Piet Swimberghe / Foto's Jan Verlinde
...

Piet Swimberghe / Foto's Jan Verlinde A nne Paul Brinkman houdt van wat hij noemt opvallende en 'buitenmaatse' objecten. Hij heeft, voor ons althans, een aparte decoratiestijl die anders is dan van onze klassieke tenoren zoals Axel Vervoordt of Christophe Decarpentrie, die meer aanleunen bij de Frans-Britse traditie. Het valt op dat rijke Nederlanders voor een veeleer opzichtige stijl van Amerikaanse inspiratie vallen, in vakjargon wel eens de Architectural Digest-stijl genoemd. Anderzijds zijn er in Nederland minder interieurontwerpers dan bij ons. De doorsnee Nederlander kiest meestal voor een Ikea-interieur of valt voor Jan des Bouvrie. Brinkman heeft natuurlijk niets met dat publiek te maken, omdat hij voor de Nederlandse jetset huizen bouwt en inricht. Overal in Europa trouwens, en meer dan ooit in het zuiden. Dat is een van de redenen waarom hij naar Spanje trekt en zijn royaal kantoor aan de Keizersgracht in Amsterdam afslankt. Het is boeiend om te weten hoe hij in relatief korte tijd, hij is amper 45, aan de top raakte. Anne Paul Brinkman: Zo kan je het wel stellen. Ik begon jong, wat niet verwonderlijk was omdat mijn grootvader en vervolgens mijn moeder antiquair waren in Groningen. Ik opende mijn eerste winkeltje in 1972, ik was vijftien jaar oud. Mijn moeder moest zelfs toestemming vragen aan de rechter, want een vijftienjarige mag geen eigen onderneming hebben. Alles waar vraag naar was, zoals strijkijzers, bedpannen, bakvormen, het landelijke goed. Ik kocht ook aan wat ik kon betalen, dingen die niet duur waren dus. Ik trok vrij snel naar Amsterdam, op mijn drieëntwintigste. Maar lang bleef ik er niet. Ik reisde naar Amerika waar ik in de jaren tachtig twee zaken opende in New York, één op Broadway en één op Lexington Avenue. Alles ging goed tot de Golfoorlog uitbrak, toen moest ik een keuze maken, Amsterdam of New York. Het werd opnieuw Amsterdam. In de States kwam ik in contact met een andere interieurcultuur. Daar kreeg ik ook voor het eerst de kans om een woning in te richten. Voor je het weet richt je er meerdere in en ben je vertrokken. Daar ben ik geëvolueerd naar decoratieve objecten, hoewel ik dat eigenlijk een moeilijke term vind: wat betekent 'decoratief' eigenlijk? Het is op zoveel toepasbaar. Dat kunnen buitenmaatse objecten zijn die een stempel drukken op een interieur of die theatraal van aard zijn. Het is in ieder geval een object dat iets in zich heeft. Niet alle objecten hebben dat. Veel dingen hebben geen eigen karakter. Maar een goed object heeft een ziel, je voélt dat het gemaakt is door een kunstenaar of een getalenteerde ambachtsman. Zeker. Nu je het daarover hebt, denk ik opeens aan een boek dat ik onlangs inkeek, over de mensen achter Gaudi, de vaklui die zijn kunstwerken maakten. Vandaag de dag is dat onvoorstelbaar. Je kan de beste ontwerpen maken, maar je hebt altijd een ambachtsman nodig om die uit te voeren. Anders sta je voor schut. Het was fascinerend om in dat boek te zien hoe die ambachtslui die gebouwen optrokken volgens de negentiende-eeuwse traditie. Ik hou van ambachtelijk vervaardigde objecten. Vooral als ze de doorsnee kwaliteit overstijgen, dan worden ze uniek. Dat zal er zeker mee te maken hebben. De meeste van de twintigste-eeuwse objecten uit mijn collectie stammen uit de eerste helft van die eeuw, toen de negentiende-eeuwse ambachtelijke traditie nog levendig was. Veel daarvan verdween na de Tweede Wereldoorlog. Eigenlijk spelen eeuwen niet zo'n grote rol. Wie een oog voor mooie dingen ontwikkelt, ontdekt overal en in elke periode wel iets. Maar dat ambachtelijk aspect vind ik belangrijk, ik heb weinig voeling met industrieel vervaardigde objecten. Ik heb zelf ook heel wat ontworpen: lampen, meubels, stoffen, noem maar op. Dat was gedeeltelijk uit noodzaak, en omdat het leuk is natuurlijk, maar ook omdat oude dingen zeldzaam worden. Ik vind dat een industrieel vervaardigd voorwerp niet opgewassen is tegen de kwaliteit van maatwerk.Mijn bedoeling is dat alles wordt samengebracht tot één kunstwerk, zonder dat het een interieur wordt waarvan je meteen voelt dat alles in één keer tot stand kwam. Van een goed interieur krijg je de indruk dat het gegroeid is. Zoals een boom waarvan de takken alle kanten opgroeien, schots en scheef, maar waarvan de algemene structuur heel evenwichtig is. Ik heb een team van medewerkers, in die zin treed ik op als een soort filmregisseur die al deze mensen, van ambachtslui tot en met architecten, en ideeën op elkaar afstemt.Ik heb een aantal huizen van ruwbouw tot afwerking ontworpen. Daarin streef ik naar harmonie, maar het wordt vervelend als zo'n huis helemaal in dezelfde stijl is. Ik hou ervan om sferen en stijlen te vermengen. In westerse interieurs vond je vroeger toch ook Chinese ceramiek of Egyptische kunst? Ik kijk trouwens niet naar waar iets vandaan komt, maar let er wel op dat het bij elkaar past. Ik heb ook geen voorliefde voor een bepaalde periode van de kunstgeschiedenis, maar sommige figuren inspireren me wel.Mensen zoals Gaudi en zeker Victor Horta: ik heb een ontzettende bewondering voor hem, hij ontwierp alles, tot in de details, tot en met de deurklinken. Dat zou ik best ook willen. Maar ik bewonder niet alleen hun stijl, ook hun passie en kracht én zin voor ambachtelijkheid. Ze hebben elk een eigen universum ontwikkeld, ze hebben als het ware iets uit het niets gecreëerd. Hun stijl is hun handtekening. Zelfs vergeleken met het modernisme van de jaren twintig vind ik ze origineler. Mensen als Gaudi en Bugatti waren in hun tijd ook buitensporig. In onze tijd zijn dergelijke figuren zeldzaam. Alles wordt uniform. De algemene smaak verbetert, maar alle interieurs lijken op elkaar. Als je door tijdschriften bladert, zie je interieurs in maatpak, een beetje minimalistisch en sterk bureaucratisch. De durft ontbreekt vaak. Vele moderne interieurs zijn te beredeneerd en niet gevoelsmatig opgebouwd. Dat is een stijl waar ik gek op ben, die Britse stijl is puur en robuust. Die stijl is ook niet Frans of Duits, het is iets aparts én meestal zeer ambachtelijk. De Amsterdamse School, deels ervan afgeleid, vind ik veel muffer. Daar verdiep ik me graag in. Ik heb ook gestalte gegeven aan de tentoonstelling Bij de Hollanders thuis, over Nederlandse wooncultuur van 1600 tot 1900, vorig jaar in het Gemeentemuseum van Den Haag. Toen heb ik me helemaal ingeleefd in die historische interieurs en ik heb in die periode de vermaarde Peter Thornton ontmoet, de specialist ter zake. Kennis vind ik erg belangrijk. Parate kennis wordt tegenwoordig erg onderschat. Het gaat ook niet op dat je dingen uitsluitend kent uit boeken of dat hele stukken van het verleden je niet interesseren. Hoe kan je bijvoorbeeld een stoel ontwerpen als je nog nooit een echte Egyptische stoel hebt gezien? Je moet ook het verschil zien tussen een achttiende-eeuws meubel en een kopie van een eeuw later. En dat leer je niet uit boekjes. Voor mij is de ervaring belangrijk. Je moet bijvoorbeeld ooit de grootsheid van een kasteel ervaren hebben. Je moet erin hebben rondgelopen of er hebben geslapen om de rust en monumentaliteit ervan te voelen. Dat maakt het mysterie uit van architectuur en interieur, en daar wordt te weinig aandacht aan gehecht. Je kan de beste ontwerpen maken, maar je hebt altijd een ambachtsman nodig om die uit te voeren. Anders sta je voor schut.