Een stille straat in Ukkel verbergt het Mekka voor interieurarchitekten en meubelontwerpers. Twintig jaar geleden opende het Museum van Buuren zijn deuren, maar tot voor kort was het onbekend bij het grote publiek. Het is voor de art deco wat het Hortahuis is voor de art nouveau :
...

Een stille straat in Ukkel verbergt het Mekka voor interieurarchitekten en meubelontwerpers. Twintig jaar geleden opende het Museum van Buuren zijn deuren, maar tot voor kort was het onbekend bij het grote publiek. Het is voor de art deco wat het Hortahuis is voor de art nouveau : een mijlpaal in onze kunstgeschiedenis. PIET SWIMBERGHEfoto's : JAN VERLINDE Terwijl iedereen in Gent de kunstkollektie van David van Buuren (zie kadertje) bewondert, moet men eigenlijk zijn tot museum ingerichte woning gaan bekijken eer ze straks door bezoekers wordt overrompeld. Voor wie geboeid is door moderne architektuur en dekoratie, biedt het huis van Buuren overvloedig veel inspiratie. Dat is niet evident, want het is een vooroorlogse kreatie. Vooral de manier waarop het gebouw en de inrichting met elkaar versmolten zijn tot één Gesamtkunstwerk, is biezonder. De hedendaagse interieurdekoratie evolueert opnieuw in die richting. Tot voor enkele jaren bestond een modern interieur louter uit een kollektie design, tentoongesteld in kale vertrekken met witte muren. Nu vormt alles weer één geheel, van de fauteuils tot en met de gordijnen. Maatwerk wordt weer gewaardeerd. Steeds meer interieurarchitekten ontwerpen wandkasten, tapijten, tafels en zetels, en laten het schilderwerk vervolgens aanpassen. Het huis van Buuren geeft interieurontwerpers verfrissende ideeën. Sommige lichtarmaturen en fauteuils kan men moeiteloos in een contemporaine omgeving integreren. Het huis is ook rijkelijk met hout bekleed. Dit materiaal kent veel bijval bij hedendaagse designers. In de eerste plaats komt de liefhebber van art deco er aan zijn trekken. Deze tempel uit de Dolle Jaren werd in 1928 voltooid. Hij is verbazend internationaal opgevat, met het uiterlijk van een Hollands landhuis, Frans meubilair en een grondplan à la Frank Lloyd Wright. Dit kunstwerk kan alleen in Brussel liggen : nergens in Europa werd er toen zo bont gebouwd. Rond het huis van Buuren ontdek je alle moderne stijlen : de Franse art nouveau, de zakelijke Bauhausstijl en voorbeelden van de Amsterdamse School. Van deze laatste stijl is het huis een enig voorbeeld. Niet verwonderlijk : de bouwheer kwam uit Nederland. David van Buuren is een telg van een oud joods geslacht uit Breda. In België werkte hij als bankier. Twee passies had van Buuren : zijn huis inrichten en kunst verzamelen. In de jaren twintig kwam de inrichting op de eerste plaats. Na zijn huwelijk met Alice Piette kocht hij grond in de Ukkelse Erreralaan. In plaats van een beroep te doen op één van de vele getalenteerde Belgische architekten, nam hij twee onbekende bouwmeesters onder de arm : Govaerts en van Vaerenbergh. Hij kon hen gemakkelijker manipuleren. Eigenlijk is hijzelf de vader van het huis. In een van de ontelbare verborgen muurkasten vond konservator Françoise Lechien zijn originele schetsen van het grondplan. Hij bepaalde zelfs de afmetingen, en liet zijn met kleurpotloden getekende plannetjes nakijken door zijn neef-architekt Johann Franco. Met alles bemoeide van Buuren zich, ook met de radiatorbekleding en de rolluikkasten, waarvan hij gedetailleerde tekeningen maakte. In haar pas gepubliceerde boek over het huis laat Lechien verstaan dat de bouwheer nogal koppig was. Hij drong zich ook op aan de dekorateurs door hun plannen tot in de kleinste details te verbeteren. David van Buuren was een moeilijke maar dankbare klant, want voor topkwaliteit betaalde hij royaal. Zonder zijn gedrevenheid was dit huis nooit zo volmaakt geweest. Op hun vele reizen leerde het echtpaar van Buuren tal van interieurontwerpers kennen. In Parijs stelde de jonge beeldhouwster Rachel van Dantzig hen voor aan de Ierse designer Eileen Gray. Het kwam tot een vriendschap maar niet tot een samenwerking. De enkele meubels die Gray ooit leverde, werden als tuingarnituur gebruikt. Dat kon ze moeilijk verteren. Maar haar stijl was de van Buurens te zakelijk : David en Alice vielen voor de meer burgerlijke art-decostijl. Slechts een klein gedeelte van het interieur werd door Belgische ateliers gerealizeerd : de eetkamer is van de Mechelse meubelfirma Wijnants, die ze via hun vriend Gustaaf Van de Woestijne hadden leren kennen. De befaamde Brusselse binnenhuisarchitekt Vanderborght Frères mocht enkel de slaapkamers inrichten. Voor de mooiste vertrekken werd buitenlands talent aangetrokken, ontdekt op de Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes in Parijs. Daar konden ze het neusje van de zalm bewonderen. Het oog van David viel meteen op Studio Dominique van architekt Domin en kunstenaar Genevrière. Deze voorname ensemblier kleedde de huizen aan van gerenommeerde couturiers, juweliers en antiquairs. Alice was ook vertrouwd met het Parijse haute-couturemilieu. Ooit was Christian Dior te gast in de Erreralaan. Studio Dominique mocht het salon maken met overdadig veel exotisch hout : palissander uit Brazilië, sycomore (Egyptische vijgeboom) uit Jeruzalem, en ebbehout uit Makassar. De blikvanger van de cosy-corner, gebouwd naar een voorbeeld van Frank Lloyd Wright, is een elegante palmboomlamp met ivoren sokkel. Dominique leverde er ook een fijn cilinderbureau voor madame bij. Daarrond pronken komfortabele sledefauteuils in massief palissander, bekleed met grijs Kabylisch fluweel. Van Buuren hing er zijn oudste tableaus tussen : De val van Icarus van Pieter Bruegel de Oude en een landschap van HerculesSeghers. Gedurfd, want onder de salontafel legde hij hypermodern tapijt van de Nederlandse kunstenaar Jaap Gidding, die ook meewerkte aan het beroemde Tuschinski-teater in Amsterdam. Dit abstrakt aksent bewijst dat David toch iets voelde voor De Stijl. De salons dragen een Parijse stempel, maar de inkomhal is pure Amsterdamse School. Door de overvloed aan palissander en glasramen hangt er een Byzantijnse sfeer. Daar zorgt ook de monumentale luchter voor van de vermaarde Nederlandse ontwerper Jan Eisenloeffel. Dit ensemble heeft ook Weense trekjes, want de geometrische opbouw van de trap is een knipoog naar het Palais Stoclet. Eisenloeffel is trouwens van Weense afkomst. Boven is de studeerkamer het belangrijkste vertrek. Er hangt een gedempte sfeer. Vermoedelijk hier onderhandelde David met de vele kunsthandelaars die zijn kollektie stoffeerden. Hij hing er enkel oude meesters op. Het bureau was zijn lievelingsmeubel. Het kostte een fortuintje, want het is met uiterst kostbare materialen bekleed. Het schrijfblad is van segrijn (galuchat, haaievel). Naast het bureau is er een klein atelier waar David zelf wat schilderde. Hij was een verdienstelijk amateur. Het deed ook dienst als leefkamertje voor de winter, en is tot onze verbazing banaal van stijl. Van daaruit is het zicht op de gigantische tuin adembenemend mooi. Het is een van de fraaiste en grootste tuinen van de hoofdstad. De bewoners kochten stelselmatig aanpalende percelen op om hun lusthof uit te breiden. De oudste aanplantingen stammen uit de jaren dertig en zijn van tuinarchitekt Jules Buyssens. Het meer spectaculaire gedeelte werd pas gerealizeerd in 1956, na het overlijden van David. Hiervoor deed Alice een beroep op tuinarchitekt René Pechère, die onder meer een imposant labyrint aanlegde. Het huis van Buuren bevat ook een riante kunstkollektie. Daar is op de Gentse tentoonstelling maar een deel van te zien. De rest staat in het huis of rust in de reserve. Bij de schilderijen zit onder meer werk van Georges Braque, Max Ernst, Paul Signac, Van Gogh, Kees van Dongen en Gustaaf Van de Woestijne. Van deze laatste, die een vriend des huizes was, zijn er maar liefst 34 tableaus. Nergens krijgt men zo'n mooie Van de Woestijnes te zien. Het mag een wonder heten dat de kollektie de tijd trotseerde. Vergeten we niet dat van Buuren op de lijst stond van de 21 vooraanstaande Belgische joden die door de nazi's werden gezocht. Hij is gelukkig op tijd gevlucht, en kon zijn kollektie in veiligheid brengen. Een groot deel stond tijdens de oorlogsjaren op de zolder van zijn chauffeur. Ook Alice speelde een belangrijke rol in het bewaren van dit patrimonium. In 1970 richtte ze een stichting op, en dat was het vertrekpunt voor de uitbouw van het museum. In het salon kwamen veel beroemdheden over de vloer. Het werd uitgevoerd door de Parijse Studio Dominique, en er hangt Bruegel en Seghers.De inkom is pure Amsterdamse School. De Eisenloeffel-luchter kocht van Buuren opde Parijse expo van '25.Slechts een klein gedeelte van het interieur kwam uit Belgische ateliers. Deeetkamer is van de Mechelse meubelfirma Wijnants, op de stoelen na.Detail van de afwerking van de eetkamer.Het bureaumeubel kostte een fortuintje. Het werd uitgevoerd in de kostbaarste materialen, waaronder haaievel.De afwerking van het salon is van superieure kwaliteit : palissander uit Brazilië, sycomore (Egyptische vijgeboom) uit Jeruzalem, en ebbehout uit Makassar.De bijna grootste stadstuin van Brussel (meer dan een hektare), met een labyrint van René Pechère.