Hoeveel interieurs ik heb bezocht? Geen idee, sowieso heel veel. Niet dat ik altijd de vragen stel, de bewoners zijn zelf ook best nieuwsgierig. Omdat je zoveel hebt gezien en kunt vergelijken, peilen ze graag hoe mooi of origineel je hun interieur wel vindt. Of ze willen weten waar je iets op de kop kunt tikken. Maar de vraag die steevast terugkomt, meestal aan het einde van een gesprek en bedoeld als beleefde afronding: "Hoe woon jij eigenlijk?"
...

Hoeveel interieurs ik heb bezocht? Geen idee, sowieso heel veel. Niet dat ik altijd de vragen stel, de bewoners zijn zelf ook best nieuwsgierig. Omdat je zoveel hebt gezien en kunt vergelijken, peilen ze graag hoe mooi of origineel je hun interieur wel vindt. Of ze willen weten waar je iets op de kop kunt tikken. Maar de vraag die steevast terugkomt, meestal aan het einde van een gesprek en bedoeld als beleefde afronding: "Hoe woon jij eigenlijk?" Ik antwoord niet altijd even eerlijk, soms maak ik me er snel van af met: "Modern." Dat is makkelijk, niemand stelt zich daar vragen over. Als ik naar waarheid antwoord: "In een ongewoon allegaartje van oudheden en vintage", dan moet ik meer uitleg geven. Want leef je daar nu tussen als je ook over hedendaagse architectuur of vintage design durft schrijven? Dat wekt bij architecten en designers meteen argwaan op. Het verbaast me dat veel mensen al die stijlen in hokjes stoppen en er meteen ook een waardeoordeel over hebben. Je woont ofwel "antiek", "modern", "retro" of "met vintage". Iets tussenin is onvoorstelbaar. Het is precies die stijlzuiverheid waaraan ik wil ontsnappen en waar ook antiquair Jean-Philippe Demeyer in dit nummer van baalt: de eenstijlinterieurs. Mijn vrienden- en kennissenkring is zo heterogeen als mijn smaak; je interieur is immers een spiegel van je ziel. Ik ben opgegroeid in de jaren '60 in een artistiek, modern designinterieur tussen Bertoia en Braakman. Op mijn twaalfde ontdekte ik de charme van de oudheid. Na het vinden van oude scherven begon archeologie me te boeien. Ik haalde gewoon alles in huis: van middeleeuwse meubelfragmenten tot het Doornikse servies waar we dagelijks uit eten. Het hoeft niet waardevol te zijn en mag bovendien wat beschadigd zijn. Intussen heb ik mijn grenzen verlegd tot vintage design. Ik koop graag en laat veel spullen in de wagen slingeren, tot ze op zolder belanden of in de kamer van de kinderen. Het is gek, maar het lijkt erop dat de volgende generatie weer helemaal tuk is op 'oud en wat versleten', dus op brocante en antiek. Dat wellicht uit een gevoel van nostalgie en als reactie op de overvloed aan industriële consumptiegoederen. Wat oud is, kan je niet meer bestellen. Je moet het toevallig vinden. Daardoor is het extra origineel. Dat wordt toch een beetje de trend van morgen. Dus mag ik nu weer antwoorden dat er ook antieke spullen in ons huis staan, dat was een hele poos not done. Maar ik verafschuw bourgeoisantiek, kussenkasten, Franse boerenmeubels of banale Delftse borden. Geef mij originele, ongewone spullen met een hoek af. Toch zullen die nette eenstijlinterieurs uit de op schoendozen lijkende verkavelingsvilla's altijd blijven bestaan. Omdat je nu eenmaal mensen hebt die houden van netheid en orde en bang zijn voor chaos. Niet alleen oude spullen zijn terug, ook wonen in het groen is weer in. Ik heb het gevoel dat de kleine tweede verblijven in het bos of op het platteland, liefst niet te ver van huis - je hoeft er geen trein of vliegtuig voor te nemen - weer een succes worden. Na de grote trek naar de stad van de voorbije jaren, die leidde tot astronomische vastgoedprijzen, maken we straks een retour mee naar het groen. De bosbewoners in dit nummer laten ons dat zien. Ook dat is een portie gezonde 'anticonsumptie' waar je beter van wordt. piet.swimberghe@knack.be PIET SWIMBERGHENiet alleen oude spullen zijn terug, ook wonen in het groen is weer in