'Everything is possible.' De tekst staart me aan van op de cover van een hip vormgegeven schriftje. In vrolijk handschrift stralen de letters me tegemoet. Ik laat mijn vingers langs de hoogdruk glijden. Machinaal vervaardigd, maar met de illusie van ambachtelijkheid. Naast mij grijpt een tienermeisje naar hetzelfde schriftje. Dromerig bladert ze door de lege pagina's. In gedachten schrijft ze er haar plannen al in. Voordat ze het in haar mandje legt, drukt ze het even tegen haar borst. Haar hart bonst ertegen, op het ritme van toekomstige avonturen, die plots binnen handbereik liggen. Ik stel het me zo voor ...

'Everything is possible.' De tekst staart me aan van op de cover van een hip vormgegeven schriftje. In vrolijk handschrift stralen de letters me tegemoet. Ik laat mijn vingers langs de hoogdruk glijden. Machinaal vervaardigd, maar met de illusie van ambachtelijkheid. Naast mij grijpt een tienermeisje naar hetzelfde schriftje. Dromerig bladert ze door de lege pagina's. In gedachten schrijft ze er haar plannen al in. Voordat ze het in haar mandje legt, drukt ze het even tegen haar borst. Haar hart bonst ertegen, op het ritme van toekomstige avonturen, die plots binnen handbereik liggen. Ik stel het me zo voor : haar dromen - die nog nooit haar lippen verlieten en meer uit gevoel dan uit concrete plannen bestaan - lijken dankzij dit kleinood binnen handbereik. Heupwiegend stapt ze weg, het dagboek in haar winkelmandje, naast de oogschaduw en de zeep die hetzelfde beloofden. Ik glimlach. Meer dan dubbel zo oud, en iets minder hoopvol. Het is typisch iets voor mij om in zo'n melige spreuk niets rooskleurigs te zien. 'Alles is mogelijk' houdt niet alleen belofte in, maar voorspelt ook dreiging. Alles kan, dus ook het meest vreselijke. Een tumor, die misschien nu nog genoeglijk in mij ligt te soezen, draait zich nog eens behaaglijk om en gaat weer sluimeren, maar rekt zich ooit uit, wrijft dan de slaap uit de ogen en gaat op pad. De wereld vergaat in een apocalyptische oorlog van allen tegen allen en ik verlies iedereen die ik graag zie, en bij sommigen besef ik pas bij het onherroepelijke afscheid hoeveel ze voor me betekenen, zonder ooit te kunnen zeggen hóéveel. Of... Of... Je kan me van veel beschuldigen, maar niet dat ik niet goed ben in het bedenken van de meest afschuwelijke prognoses. Dat is niets nieuws. Bij elk nieuw plan, grote kans of mogelijke droom die in vervulling gaat, probeer ik mezelf altijd te temperen. Niets verwachten, niet juichen, het gaat vast nog mis. Wacht maar, bezweer ik dan, je zal zien, het zal weer nét niet doorgaan, reken er maar niet te veel op. Het leven heeft me wat dat betreft al heel wat lesjes geleerd. Want in al mijn doemscenario's houd ik er nooit rekening mee dat dingen wél eens gewoon kunnen lukken. En daar zit ik dan, helemaal in de war te midden van het feestgedruis en de vlaggetjes van het bestaan. Volstrekt van slag en haast mistroostig. Nooit gaat het leven zoals ik denk. Het lijkt slimmer om te doen alsof je van het leven niets verwacht. Wat was ik snobistisch fier, op mijn realistische kijk op de dingen. Maar eigenlijk is het dom. En behoorlijk laf. Hopen is veel moediger dan me te wapenen met ramp- scenario's. Daar denkt een mens dan aan, met zo'n schriftje in de hand. Prompt neem ik me voor om vanaf nu wél vol anticiperende vreugde te zitten. De hoop de vrije loop te laten. En als alles dan toch niet doorgaat ? Dan ben ik toch een paar dagen blij geweest. Dat neemt niemand mij nog af, zelfs ik niet. Van zwartkijker naar zonnetje ? Nooit gedacht dat dàt mogelijk was. katrijn.van.bouwel@knack.be KATRIJN VAN BOUWELHet lijkt slimmer om te doen alsof je van het leven niets verwacht