik uren over kronkelende départementales zonder flitspalen, en luister achter het stuur naar breed uitgesponnen interviews op France Culture. Een enkele keer koop ik bij de volgende halte uit nostalgie weer een pakje Gauloises sans filtre en doe me in een dorpscafé (net als onze koningin) te goed aan een taalbad. Want praten kunnen ze, die Fransen. Fransen geloven dat ze de beste chefs ter wereld in huis hebben, dat de mooiste vrouwen in Frankrijk wonen, dat ze de meest fascinerende mode ontwerpen en de allerbeste wijnen serveren. Terwijl ze eigenlijk alleen maar de beste praatjes verkopen, zowel op café als op televisie. Maar ik vergeef het ze graag en spits de oren als ik in een gesprek nieuwe, welluidende woorden of gezegden hoor vallen, waarvan ik de betekenis probeer te raden. Woorden als cucurbitacées ('de komkommerachtigen') of callipyge ( qui a de belles fesses, harmonieusement arrondies) of de mysterieuze, zo moeilijk te vatten uitdrukking une femme qui a du chien. Al jaren informeer ik bij elke Franse tafelgenoot naar de betekenis van die uitdrukking, en telkens weer luister ik naar een andere definitie over een toch wel heel bijzondere soort vrouw. Elke nieuwe omschrijving vergroot evenwel de verwarring. Woorden als passioneel, wild, persoonlijk, vol zelfvertrouwen vallen dan, maar scherpomlijnd is het nooit. Al heb ik inmiddels wel begrepen dat prinses Mathilde niet aan die definitie beantwoordt. Hilde Van Mieghem dan juist wel. pierre.darge@knack.bePierre Darge