Het was de hele winter kwakkelweer in Andalusië. Daarom is dit voorjaar alles uitzonderlijk groen. Ook in Sevilla. De vrijmoedige geur van bloeiende sinaasappelbomen verrast voorbijgangers. Je ziet mensen plots stilhouden, hun neus oprichten en glimlachen. De witte bloemen zijn vroeger dan anders. Het duurt zeker tot eind juni eer de zon de sporen van zoveel gretig drinken zal hebben uitgewist. Tegen dan worden de smalle straten van de oude binnenstad weer overspannen met dikke zeildoeken en rept iedereen zich na de middag naar huis voor de obligate siësta. Nu duwen vroege wandelaars voor de Giralda hun handen nog diep in hun zakken. Sevilla wordt wakker en maakt zich op voor het ontbijt.
...

Het was de hele winter kwakkelweer in Andalusië. Daarom is dit voorjaar alles uitzonderlijk groen. Ook in Sevilla. De vrijmoedige geur van bloeiende sinaasappelbomen verrast voorbijgangers. Je ziet mensen plots stilhouden, hun neus oprichten en glimlachen. De witte bloemen zijn vroeger dan anders. Het duurt zeker tot eind juni eer de zon de sporen van zoveel gretig drinken zal hebben uitgewist. Tegen dan worden de smalle straten van de oude binnenstad weer overspannen met dikke zeildoeken en rept iedereen zich na de middag naar huis voor de obligate siësta. Nu duwen vroege wandelaars voor de Giralda hun handen nog diep in hun zakken. Sevilla wordt wakker en maakt zich op voor het ontbijt. Koffie wordt buitenshuis gedronken in de vele koffiehuizen en tapabars. Samen met een tostado con jamón ibérico, een geroosterd broodje met ham van zwarte varkens. Het ritueel voltrekt zich staande. Tenzij je niet hoeft te werken en kunt blijven zitten tot de zon hoog genoeg staat om je koude ledematen op te warmen. Niets doet vermoeden dat in deze contreien op zomerdagen de mussen al vroeg in de ochtend gapen van de hitte. En dat de nachten zo zwoel zijn, dat zelfs de meest stijve hark zich waagt aan een sevillana. In Duende omschrijft Ivo Hermans deze dans als de toeristenflamenco bij uitstek. Dat is ook zo, maar op het vrolijke ritme danst wel heel Andalusië zijn schoenen af. De sevillana laat toe om op een onschuldige manier te flirten met onbereikbare vrouwen of mannen, want het vierdelige parcours lijkt opvallend veel op de paringsdans van de flamingo. Op feesten zijn het vaak de vrouwen die met elkaar dansen en dan valt die gemaskeerde spanning uiteraard weg. Het doet de Spanjaarden eindeloos plezier als je het ook eens probeert. Het is de enige dans die buitenlanders op korte tijd kunnen leren, als ze tenminste niet verstrikt raken in de uitdagende blik van hun danspartners. De Andalusische jeugd heeft het er minder lastig mee. Zij krijgt de cadans met de paplepel opgeschept en bij de minste muziektoon gaan de armpjes van kokette kleine meisjes met een draaiende beweging de lucht in. Ik las "Duende" tijdens de eerste weken van mijn verblijf in Sevilla in 1998. Het boek slingerde daarna twee jaar rond in huis want er was altijd wel iemand die lectuur vroeg over Andalusië. De traditionele reisgidsen gingen mee in de schoudertas op tochten naar Ronda, Tarifa, Cádiz of de pueblos blancos. Maar "Duende" werd gelezen in de hangmat onder de peperboom, met een glas koude fino (droge sherry) en met flamencomuziek op de achtergrond. Niemand kon meteen alle namen onthouden van de gitanos waarover Hermans vertelt. En evenmin van de vele flamencostijlen die hij in zijn boek beschrijft. Maar de vrienden die met mij door Sevilla en omstreken dwaalden, herinneren zich vandaag nog de namen van de buurten waar zij hun pas verworven kennis toetsten aan de werkelijkheid. Waar ze zich volzogen met geluiden en impressies die blijkbaar moeiteloos tot vandaag in hun brein zijn achtergebleven. En waar ze emoties gewaarwerden waartoe introverte noorderlingen zichzelf niet in staat achtten. Triana in Sevilla, het Albaicín in Granada, Plaza de Toros in Ronda, de Paseo San Felipe Neri aan de haven van Cádiz. Na afloop van zo'n verkenningstocht werd het boek van Hermans vaak opnieuw ter hand genomen. Een woord, een anekdote weer opgezocht. Om met andere ogen te worden herlezen. Met meer begrip, en ook altijd met meer plezier. Terug naar Spanje voor een verkenning van de vierhoek Sevilla, Ronda, Tarifa en Cádiz in het gezelschap van de auteur zelf? Men moest het mij geen twee maal vragen. Het idee om de flamenco beter te leren kennen tijdens een muzikale rondreis met een kleine groep adepten, waarom ben ik daar zelf nooit op gekomen?Flamenco kan zeer verwarrend zijn voor wie de tijd niet neemt om zich te laten inwijden. Als in een taberna het geroezemoes verstilt en een donkere stem om aandacht vraagt, roept ook het hart van de toehoorder om uitleg. Wat betekenen die Spaanse woorden, vaak maar half uitgesproken zoals gebruikelijk is in Andalusië? Wat vertellen die handen die ritmisch klappen alsof ze zelf instrumenten zijn? Flamencozangers kondigen aan wat ze zullen zingen. Een droevige buleria, een klagelijke siguiriya, of een opgewekte alegría. De gezichten en de handen van de zangers voegen kleur toe aan hun woorden. De onderwerpen van vele liederen zijn eenzaam verlangen of onbeantwoorde liefde. Maar verkijk je niet op deze weemoed, want in de ogen van de muziekkunstenaars ligt het vuur van de hoop en de vechtlust. A pesar de todo. Ondanks alles. Vaak is er een voor buitenlanders moeilijk vatbare intimiteit tussen cantaor (zanger) en publiek. Soms gaat het om gedeelde feestvreugde, soms om niets minder dan diepe achting voor de kunstenaar die zijn of haar gemoed lucht in de beslotenheid van een schemerige bar. En opgesloten in deze cirkel van sterke emoties ligt de echte duende, de knieval van de ziel. Ivo Hermans beschrijft deze kortstondige maar intense koorts als de kracht die uitstijgt boven de redelijke kennis, recht naar de wereld van de geesten. Koester geen illusies, duende is geen souvenir dat men zich aanschaft met een kredietkaart. Toch zal een muziekreis door Andalusië vroeg of laat uitmonden in dat inspirerende moment. Als de spanning maar wordt opgebouwd en de honger aangescherpt. Net zoals veel toeristen maakt ons kleine groepje kennis met flamenco in restaurant Tablao El Arenal in Sevilla. De tablaos hebben de oude café-cantantes vervangen. Je vindt ze overal in de provincie. Op het programma steevast een greep uit het ruime aanbod van flamencostijlen. Er wordt virtuoze gitaar gebracht, sfeergevoelige zang en vlekkeloze dans. Soms overstijgt een artiest bijna argeloos deze commerciële flamenco en begint de maagdelijke toehoorder te vermoeden dat er meer moet zijn. Het overkomt ons gezelschap al die eerste avond in Sevilla. De danser in kwestie, lang en slank, heeft gitzwarte krullen en raakt vrijwel meteen de gevoelige snaar die vier danseressen voorheen onberoerd lieten. Luis Maya, die naam moeten we onthouden, aldus gids Ivo Hermans. Die duikt vroeg of laat op een Vlaams podium op. Flamenco is vervlochten met de geschiedenis van Andalusië. De sporen van flamenco tekenen het straatbeeld. Niet alleen in de kleurige vitrines van oude magazijnen waar de opzichtige trajes de flamenco en waaiers worden verkocht. Ook de standbeelden van beroemde artiesten vertellen hun verhaal. Manolo Caracol in Sevilla, Terremoto in Jerez de la Frontera, Camarón in San Fernando nabij Cádiz. De aangezichten van de helden van de flamenco mogen dan versteend zijn, hun muziek is dat zeker niet. Het zijn stille figuren zoals ze daar zitten op hun sokkel. Dit natte voorjaar stond Caracol op het Sevillaanse Alameda de Hercules zelfs met zijn voeten in het water. Achter ieder van hen liggen de onvermoede levens van gitanos, vrank en vrij, met harten groot genoeg om de symboliek van een heel volk te bevatten. Helaas, het is waar dat veel zigeuners in Andalusië er niet langer in slagen om de tradities ongeschonden in stand te houden. De ouderen zien met lede ogen toe hoe de nieuwe generaties het fatsoen van het hele volk te grabbel gooien. Nogal wat jonge gitanos verkiezen drugs boven de fino die hun vaders drinken. Dit moedigt bezoekers wel eens aan tot een zekere vooringenomenheid die meer onrecht aandoet dan nodig is. Erger echter is de angst van flamencologen dat samen met de volksgebruiken ook de bronnen van flamenco zullen opdrogen. Laat hun angst onterecht zijn. De honger naar passie in dit land zal de wortels van deze kunstvorm blijven voeden. Daar zijn genoeg indicaties voor. Nog elk jaar worden tijdens de semana santa voor Pasen, de pasos of de bijbelse taferelen met de smetteloze madonna's en de vele versies van de lijdende Christus door de straten van de steden en dorpen van Andalusië gedragen. En nog jaarlijks ontlokt dit aan uitermate getalenteerde mensen de diepvrome saetas, of religieuze gezangen die doordringen tot de ziel van zelfs de grootste ketters. Flamenco is ook verbonden met de stierengevechten, met de toros bravos, met de vele rituelen die er verband mee houden. En met de talrijke ferias, de dorpskermissen waarvan de feria de abril in Sevilla de meest spectaculaire is. De Andalusiër die niet ten minste één van deze diepgewortelde tradities daadwerkelijk in ere helpt te houden, moet nog geboren worden. Toch is men zich ervan bewust dat de geschiedschrijving van de flamencomuziek en -dans niet alleen op overlevering kan berusten. In het Centro Andaluz de Flamenco in Jerez de la Frontera wordt alles verzameld wat er van ver en van dichtbij mee te maken heeft. Met stukjes en beetjes. Het verhaal is echt nog niet afgelopen. Op de laatste Bienal de Flamenco in Sevilla is weer gebleken dat er altijd kleine garnalen zullen opstaan om de flamenco op ongekende hoogten te houden. Kleine garnaal was het koosnaampje van José Monje Cruz, later wereldberoemd als Camarón de la Isla. Hij is jong gestorven, deze schitterende artiest die alle flamencostijlen kon zingen. Hij ligt begraven in San Fernando nabij Cádiz, in een zwart praalgraf dat zijn beeld draagt. Er staan verse anjers, de zigeunerbloemen die het hele jaar door in de broeikassen rond Chipiona worden gekweekt. Maar zijn ziel woont in de Venta de Vargas, zijn stamcafé zullen we maar zeggen. Men eet er tussen de ontelbare foto's van Camarón en zijn vrienden. Zelfs de Spaanse koning Juan Carlos kwam er op bezoek. Hij zal er zeker langoustines uit Huelva hebben gegeten, doorgespoeld met een paar glazen manzanilla (de heel bijzondere fino) uit Sanlúcar de Barrameda. Het hoort er allemaal bij. Flamenco is niet alleen kijken en luisteren, het is ook dronken worden, met de ogen dicht. Het doet er niet toe dat je van te veel fino hoofdpijn krijgt. Dit is wijngebied. En een reis hierheen, muzikaal of niet, bevat ook een rit door de sherrydriehoek tussen Jerez, Sanlúcar en El Puerto de Santa María. Net zoals ieder voorjaar krijgen de lage wijnstokken al een vrolijk groene kleur. Tegen de zomer aan rijpen de druiven, in september worden ze geoogst. Maar fino drinkt men het hele jaar door en door het vernuftige solera-systeem is de kwaliteit steeds identiek. De nieuwe oogst wordt vermengd met wijn uit de vorige jaren. Tijd speelt geen rol in de zwarte vaten die op elkaar rusten in reusachtige galerijen. De lucht smaakt er naar oud hout, naar gist, naar natte aarde. Er wonen honderdjarige spinnen waarover iedereen grapjes maakt. Maak ze zijn in dienst van de wijnboer. Het solera-systeem veronderstelt het openen van de vaten in de opslagplaatsen zelf. En niemand wil vliegen in de wijn. Kenners schenken hun fino in een elegant glas met een voet. Maar geef mij maar die kleine glaasjes zoals José Prospín Vargas ze gebruikt in zijn Venta Gordo Prospín, een soort volkse herberg nabij Chipiona. Ze passen juist tussen duim en wijsvinger en je drinkt ze lekker snel leeg. Anders wordt de fino warm en gaan te veel smaakindrukken verloren. José Vargas verrast ons een avond in het hotel in Chipiona. Met zijn warme stem brengt hij vooral fandangos, deels gezongen, deels gereciteerd. Ook Antonia, een vriendin die Prospín heeft meegebracht om het ons helemaal naar de zin te maken, doet haar duit in het zakje. Zij mag dan geen grote stem hebben, het intieme sfeertje doet me denken aan de vele spontane feestjes in mijn dorp nabij Sevilla. Fiestas waarop iedereen een schotel meebrengt en het niet uitmaakt dat je die dag net niks meer gekoeld te drinken had staan. En waarop altijd wel iemand een gitaar bovenhaalt om het plezier van samenzijn op te luisteren met wat volkse muziek. Het mag vreemd klinken maar flamenco schudt tijdens deze korte reis ook andere muziekherinneringen wakker. In de Peña flamenca Enrique El Mellizo, vlakbij de haven van Cádiz mogen ook niet-leden binnen. Als ze maar niet allemaal tegelijk komen. We bezoeken deze club overdag, er wordt uiteraard niet gezongen maar de foto's aan de muur geven een sfeerbeeld van wat zich hier elk weekend afspeelt. Hier komen de aficionados. Hier wordt flamenco beoefend door mensen die niet alleen willen luisteren maar die ook zelf willen zingen. De welvingen in het plafond zijn de bogen van een stuk oude omwalling. Er schiet me een stukje Carmen van Bizet te binnen. Maria Callas zingt " dans les remparts de Seville" in mijn hoofd. Ik begin steeds meer te beseffen dat zelfs een kort verblijf in Andalucía een experiencia vital feliz is, een intens gelukkige levenservaring. Niet toevallig overvalt dit gevoel me juist in het zonnige Cádiz. De meest gezongen flamencostijl in deze havenstad is de alegría. Levendig, met een heerlijk ritme, meeslepend gitaarspel en met prachtige dans. De teksten mogen dan vaak droevig zijn, er gaat een aanstekelijke levenslust van uit. Cádiz is de oudste stad van Spanje. Op verschillende plaatsen op het strand kun je je gemakkelijk voorstellen dat je op een deinende boot naar Zuid-Amerika staat. Dit is niet zo vergezocht. Cádiz en Havana zijn havens op de route van en naar de Americas. Ivo Hermans beschrijft in Duende dat met de schepen ook muziek heen en weer voer, en dat uit dit vruchtbare spel van geven en nemen de cantes de ida y vuelta ontstonden, de liederen van komen en gaan. Andalusische muziek geënt op Afro-Cubaanse muziek, en omgekeerd. Ingetoomd of juist aangewakkerd, al naargelang wie ermee in contact kwam. Ook de tango kwam in Cádiz tot volle wasdom. En er wordt nog altijd van die aanstekelijke rumba gedansd, tot je heupen pijn doen en je hoofd tolt. De laatste avond in Jerez de la Frontera eten we in de Taberna Flamenca. Dit stadje is bekend om zijn authentieke flamencoclubs. Op het podium neemt een jonge gitarist plaats die de toehoorders komt opwarmen. Het publiek dat deels uit buitenlanders bestaat, blijft rumoerig. Misschien waren deze mensen gisteren nog in Sevilla en verwachten ze hier hetzelfde spektakel, een afgewerkte sevillana of een donker lied over de onverteerbaarheid van het leven. Ook als het gezelschap op het podium uitbreidt en een gitano met prachtige stem begint te zingen, is de zaal nog niet onder de indruk. Maar dan staat op de lage houten plankenvloer een jonge vrouw recht. Haar compagnons zingen en begeleiden haar met ritmische palma flamenca. Vorken en messen worden neergelegd. Verder eten is blasfemie. De artiesten brengen een schouwspel dat het hart doet versnellen. Ogen worden vastgezogen en kelen dichtgesnoerd. De dansende zigeunerin versterkt de bodemloze hartstocht in haar ogen met de krachtige bewegingen van haar armen, handen en vingers. Op de eerste rij zit een jongeman gepassioneerd te kijken. Zoals velen in de zaal spreekt hij geen Spaans maar het schouwspel is te volmaakt om dat te ervaren als een gemis. Als de dans is afgelopen, blijft de reiziger onbeweeglijk zitten. Betoverd door een wildvreemde vrouw. Als ze nu van haar podium komt, is hij deeg in haar handen. Maar dan draait hij zich om naar zijn tafelgenoten en spoelt met een flinke slok fino de wereld van de geesten weer weg. De volgende dag, voor we naar de luchthaven rijden, vat de Spaanse gids een sevillana aan en zingt "Algo se muere en el alma cuando un amigo se va: een stukje van de ziel sterft als een vriend weggaat." Zo sluit Andalusië de mensen in haar armen om zich ervan te verzekeren dat ze terugkeren. PraktischWeekend Knack reisde met Divantoura i.s.m. de Spaanse Dienst van Toerisme, en was o.m. te gast in Hotel Cruz del Mar in Chipiona ( Tel. +34-956-37 11 00, fax +34-956-37 13 64, www.hotelcruzdelmar.com). Dit jaar worden nog 2 zevendaagse flamencoreizen georganiseerd, van 4 tot 10 mei en van 27 oktober tot 2 november 2001, telkens o.l.v. Ivo Hermans. Kostprijs: 27.900 fr. per persoon. Meer info over de MuziekReizen van Divantoura krijgt u op Tel. 09-223 00 69, of op de website: www.divantoura.com Ivo Hermans, "Duende. Een bericht over Andalucía, flamenco en zigeuners." Epo, 190 blz., 598 fr. Tijd speelt geen rol in de zwarte vaten die op elkaar rusten in enorme galerijen. Cádiz, een warmbloedige havenstad in het teken van komen en gaan, nog steeds.Marianne Meire