Het is zo'n maandag die naar natte kranten ruikt. Buiten ruist de regen en ik zit aan tafel in het Holle Huis, zoals ik deze woning ben gaan noemen. Het huis is hol omdat het geen ziel heeft, of tenminste geen die met het blote oog valt waar te nemen. Mocht het huis toch onverhoopt een ziel bezitten, dan was het er zo een die zich lafhartig in kelders verschanst, achter de boiler of tussen de spinnenwebben in de nissen waar een vorige bewoner zijn wijn heeft bewaard. Wachtend op betere tijden - of op een argeloze voorbijganger om bezit van te nemen, als in een verhaal van Edgar Allen Poe.
...

Het is zo'n maandag die naar natte kranten ruikt. Buiten ruist de regen en ik zit aan tafel in het Holle Huis, zoals ik deze woning ben gaan noemen. Het huis is hol omdat het geen ziel heeft, of tenminste geen die met het blote oog valt waar te nemen. Mocht het huis toch onverhoopt een ziel bezitten, dan was het er zo een die zich lafhartig in kelders verschanst, achter de boiler of tussen de spinnenwebben in de nissen waar een vorige bewoner zijn wijn heeft bewaard. Wachtend op betere tijden - of op een argeloze voorbijganger om bezit van te nemen, als in een verhaal van Edgar Allen Poe. Bij het huis hoort een tuin, maar die kun je nauwelijks zien. Hij strekt zich uit achter het washok, wel honderd meter diep. Alleen door een smal hoog raampje vang je er een glimp van op. Ik kom er hoofdzakelijk om het gras te maaien, dat zelfs groeit terwijl ik slaap, wat de tuin voor mij tot een kwelduivel maakt. Er is ook een hok waarin kippen hebben gewoond, getuige daarvan vier eieren die inderhaast zijn achtergelaten. De onderste tak van de appelboom groeit volmaakt horizontaal, in weerwil van de zwaartekracht, over een lengte van verscheidene meters. Hij is sterk genoeg om het gewicht van een volwassen man te dragen. Bij het zien van die tak moet ik elke keer weer denken aan de zanger van Eels. In een interview las ik dat zijn zus zich aan precies zo'n tak heeft verhangen. Nota bene in de lente, terwijl die boom in volle bloesem stond. Van de plaats waar ik zit, heb ik zicht op grauwe voorstedelijkheden zoals de haag, de muur en het grint. Op de zoon van de buurman, die terugkomt van café De Toekomst, waar hij meerdere keren per dag naartoe trekt, lang en wankel als hij is. Ziet hij mij, met zijn door alcohol vertroebelde blik, dan groet hij mij met een zwaai die te wijd is, alsof hij de verloren waardigheid terug wil verdienen met een overvloed aan goede manieren. Vaak debiteert hij citaten, afkomstig van beroemde schrijvers of - naargelang van het volumeprocent der genuttigde dranken - van de Bond Zonder Naam. "Wie een gouden hart heeft, heeft maar zelden goud." Ze moeten op de spijskaart in De Toekomst staan. Vanaf een bepaalde graad van intoxicatie komen de frustraties boven. Dat merk ik aan de voorwerpen die ik op mijn oprit vind. De laatste tijd zijn dat vooral dennenappels, tamelijk vredelievend van aard. Het is een verbetering tegenover de botten en beenderen van dode dieren die ik vroeger in mijn dakgoot trof. Op hoge poten ben ik daarover mijn beklag gaan doen. Ik heb gezegd dat ze voor mijn part alles over de afsluiting mochten keilen, luizenkammen en Playmobilmannetjes of desnoods zelfs afgedraaide condooms. Alles behalve dierlijke resten, want staartbeentjes en ruggenwervels verwijzen mij te veel naar de dood. De jonge buurman bewondert de botjes en prevelt hun wetenschappelijke naam. Ooit heeft hij medicijnen gestudeerd. Hij lacht een beetje vals en zegt dat ik er mij toch mee zal moeten verzoenen dat ook ik zal komen te sterven, zoals iedereen. Ik begrijp dat ik beter niet aandring, wil ik op een goede ochtend niet in de beerput worden gevonden. De rosse kat ligt op de schoot van de oude buurman en geeuwt. De klok tikt wreedaardig. Ergens kookt soep. Met de staart tussen mijn poten keer ik terug naar het Holle Huis. Ik ben rusteloos, niet in mijn sas. Ik voel mij een ongebruikelijk en voorbijgestreefd mens met een weerbarstig karakter. Soms gebeuren er toevalligheden, zo onwaarschijnlijk dat ik mij een rat voel die aan geheimzinnige tests wordt onderworpen zonder dat ik weet waarom, of zelfs maar een glimp kan opvangen van de laboranten. Terwijl ik hieraan denk en in het duister staar, weerklinkt de fluittoon van het mailapparaat. Pi-woe. Een geboortekaart, afkomstig van een lief van omstreeks de millenniumgekte. Ze is moeder geworden van een dochter met een mooie naam. Het tekstje op de kaart ademt de stijl uit die ik van haar ken : "De wind en vleugels, lief kind. En altijd, altijd onze armen ..." Zo eenvoudig en zo krachtig. Zo ontroerend positief. Ik verman mij en voel mij een beetje beschaamd. Nu pas zie ik dat de appelboom perfect is om de schommel van een kind aan op te hangen.Jean-Paul Mulders