Piet Swimberghe / Foto's Michel Vaerewijck
...

Piet Swimberghe / Foto's Michel VaerewijckSinds enkele jaren wordt er meer en meer oud design verkocht. Ons land speelt een niet onbelangrijke rol in deze handel. Niet dat de Belgische kopers zo talrijk zijn, maar we hebben enkele handelaren die in binnen- en buitenland op het hoogste niveau opereren. We vonden drie dealers met een internationale reputatie bereid om enkele vragen te beantwoorden. Hun visie krijg je zelden te horen, hoewel ze minstens zo interessant is als die van bijvoorbeeld een museumconservator, die meer vanuit de kunstgeschiedenis redeneert. Deze handelaren verkondigen hun mening vanuit 'de buik', want ze zijn ook verzamelaars die echt verliefd zijn op design van de twintigste eeuw. Hun oog valt heus niet altijd op wat in de vakliteratuur als belangrijk wordt beschouwd, ze laten zich niet steeds charmeren door baanbrekers, maar evenzeer door zogenaamde achtergrondfiguren. We stippen wel aan dat ze het niveau overstijgen van de doorsneehandelaar in oud design uit de jaren vijftig en zestig zoals er tegenwoordig veel zijn in de buurt van de Antwerpse Kloosterstraat en de Brusselse vlooienmarkt.P hilippe Denis (Zavelstraat 1, Brussel) runt niet enkel een van de mooiste winkels van de Zavel, hij is ook internationaal zeer actief, zoals op de belangrijke antiekbeurzen van Parijs, New York en Maastricht. Doordat ik overal koop en verkoop, onder meer in Scandinavië, fascineren mij heel uiteenlopende figuren. Maar iemand die me bijzonder aanspreekt, is Carlo Mollino. Veel mensen beschouwen hem als een soort gek. Vergeleken met zijn tijdgenoten was hij inderdaad zeer uitbundig, maar als je je verdiept in zijn oeuvre, dan ontdek je een persoonlijkheid van formaat die functie en fantasie aan elkaar koppelt. Hij was ook op heel diverse terreinen actief, zelfs in de architectuur. Mollino inspireerde zich op de natuur, waardoor zijn werk soms iets erotiserends heeft. Hij heeft trouwens ook erotische foto's gemaakt. Maar hij werd evenzeer gefascineerd door onderdelen van machines. Sommige van zijn stoelen lijken bijvoorbeeld op schroeven. Hij staat dus ver af van het uitgepuurde, zeg maar protestantse, cerebrale design van een Rietveld, die wel interessant is maar waarvan de stoelen bijvoorbeeld niet te gebruiken zijn. Het is jammer dat de meubels van Mollino zo moeilijk te vinden zijn. Het waren immers geen serieproducten, dus zijn ze gering in aantal en ze kostten destijds ook heel veel. Voor een stoel van Mollino betaalde je toen al meer dan voor een gemerkte Lodewijk XVI-stoel. Ik ben gek op stoelen. Uiteraard die van Mollino, maar ik vind ook de stoel van Gerald Summers prachtig, van uitgesneden en geplooid gelamineerd hout. Voor zilverwerk denk ik aan Tapio Wirkkala, die zich inspireerde op de natuur. Hij ontwierp prachtige schalen in de vorm van een druppel water. Maar voor u heb ik iets anders gekozen: een zilveren schaal van Franco Albini, weer geen echte zilverontwerper maar iemand die huizen bouwde en zelfs auto's heeft getekend. Deze schaal, ooit een van de eerste prijzen op de triënnale van Milaan, werd vervaardigd in de jaren zeventig, toen er zogenaamd geen mooi zilverwerk was. Dit bewijst het tegendeel. Zilver heeft het nadeel dat het altijd rijkdom moet uitstralen, daardoor is de zilversmederij conservatiever. Maar Albini begreep dat dit niet nodig was en hij bedacht iets dat totaal anders is. Zo anders dat de schaal tijdloos is van vorm. Eigenlijk is het juist boeiend zilver te zien van iemand die uit een andere discipline komt, die tovert al snel iets speciaals te voorschijn. Voor mij is die indeling van weinig tel. Het is wel een feit dat er na de oorlog meer vrijheid was. Toen was het ook gedaan met de art deco, die eigenlijk heel ouderwets en bourgeois was. Maar het boeiende aan de twintigste eeuw is wel dat er een verscheidenheid aan stijlen was, van simpel tot barok en exuberant. Bovendien greep er ook steeds een geografische verschuiving plaats, van Glasgow naar Duitsland, Wenen, Brussel en daarna naar Parijs en uiteindelijk naar Scandinavië en Italië. Trouwens, in die naoorlogse periode trekt vooral Finland mijn belangstelling. Dit kleine land, met geen vijf miljoen inwoners, te klein voor een eigen afzetmarkt, is altijd zeer creatief geweest. Het waren de Finnen die begin jaren vijftig alle prijzen wegkaapten op de triënnales van Milaan en die daardoor al snel door de Italianen werden gekopieerd. De oorsprong van het Italiaanse design ligt dus in het verre noorden. De Finnen blijven trouwens zeer sterk.Ik denk dat we stilaan evolueren naar een heropleving van het handwerk, de Arts and Crafts komen terug. Dat merk je ook op filosofisch gebied, denk maar aan het ecologische denken dat overal doordringt. In het design merk je eenzelfde evolutie, waardoor die serener wordt. Ik zie een design dat uitgesproken zen is en een minimum aan decor heeft. T erry Calleja (Wijngaardstraat 23, Antwerpen) heeft nooit iets anders gezocht en verhandeld dan kunst, meubilair en objecten uit de voorbije eeuw. Destijds maakte hij naam en faam met designglas. Hij is een uitgesproken avant-gardist, want als handelaar zoekt hij ontwerpers die grenzen hebben verlegd. Mijn antwoord is klaar en duidelijk: ik kies voor Henry Van de Velde. Zonder hem was er in die eeuw veel minder gebeurd, hij was immers een van de stichters van het Bauhaus. Ik hou van constructivistische kunst, architectuur en meubilair, dus al wat dicht aanleunt bij de bouwkunst. Het is precies in deze context dat we figuren als Van de Velde en Gropius ontmoeten. De vooroorlogse fascineert me meer, omdat het toen allemaal begonnen is. In het begin was de productie ook kleiner. Dat maakt het voor verzamelaars extra boeiend en uitdagend, want dat soort maatwerk is moeilijk te vinden. Let op, niet alles was maatwerk, het Bauhaus begon immers met het eerste industriële design. Mijn voorkeur gaat daarom niet uit naar de Belgische avant-garde. Voor België is trouwens de vroegere periode belangrijker, die van de art nouveau. Wat het constructivisme betreft, waren de Belgen reeds navolgers. De buismeubelen waren er in het buitenland al in de jaren twintig en bij ons pas in de jaren dertig. Dat is maar enkele jaren later, maar toch wel significant.Hoewel mijn hart naar constructivistisch meubilair uitgaat, heb ik momenteel iets ouders in huis wat me bijzonder aanspreekt: een taboeret van de Brusselse architect Paul Hankar. Het mag gerust naast een stuk staan van Van de Velde. Het is evenzeer een avant-gardeobject, nog gemaakt in de laatste jaren van de negentiende eeuw, heel bijzonder van vorm. Het zit tussen de Arts and Crafts en de Japanse kunst in. Meubels van Hankar zijn trouwens uiterst zeldzaam. De taboeret heeft ook wat van de meubels van de Luikenaar Serrurier-Bovy, eveneens een belangrijke ontwerper die net zoals Hankar vroeg gestorven is. Je kunt je afvragen waarmee zij ons nog allemaal zouden hebben verrast mochten ze langer hebben geleefd. Daarnaast vind ik natuurlijk veel design fascinerend en mooi. Ik hou ook niet van één soort materiaal, ik vind zowel hout, metaal als kunststof boeiend. En ik ben ook geïnteresseerd in de jaren vijftig en zestig. Maar in wat toen werd gemaakt en nu niet meer in productie is, geen replica's dus. Bijvoorbeeld de meubels van Ponti, Mollino of zelfs van een Jules Wabbes, die heel mooie en duurzame dingen maakte. Voor een interieur vind ik dat je van alles mag combineren, anders wordt het een beetje saai. Een volledig interieur van Le Corbusier dus liever niet. Ik hou van een zeker eclecticisme, maar alles moet wel min of meer bij elkaar passen. Niet echt intensief, omdat je niet alles kunt volgen. Mijn interessegebied is al zo ruim. Ik vind ook dat er al zoveel werd ontworpen en dat veel van wat nu op de markt komt toch op oudere voorbeelden is gebaseerd. M arc Hotermans is in de eerste plaats een restaurateur van modern meubilair. Daarvoor wordt hij trouwens door verzamelaars en musea uit binnen- en buitenland geconsulteerd. Hij is gespecialiseerd in gepolychromeerde meubels van voor en na de oorlog. Daardoor kent hij de meubels van Rietveld, Hoste, Huszar en Le Corbusier als geen ander. Al dertig jaar ben ik restaurateur, van art nouveau tot hedendaags meubilair. Ik heb een secretaire van Le Corbusier, gemaakt in 1927, die voor mij het summum is. Het is een van de zeldzame stukken die ik tijdloos vind. Daarmee wil ik zeggen dat het zowel uit de jaren twintig kan stammen als van recente makelij kan zijn: het is qua concept nog steeds actueel. Dat kun je niet beweren van art deco of van het meeste modernistische werk. Zelfs veel Bauhaus-meubels zijn gedateerd. De secretaire is ook prachtig van opbouw, het is net een stuk architectuur. Onder de buitenpanelen zit een heus skelet zoals van een betonnen gebouw. Het is een van de zeldzame voorbeelden van de meubels van Le Corbusier die ook als een bouwwerk zijn opgetrokken.Te veel om op te noemen. Er zijn de meubels van Walter Gropius en Ludwig Mies van der Rohe. Ik koester een grote bewondering voor Alvar Aalto, omdat hij alles, ook de materialen, anders heeft benaderd. Aan hem voel je dat de Finnen verwant zijn aan de Aziaten. In hun ontwerpen herken je de invloed van de Japanse en Chinese vormgeving. Nee, voor mij bestaat er amper een verschil. Wat van fundamenteel belang is, is het gebruik van nieuwe technieken en de introductie van de serieproductie na de oorlog. Dat begon al wel ervoor, maar brak daarna goed door. Materialen zijn belangrijk. Ik denk trouwens dat de belangstelling voor nieuwe materialen zal groeien. In die zin vind ik ook het actuelere design interessant omdat mensen als Ron Arad en Mark Newson nieuwe wegen trachten te ontdekken. Het is belangrijk dat je je historische kennis blijft bijschaven, zo kun je alles beter plaatsen. En daar wordt, ook door de pers, te weinig aandacht aan geschonken. Ik heb het over de historische achtergrond. Wie bijvoorbeeld over Eileen Gray schrijft, moet benadrukken dat dit heel oude ontwerpen zijn en haar werk niet als iets nieuws voorstellen. Dat gebeurt immers. Hetzelfde probleem ontdek je in tal van kunstscholen, waar lesgevers te weinig nieuwsgierig blijken te zijn naar de herkomst van alles. Zo krijg je al snel de indruk iets nieuws te ontdekken, terwijl het misschien al lang bestaat. Starck is nog zo'n voorbeeld: hij heeft zich altijd geïnspireerd op wat een ander uitvond. Hij heeft alles wel verbeterd maar het komt toch elders vandaan. Dat hoor je te weten.