Ze is jong en ze wil wat. Of beter : ze wil hoger. In haar jonge leven wil ze de lat voortdurend hoger leggen, ook letterlijk. Momenteel haalt ze 4,28 meter, maar vindt dat zelf nog maar een beginpunt - ook al zit ze daarmee in de top vijftien van de wereld van haar leeftijdsgroep.
...

Ze is jong en ze wil wat. Of beter : ze wil hoger. In haar jonge leven wil ze de lat voortdurend hoger leggen, ook letterlijk. Momenteel haalt ze 4,28 meter, maar vindt dat zelf nog maar een beginpunt - ook al zit ze daarmee in de top vijftien van de wereld van haar leeftijdsgroep. Aurélie De Ryck is jong en slank, en 1,77 meter groot. We ontmoeten haar op een wat groot uitgevallen studentenkot, dat uitkijkt op de werken aan het Gentse station. Daar studeert ze kinesitherapie, ook al draait haar huidige leven vooral rond een veerkrachtige stok van carbon. De keuze van die stok is niet toevallig. Niets is toevallig bij de twintigjarige atlete. ?Ik maakte op school kennis met atletiek en vond dat meteen superleuk. Vanaf mijn zevende was ik aangesloten bij een atletiekclub. Maar omdat ik iemand ben die altijd dat ietsje meer, dat ietsje zotter wil, en het risico niet schuw, ging ik al snel op zoek naar een nieuwe uitdaging. De volgende stap was horden- lopen. Maar toen ik op mijn twaalfde van het polsstokspringen mocht proeven, was ik meteen verkocht." Aurélie De Ryck : De uitdaging, de complexiteit, de verscheidenheid aan oefeningen en trainingen, want die is enorm. Daarom rekent men dat een polsstok-springer volle tien jaar nodig heeft om de techniek écht onder de knie te krijgen. Al begint het allemaal zeer eenvoudig. Je moet leren dat stokje op de juiste manier vast te houden en dan mag je één pasje doen en in de zandbak springen. Dat stelt niet veel voor : het lijkt meer op verspringen. Dan moet je leren steken, dat ziet er op het eerste gezicht belachelijk eenvoudig uit, maar de timing is zeer belangrijk en op het moment dat je gaat steken voer je met je lichaam ook nog een draaibeweging uit terwijl je tegelijkertijd die bak in het oog moet houden. Om het te bevatten, begin je traag - maar dat werkt contraproductief. Omdat voor een goede sprong ook snelheid nodig is. Aanvankelijk is er ook helemaal geen sprake van een lat, maar van een elastiek en de trainer zet de hoogtes uit, zonder die mee te delen. Ik was dertien en ik herinner me niet precies hoe ik toen sprong. Ik weet alleen dat ik die sprong niet meer wil terugzien. Het moet zoiets als dat Friese fierljeppen zijn geweest en de voldoening beperkte zich tot het gevoel van ?Ik ben erover". In mijn eerste wedstrijd haalde ik 2,40 meter. Daarna begon het echte werk, want je voeten moeten eerst over de lat. Het is niet makkelijk, maar je kunt erop trainen en uiteindelijk wordt het een automatisme. Polsstokspringen is de kunst om de verschillende aspecten goed te combineren en profijt te halen uit de veerkracht. Alles begint op de grond en daarom is de timing van de insteek cruciaal. Je moet de juiste snelheid inschatten, je veertien passen halen en je armen moeten gestrekt zijn, maar als de insteek je afremt, moeten je schouders zo ver mogelijk open zijn, zodat die zich vervolgens opnieuw kunnen sluiten. Het is die sluitbeweging die je kracht geeft om omhoog te gaan en vervolgens ondersteboven en gestrekt aan de stok te hangen, waarna je nog een draaibeweging maakt om over de lat te raken. We doen veel turntraining om de juiste vormspanning te krijgen die nodig is voor de veerkracht waarmee je aan de stok omhoog gekatapulteerd wordt. Eigenlijk moet je de beweging die ingezet wordt door de stok overnemen. Als die zich na een kromming - die bijna tot 90 graden oploopt - opnieuw recht, moet het lichaam zich ook strekken. Op dat precieze moment zijn we als het ware één met die stok en hangen we ondersteboven. Dan komt er nog een strekking om een pak extra centimeters te winnen en over de lat te gaan. Doordat er zoveel aspecten aan de uitvoering zijn, kun je op elk van die aspecten oefenen, waarna je ook meteen progressie ziet. Op videobeelden leer je waar de tekorten zitten, en daaraan moet je werken. Ik zie het als een uitdaging, om elk van die aspecten zo precies mogelijk te beheersen, er voortdurend verder aan te schaven. Maar vergeet ook de krachttrainingen niet, want er komt ook veel spierkracht aan te pas. Vooral de schouders krijgen het hard te verduren, die vangen de grootste belasting op. Daarom zijn polsstokspringers ook echte kasten. Ik ben één dag ontmoedigd geweest en dan heb ik de balans opgemaakt. Twee weken na mijn operatie stak mijn arm nog in een sling, was van autorijden geen sprake, zodat ik volledig van anderen afhankelijk was. Ik zag me eerlijk gezegd nooit meer over de lat suizen en vroeg me af waar ik na zeven maanden zou staan. Mijn familie zette me met mijn voeten op de grond : ?Lies, je wilde toch altijd voor een uitdaging gaan, wel dit is er een." Het werkte en ik heb meteen mijn doelen gesteld, mezelf gemotiveerd. Na twee weken ben ik begonnen met steppen, want lopen mocht nog niet. Elke dag deed ik er een minuut bij, zodat ik na twee weken aan een uur steppen per dag zat. Dat is echt geschift, maar ik wilde mijn basisconditie behouden. Daarna heb ik elke dag minstens één à twee uur revalidatie gedaan. Ik studeer kine en ik heb kijkstages gedaan bij mensen met CVA, die halfzijdig verlamd zijn. Daar heb ik een rugbyspeler van hoog niveau ontmoet, die na een ongeval verlamd is en in een rolstoel zit. ?Jij kunt nog iets bereiken in het leven," zei hij, ?ga er dan ook voor, je bent een sporter." Dat gesprek heeft me dooreengeschud, me laten beseffen dat alles nog voor het grijpen ligt, dat ik nog altijd iets kan bereiken in het leven. Eén voorwaarde : ervoor gaan. Die confrontatie heeft een enorme motivatie los gemaakt. Sport op hoog niveau is het mooiste wat er is en die revalidatie deed me beseffen dat er niets is wat ik liever doe dan trainen. Een record springen geeft je zo'n onbeschrijflijk gevoel, ik kan het niet uitleggen, maar het heeft veel te maken met loon naar werken. Natuurlijk moet ik er veel voor laten, om te beginnen ben ik iedere week makkelijk zo'n twintig uur aan het trainen. Maar het mooie is dat je er zoveel voor terug krijgt. Garantie op resultaat is er niet, je moet het gewoon zelf maken en als je er alles voor laat, kun je jezelf achteraf niets verwijten. Ik krijg als student veel uitnodigingen en meestal moet ik afzeggen. Dat kost me niet eens zoveel moeite, want na een dag als gisteren met drie trainingen lig ik 's avonds toch gewoon KO in de zetel. En als puntje bij paaltje komt, volg ik liever mijn lessen om goed uitgerust op training te staan, dan tot 's nachts drie uur uit te gaan. Op bepaalde vlakken wel, al was het maar omdat je voortdurend op jezelf moet focussen. Als ik een training afwerk en iemand wil komen babbelen, denk ik ?Ga weg." Omdat ik me wil concentreren. Op wedstrijden wil ik mijn concurrenten niet horen, ik zonder me af met mijn iPod om me volledig te focussen. Dan leef ik in mijn bubble, zet me meestal met mijn rug naar de actie, probeer zoveel mogelijk mijn eigen sprong te visualiseren. Als er iemand voor mij hoger gaat, betekent dat alleen een extra stimulans, terwijl velen dan blokkeren. Ik geloof dat die mentale kracht mijn sterkte is, terwijl ik het gevoel heb dat ik fysiek nog op vele vlakken vooruit kan gaan. Ik ben nooit tevreden. Ook als ik het goed gedaan heb, vind ik dat ik beter moet kunnen. Toen ik met 4,23 meter een Belgisch record sprong, was er zo'n enorme ontlading van vreugde, werden foto's gemaakt bij het bord en kreeg ik ook nog een kuitkramp. Iedereen dacht dat ik helemaal uit mijn concentratie was, maar toen ging ik opnieuw focussen en sprong over 4,28 meter ! 't Was mijn eerste indoorwedstrijd na een kwetsuur en ik was zachtjes aan begonnen, waardoor ik veel sprongen maakte. Uiteindelijk liet ik de lat op 4,33 meter leggen maar faalde. Da's ambetant, maar het is niet anders, omdat je telkens de lat toch opnieuw hoger laat leggen. Als het niet lukt, denk je altijd : als ik nog één keer mocht springen, had ik dit en dat beter gedaan. Na elke sprong krijg ik feedback van mijn coach, maar met de ervaring kan ik steeds beter inschatten waar het beter had gekund. Hoe hoger je gaat, hoe belangrijker de details. Ik ging drie weken trainen in het Italiaanse Formia bij Vitaly Petrov, de trainer van Jelena Isinbayeva (verbeterde sinds 2003 zeventien keer het wereldrecord, dat nu op 5,06 staat). Petrov is bijna 70, heeft zoveel ervaring, trainde onder meer de legendarische Sergej Boebka, hij is hard als die bikkelharde, Russische school. Samen met mijn coach verbeterde hij wat details, zoals de stand van de handen - hij ziet echt alles, ook de kleine dingen die het verschil maken. Toch voor een groot deel en daardoor heeft het een grote impact op mijn gezin. Er wordt altijd rekening met mij gehouden, met mijn trainingen, mijn wedstrijden, mijn voeding. Gelukkig heb ik een neef die topvolleyballer is, dus in onze familie kennen ze dat liedje wel. Met die kwetsuur weet ik hoe het voelt om niets te kunnen doen : je mist iets, voelt je nutteloos. Ik kan me niet voorstellen dat ik drie dagen niet zou trainen, de voldoening die je achteraf hebt als je weer wat bijgeleerd hebt, geeft me nog altijd een kick. Ook als het eens wat minder gaat, sta ik de volgende dag weer te popelen om te gaan trainen. Bovendien is het een prettige manier om me na de theorie van mijn studie af te reageren : dat zorgt voor een goed evenwicht.DOOR PIERRE DARGE & FOTO FILIP VAN ROE?Een verlamde rugbyspeler zei me : 'Jij kunt nog iets bereiken, ga er dan ook voor.' Dat heeft me dooreengeschud" ?Ik kan me niet voorstellen dat ik drie dagen niet zou trainen, iets bijleren geeft me nog altijd een kick"