Aansteker

Een vonk maken door een vuursteen aan te slaan is een oude truc, in de aansteker kreeg die zijn meest compacte en gebruiksvriendelijke variant. Dat kon door een brandstofreservoir met een lont te verbinden. Een kapje zorgt voor de afsluiting van de lucht en het doven. De beroemdste aansteker, de Zippo, werd in 1932 in Bradford, Pennsylvania door George G. Blaisdell geoptimaliseerd nadat hij de rechten verworven had van de Oostenrijkse stormaansteker.
...

Een vonk maken door een vuursteen aan te slaan is een oude truc, in de aansteker kreeg die zijn meest compacte en gebruiksvriendelijke variant. Dat kon door een brandstofreservoir met een lont te verbinden. Een kapje zorgt voor de afsluiting van de lucht en het doven. De beroemdste aansteker, de Zippo, werd in 1932 in Bradford, Pennsylvania door George G. Blaisdell geoptimaliseerd nadat hij de rechten verworven had van de Oostenrijkse stormaansteker. Het Chinese telraam, met negen, dertien of meer verticale staafjes, elk met zeven kralen, is een rekenmachine in zijn puurste vorm. Het kan met drie vingers van één hand worden bediend, staat in elk Chinees huis en in elke winkel en laat vliegensvlug de vier hoofdbewerkingen uitvoeren. De eenvoudigste beweging, na het stappen, is afgeleid van de loopfiets ( draisine) die in 1816 door baron von Drais in Duitsland werd uitgevonden. Uit de Engelse tegenhanger, de Swiftwalker ontstond uiteindelijk de populaire autoped. De naam zelf komt van het Franse autopède. In de achttiende eeuw waren edellieden tuk op wetenschappen. Zo werd de chemische batterij in 1800 uitgevonden door graaf Alessandro Volta (1745-1827). Een andere graaf, Luigi Galvani, stelde in 1786 vast dat de spieren van een dode pad bewogen als ze door verschillende stukjes metaal worden beroerd. Volta besefte dat dit kwam door een elektrische stroom van chemische oorsprong. De eerste batterij bevatte zink- en zilverplaten in een bad zout water. De Française Herminie Cadolle (1845-1926) ondervond tijdens haar zakenreizen veel hinder van haar knellende corset. Ten einde raad knipte ze het middendoor, bevestigde er schouderbandjes aan en noemde haar vinding corselet-gorge. In 1887 opende ze in Buenos Aires een zaak waar ze haar creatie, gepatenteerd onder de naam Le Bienêtre te koop aanbood. Hadden de Romeinen voedsel kunnen inblikken, dan was hun rijk zeker nog groter geweest. Pas in 1810 slaagde de Engelsman Peter Durand erin om dat succesvol te doen. Maar aanvankelijk was het nog knoeien, de eerste echte blikopener werd pas een halve eeuw later uitgevonden. Fluitjes uit been of riet behoren tot de oerinstrumenten. In het Egyptische en Griekse rijk kende men allerlei soorten fluiten. In de twaalfde eeuw werd een flûte à bec gesneden. Die blokfluit met nauwe boring en zes gaten werd populair tijdens de renaissance en bij componisten als Bach, Händel en Purcell. Tegen het einde van de achttiende eeuw meer en meer vervangen door de dwarsfluit en tegenwoordig vooral als studieinstrument gebruikt. Een plat, gebogen stuk hout met twee, drie of zelfs meer vleugels, allicht bedacht door de Australische Aboriginals. Oorspronkelijk werd het werptuig gebruikt bij de jacht. Boemerangs die naar de werper terugkeren zijn van latere datum. De bril is relatief jong. De eerste convexe lenzen werden vermoedelijk in Italië geslepen tussen 1268 en 1284 door Salvino d'Armate of Alessandro Spina in Firenze. Maar ongeveer in dezelfde periode slaagden ook Chinese opticiens daarin. De concave lenzen zijn merkwaardig genoeg jonger, van rond 1400. De eerste bril 'met oren' is van rond 1600 en de eerste zonnebril van 1752. Zowel Leonardo da Vinci als René Descartes bedachten de contactlens, maar die werd pas vervaardigd in 1887 door de Duitser Adolf Eugen Fick. Al in het Egyptische rijk werden stoffen condooms gebruikt, maar ze werden pas betrouwbaarder bij de Romeinen die ze maakten van schapeningewanden. De doorbraak kwam er in de negentiende eeuw toen Goodyear het gevulkaniseerd rubber uitvond. In de jaren dertig van vorige eeuw kwamen ze in een dunnere versie in latex op de markt - ook met topje. De stropdas is in de achttiende eeuw ontstaan uit de sjaal, maar kreeg pas zijn huidige vorm omstreeks 1860. Tegenwoordig onderscheidt men drie modellen : de windsor, de dubbele windsor en de platte knoop. Eieren behoren ongetwijfeld tot het primitiefste voedsel van de mens, maar het heeft duizenden jaren geduurd voor iemand aan een eierdopje dacht. Pas in het midden van de negentiende eeuw kreeg het ei zijn porseleinen troontje. In 1800 slaagde de Engelse onderzoeker sir Humphry Davy erin de eerste elektrische lamp te laten branden, die later door Thomas Alva Edison uit de States en de Brit Joseph Swan werd verbeterd. De lamp kwam pas vanaf 1880 in productie. Was minder populair dan je denkt. De Etrusken leerden de Romeinen de kaars kennen, maar die gebruikten liever olielampen. In de oudheid werd er soms eens was voor aangewend, maar doorgaans het goedkopere, dierlijke vet. De voorloper van de kaars was de toorts, een in vet of olie gedoopte twijg, die tot in het begin van de twintigste eeuw in gebruik bleef. De haren kammen is een van de oudste bezigheden van de mens. De kam mag dan voor het eerst zijn afgebeeld door de Egyptenaren, het instrument moet veel ouder zijn. De oudste exemplaren - ongetwijfeld van been - bestaan steevast uit twee delen, met grove en heel fijne tanden tegenover elkaar. De fijne waren onontbeerlijk om parasieten te verwijderen. Het oudste recipiënt en tegelijk eenvoudigste voorwerp uit de geschiedenis van de mensheid, een kom van aardewerk, werd al in het vroege zevende millennium voor Christus gebruikt in Tell Sabi Abyad in Noordwest-Syrië. Maar de opperste verfijning werd in Japan bereikt. Duidt met zijn vrij opgehangen naald het magnetische noorden aan en werd al in de twaalfde eeuw bij de Chinezen gebruikt bij de navigatie op zee. Dankzij de cardanische ophanging die de bewegingen neutraliseert, kende het zijn wereldwijde succes. Is nog geen eeuw oud. In december 1913 verscheen het eerste in de Sunday New York World. De bedenker van de horizontale en verticale zoektocht was de Britse journalist Arthur Wynne. Caesar liet zijn wijn schenken uit een kruik met een kurk. Na de val van zijn rijk verdween de kurk in West-Europa, om pas 1000 jaar later terug te keren, vastgesnoerd op een fles met een touwtje, zoals een champagnekurk. Deze 'ondiepe' kurk loswrikken was een koud kunstje. Tot kurken dieper in de fles werden gedreven. In 1681 vond een Engelsman er wat op, hij gebruikte de laadstok van zijn geweer, een simpele ijzeren spiraal met een dwarsbalkje. Zo is de kurkentrekker uitgevonden, pas rond 1750 brak hij door. De pionier heeft geen cent aan zijn vinding verdiend. Het lucifertje dat wij gebruiken is van Zweedse makelij. Gustav E. Pasch ontdekte in 1844 het principe, zijn landgenoot EdvardLundstrom ging over tot productie. De veiligheidslucifers vervingen de zelfontbrandende, zeg maar explosieve fosforstokjes. De zelfontbrandende versie, met wit fosfor, bleef tot het einde van de negentiende eeuw populair. Het 'Zweedse' luciferkopje bevat onder meer kaliumchloraat en Arabische gom, in een dun aanstrijklaagje op het doosje zit rood fosfor. De veel oudere zwavelstok diende niet om vuur aan te maken, daarmee kon je alleen een vlam transporteren. De behoefte om iemand anders te zijn of zijn gezicht te verbergen is van alle tijden en alle culturen. Daartoe werd zowel gips, hout, papier, pluimen als dikke verf gebruikt. Het oudste (bekende) masker dateert al van het paleolithicum. De Italiaanse aluminiumwerker Alfonso Bialetti ontwierp in 1933 de achthoekige caffettiera, onder het motto in casa un espresso come al bar. Hij verkocht zijn uitvinding op markten en haalde een productie van duizend stuks per dag. Zijn wakkere zoon Renato voerde de dagproductie op tot 18.000 stuks. Inmiddels zijn er meer dan 300 miljoen stuks van verkocht. Rond 600 voor Christus werd in Klein-Azië de eerste duit in het zakje gedaan. De oudste geslagen munten waren van elektron, een natuurlijke legering van zilver en goud. Amper een halve eeuw later draaide de hele economie van de Middellandse Zee op metalen geld. Die is vanzelfsprekend door een stipte klerk bedacht. Eind negentiende eeuw sorteerde de Noor Johann Vaaler zijn dossiers met een driehoekige paperclip. In 1899 nam de Amerikaan William Middlebrook een patent op de 'moderne' paperclip. Die wordt nog altijd gebruikt en leidt zelfs een nieuw leven als attachment bij e-mails. Duizenden jaren geleden verscholen Chinese en Egyptische hoogwaardigheidsbekleders zich achter een parasol, een statussymbool. Pas in de zeventiende eeuw werd het schermpje in Europa tegen de regen aangewend. De Chinezen deden dat al vroeger, met een paraplu van was of lak. Samuel Fox (1815-1887) zou er het eerste stalen mechanisme voor hebben ontwikkeld, dat tot dan toe van been was gemaakt. In 1884 nam Lewis E. Waterman een patent op zijn vulpen met inktreservoir. Vier jaar later deponeerde de Engelsman John Loud een patent voor de balpen die daarna verschillende malen verbeterd werd, onder meer in 1910 door Michael Baum die er een kogelpen van maakte. Maar de eerste kogelpen die niet lekte, werd in 1935 ontwikkeld door de Hongaarse gebroeders Biro. Alhoewel vermoedelijk zes millennia oud, wordt de Chinese generaal Meng Tian algemeen beschouwd als de vader van het penseel. In de derde eeuw voor Christus gebruikte hij daarvoor schaapswol. De Chinese stad Shanlian (ook bekend als Mengxi ofte Mengs stroom) vanwaar hij afkomstig was, is nog altijd de metropolis van het penseel. Tegenwoordig worden vooral haren van de das, de marter, eekhoorn of rund gebruikt, naast kunstvezels. Richard G. Drew (1899-1980) bedacht in 1923 een klevend lint dat het de huisschilder gemakkelijker maakte om rechte lijnen te penselen. Drew was een jonge ingenieur van 3M ( Minnesota Mining and Manufacturing). In 1932 maakte zijn collega John A. Borden een handig houdertje voor de plakband. In het begin van de jaren zeventig zocht ene Art Fry een bladwijzer die niet uit zijn missaal kon glijden, en evenmin sporen zou nalaten. Bij zijn 3M-collega Dr. Spencer Silver vond hij een stof die wel kleefde, maar probleemloos verwijderd kon worden. Fry kreeg navolging bij zijn collega's, 3M nam uiteindelijk een patent op de Post-It en begon de commercialisering ervan. Pas na een grootse consumentencampagne brak het product in 1979 wereldwijd door. Voor de zegel bestond, moest de ontvanger betalen. In 1837 dokterde de Engelsman Rowland Hill een systeem uit waarbij de afzender een cent moest neertellen. Hij kreeg in het postkantoor een betalingsbewijs : de postzegel. Maar in 1835 had ook de Joegoslaaf Movrenc Kosir een opplakbare 'postrechtstempel' bedacht die de vroegere lakstempel verving. De eerste postzegel werd in 1840 verstuurd, in 1849 gebeurde dat ook in ons land. In de zestiende eeuw schetsen Britse kunstenaars met vettige grafietstaafjes in een houten houder, nadat er in 1564 een grote grafietmijn was ontgonnen in Engeland. Deze stiften bevatten geen lood, maar werden wel verkeerdelijk 'potloden' genoemd. Het was de Franse hobbylaborant Nicolas Jacques Conté die in 1790 het zachte grafiet mengde met porseleinaarde en bakte tot een stift. Hoe meer klei erin zit, hoe harder het potlood. Bij het huwelijk schonk de Romeinse man zijn vrouw een ring waaraan de huissleutel vastzat en een stempel met de familienaam, die ze mocht gebruiken voor het ondertekenen van documenten. Wij schenken een ring. De sleutel en het familiezegel zijn in onbruik geraakt bij trouwers. In augustus 1893 nam de Amerikaanse ingenieur Whitcomb L. Judson een patent op zijn uitvinding. Maar zijn rits werd later door een Zweedse Amerikaan verbeterd voor legeruniformen. Rond 1500 voor Christus schoor de eerste Egyptenaar zijn schaap met een primitieve en uit één stuk gesmede schaar. De schaar met twee benen verscheen rond het jaar 100 in Rome. Wie het eerste spelletje ronddeelde, valt niet te achterhalen, maar al in 1377 verzekerde een Duitse monnik de gelovigen dat de speelkaarten des duivels waren. Ze werden pas echt populair na de uitvinding van de boekdrukkunst. Omdat de jonge Beierse kleermaker Levi Strauss (1829-1902) van het grote geld droomde, trok hij in 1853 naar de States. Hij verkocht er eerst linnen en tenten aan de 49'ers, de goudzoekers die vanaf 1849 naar Californië trokken voor de goldrush. In 1873 nam hij samen met Jacob Davis, een kleermaker uit Nevada, een patent op het idee van Davis, om koperen spijkers te slaan in de zwakste plaatsen van een blauwe of bruine werkbroek. Gewoon om te verhinderen dat de naden loslieten. Daniël Fahrenheit ontwierp in 1709 de eerste vloeistofthermometer op basis van alcohol. Hij perfectioneerde zijn vinding in 1724 door kwik te gebruiken, dat heeft een grotere uitzettingscoëfficiënt, het bevriest bij -32°C en kookt bij 356°C. De laagste temperatuur bereikte hij bij een mengsel van ijs, water en keukenzout en ijkte dat als nulpunt. Het smeltpunt van ijs lag op 32° F, de lichaamstemperatuur op 96° F, het kookpunt van water op 212° F. Het watercloset kon niet anders dan een preutse Engelse vinding zijn. Alexander Cummings plaatste in 1775 twee boven elkaar bevestigde schalen, verbonden door een trechter. De tweede laag diende als geurafsluiter. Met de komst van de waterleiding en het gebruik van porselein kreeg de pot zijn huidige vorm met zwanenhals. Dit is een kleinood uit Victoriaanse tijd. In 1857 trachtte Joseph Gayetty tevergeefs losse blaadjes te slijten. Iets later kreeg de Brit Walter Alcock de eerste rol ook al niet verkocht. Drie Amerikanen gingen met de winst lopen : in 1867 brachten de gebroeders Scott uit Philadelphia weer rollen op de markt, met een spetterend succes. De vader van de veiligheidsspeld, Walter Hunt, was een sukkel met schulden. Om een schamele schuld van 15 dollar te betalen, verkocht hij in 1849 de rechten van zijn uitvinding voor amper 400 dollar. Vliegeren komt uit China. Generaal Han Hsin liet in 200 voor Christus al een vlieger op om de afstand tussen zijn troepen en kasteelmuren te meten. De meeste waren rechthoekig en bestonden uit bamboe en stof. Met de uitvinding van het papier aan het begin van de Han-dynastie werden ze populair. Japanners maakten zelfs muzikale vliegers die heiligdommen moesten beschermen tegen boze geesten. Zowel keizer Augustus als Leonardo da Vinci schonk wijn uit flessen die op bolle karaffen leken. Onze cilindrische wijnfles werd uitgevonden door de Engelsman Sir Kenelm Digby (1603-1665), een schrijver, zeeman, alchemist en uitvinder. Zijn vrouw werd het slachtoffer van een van zijn experimenten. Hij ontdekte dat wijn beter bewaart in een horizontaal gestapelde fles, omdat de kurk vochtig blijft. Door Pierre Darge en Piet Swimberghe / Tekeningen Pierre Darge