Het is zo'n maandag die naar natte kranten ruikt. Buiten ruist de regen en ik zit aan tafel in het Holle Huis, zoals ik deze woning ben gaan noemen. Het huis is hol omdat het geen ziel heeft, of tenminste geen die met het blote oog valt waar te nemen. Mocht het huis toch onverhoopt een ziel bezitten, dan was het er zo een die zich lafhartig in kelders verschanst, achter de boiler of tussen de spinnenwebben in de nissen waar een vorige bewoner zijn wijn heeft bewaard. Wachtend op betere tijden - of op een argeloze voorbijganger om bezit van te nemen, als in een verhaal van Edgar Allen Poe.
...