SCHILDERIJEN
...

SCHILDERIJENIk erfde vier ovale schilderijen van mijn grootmoeder. Ze stellen de jaargetijden voor. Ze zijn gemaakt door een schilder uit Tienen, een zekere Peeters. Hebben ze enige waarde ? Konservator Norbert Hostyn vond niets terug over de schilder E. Peeters. Uit de kwaliteit en de techniek leidt hij af dat het om werk gaat van een dekoratieschilder. Iemand die de technieken beheerst van de faux-marbre, de faux-bois, en de plafond- en muurdekoraties. Een schilder die okkasioneel "losse" werken op doek borstelde. In elke stad was wel zo iemand aktief. Vaak grepen deze schilders terug naar voorbeelden van andere kunstenaars. Zo waren deze vier jaargetijden (op de foto staat de lente afgebeeld) in 1938, toen ze werden geschilderd, vrij ouderwets. De antikwarische waarde is gering. Het loont niet echt de moeite om grote kosten te maken voor de restauratie, tenzij ze natuurlijk een sentimentele waarde hebben. VAASWe tikten dit vaasje op de kop bij een brocanteur. Er staat geen merk op. Waar komt het vandaan ? Deze mondgeblazen vaas is van net voor de Eerste Wereldoorlog. Haar golvend silhouet is typisch voor de art nouveau. Het gaat niet om een topstuk. Het is een gewone, goedkope vaas die naderhand beschilderd werd, misschien met gewone olieverf. Vroeger werden veel borden en vazen beschilderd door mensen die zich geen dure siervoorwerpen konden veroorloven. Ze deden dat met gewone verf die gemakkelijk afbrokkelt. De dekoratie kan ook op het oppervlak zijn gebakken. Dergelijke vazen hebben slechts waarde als ook de pendant is bewaard. Ze kwamen immers steeds in paar voor. De waarde van een enkel stuk bedraagt nauwelijks meer dan 1500 fr. STROOIBUSWe vragen ons af of dit een strooibus is voor zout of suiker. Het voorwerp ziet er zeer oud uit. Er staat geen merkje op. Deze antieke strooibus stond twee eeuwen geleden op de ontbijttafel van een burgerman. Bij rijke lui was dit recipiënt van zilver. Het gaat uiteraard om een strooibus voor poedersuiker. Zoutstrooiers bestonden nog niet. Het zoutvat is helemaal anders van vorm, nl. een schaaltje waarin grove zoutkristallen liggen. De suikerstrooier verscheen rond 1650 op tafel en verdween rond 1820. Tinnen strooibussen zijn zelden gemerkt. We schatten de waarde van dit versleten eksemplaar op 2500 fr. BOULLEIs dit een echt antieke pendule (60 cm hoog) ? Ja en nee. Deze elegante tafelklok is een kopie van een oud model. Maar een oude nabootsing van 140 jaar oud. Rond 1850, de overgangstijd van de Louis-Philippe-stijl naar de Second Empire, waren de 18de-eeuwse modellen erg in trek. Het voorbeeld van de klok is een flink stuk ouder, wel 100 tot 120 jaar. In die tijd (tussen 1680 en 1740) was de zogenaamde Boulle-techniek zeer geliefd. Deze techniek werd tot ontwikkeling gebracht door de vermaarde Franse ebenist André Charles Boullé (1642-1732). Daarbij worden de meubels versierd met uit dunne platen koper en schildpad gezaagde ornamenten. De Boulle-marqueterie bleef ook na zijn dood populair en kende een revival in de tweede helft van de vorige eeuw. Hoe zie je nu dat dit geen 18de-eeuwse, maar een 19de-eeuwse pendule is ? Vooreerst is het bronzen beslag te grof. Sommige ornamentjes kwamen niet voor in de tijd van de Verlichting, zoals de schelp net boven de wijzerplaat. Ook de kombinatie van koper met zwart is karakteristiek voor de vorige eeuw. Dit neemt niet weg dat het om een waardevolle klok gaat. We schatten haar op 50.000 à 70.000 fr. PIET SWIMBERGHE