We vinden dat de tijd er rijp voor is, om voor het eerst een 'Belgische Designer van het jaar' te kiezen. Stichting Interieur en de redacties van Weekend Knack en Weekend Le Vif / L'Express vonden unaniem dat er dit jaar een ontwerper met kop en schouders bovenuit steekt : Alain Berteau. Begin dit jaar al leverde de 34-jarige Brusselaar enkele fraaie ontwerpen af, zoals een nieuwe badkamerlijn voor de sanitaire groep Van Marcke.
...

We vinden dat de tijd er rijp voor is, om voor het eerst een 'Belgische Designer van het jaar' te kiezen. Stichting Interieur en de redacties van Weekend Knack en Weekend Le Vif / L'Express vonden unaniem dat er dit jaar een ontwerper met kop en schouders bovenuit steekt : Alain Berteau. Begin dit jaar al leverde de 34-jarige Brusselaar enkele fraaie ontwerpen af, zoals een nieuwe badkamerlijn voor de sanitaire groep Van Marcke. Ruby, een elegante stoel voor de Nederlandse meubelmaker Montis, en Play, een stoel bij het Belgische label Wildspirit, waren opvallende nieuwigheden op de voorjaars-meubelbeurzen. Berteau bevestigde dus meteen de kwaliteiten die hij in de voorbije drie jaar al tentoonspreidde als industrieel ontwerper. Denk maar aan de Tab Chair voor Bulo, de stoelen Bop en Fence bij Feld, de Moodsofa bij Vange... Vorige maand werd bekend dat Berteau art-director wordt voor het Belgische designlabel Feld. "Ik heb veel aan hen te danken. De mensen en hun filosofie liggen me na aan het hart", verklaart Berteau. Meteen stelt hij er een gloednieuw kantoorconcept voor. Ook andere producenten gaan dit najaar met hem in zee : er komt een lijn bureauaccessoires van vilt voor Sioen, een kraan voor het Belgische kranenbedrijf RVB, een project met glasproducent Glaverbel en Vange en één met plasticspecialist Branex. Waar wij het meest door gecharmeerd zijn, is de Cover : een ecologisch krukje, poef én bijzettafeltje in één voor Montis. Dat wordt voor het eerst gepresenteerd op Interieur 06 en lezers van Weekend Knack kunnen op de beurs exclusief een exemplaar bestellen. (zie p. 74) Alain Berteau : Het houdt me al lang bezig. Het basisidee is om de verpakking van een meubel te verminderen. Er zijn in dat kader natuurlijk al heel wat pogingen gedaan : van flatpacks en do-it-yourselfconcepten tot voorwerpen die uit één paneel gehaald worden. Maar al die objecten zitten wel nog steeds verpakt. Dat aspect wilde ik óók uitschakelen. De verpakkingen zijn soms sterker dan wat ze vervoeren. Ik had een Kartell-lamp gekocht, een lichte mooie lamp. Toen ik ze uitgepakt had, had ik een enorme kartonnen doos waar ik op kon gaan stààn ! Dat moet, want er wordt met die dozen gegooid, en ze worden gestapeld... Toen dacht ik : "Waarom de verpakking niet gebruiken als binnenstructuur voor een meubel ?"We maken een doos van sterk karton, heel simpel om te produceren. In die doos steken we een matrasje en hoes. We sluiten de doos, plakken het adres er op en ze kan zo verstuurd worden. De koper opent de doos, legt de matras erop, trekt de hoes erover en heeft een poef of bijzettafeltje. Wat ik het meest bevredigend vind, is het feit dat mensen helemaal niets in de vuilnisbak moeten gooien. Elk element wordt gebruikt. Voor de meeste ecologische dingen moet je nog een inspanning doen : vergeten dat het eigenlijk niet zo mooi is, een harde stof verdragen, geen keuze in kleur hebben. Bij de Cover is er geen enkel compromis gesloten : het moest én mooi én ecologisch én kwalitatief zijn. We hebben gekozen voor een duurzame stof : de Messenger van Kvadrat. Die bestaat voor 78 procent uit gerecycleerde polyester, gerecycleerde petflessen dus. Het is de beste kwaliteit stof die er op de markt is. Voor de zitting kozen we Bultex koudschuim. Het belangrijkste is immers dat het poefje goed zit én dat het lang meegaat. Ja, het is de eerste keer dat ik alles eens kan samenbrengen wat ik in de afgelopen drie jaar heb uitgebracht. Daarbij wil ik duidelijk maken dat het allemaal om industriële producten gaat. Ik toon geen prototypes. Omdat ik mijn geld wilde verdienen met dingen te maken waar ik fier op ben. Ik wil vrij zijn om iets te ontwerpen waar ik achter sta. Neen. Ik besefte dat ik als architect mijn ei niet kwijt kon. Het is een heel ingewikkelde wereld, met absurde regels, lange wachttijden... En dat geldt niet alleen voor sensationele wereldschokkende architectuur, dat geldt ook voor een normaal huis. Ik wil mezelf niet op mijn vijftigste horen zeggen dat de architectuur een lastig beroep is en dat je om carrière te maken dertig jaar nodig hebt. Dat zag ik niet zitten. Ik was gehaast. Ondertussen hadden de ideeën en concepten voor meubels en decoratie zich opgestapeld. Hier en daar kreeg ik eens iets geproduceerd op maat. Voor vrienden, voor klanten. "Waarom probeer ik het daar niet even ?" dacht ik. Maar ik moest het slim aanpakken : mijn ideeën naar fabrikanten opsturen had geen zin, ik was Mister Nobody. De fabrikanten zien wel onmiddellijk of je goede ideeën hebt, maar ze weten niet of je in staat bent om ook de technische details te bespreken, of je kan overleggen met de marketingafdeling. Het is een ingewikkeld beroep. Dus begon ik mijn plannen op te sturen naar internationale de-signwedstrijden. Een fantastisch kanaal, er zijn zoveel wedstrijden op internet. Ik werd opgemerkt door het Franse VIA ( Valorisation de l'Innovation dans l'Ameublement) en kreeg als een van de weinige niet-Fransen een beurs. Die heeft me enorm vooruitgeholpen : ik kreeg niet alleen de kans om mijn prototypes te exposeren, ik heb er geleerd hoe het beroep werkt. Het is een buitengewoon laboratorium voor beginnende ontwerpers : je wordt geholpen met prototypes te maken, contacten te leggen met de industrie, de productontwikkeling op te volgen. Natuurlijk. Dat had ik vóór op ontwerpers die net van school kwamen. Toch gaat alles veel sneller in de productontwikkeling. Kleinschaliger ook. Bij een gebouw moet je met duizend factoren rekening houden, bij een stoel bij wijze van spreken met tien. In de architectuur kunnen in elk stadium mensen opduiken die het geheel vertragen. Bij een industrieel ontwerp kan alles heel snel gaan, als er een goed contact is tussen opdrachtgever en ontwerper. Neen. Ik begin er juist weer zin in te krijgen. Omdat mensen mijn werk als ontwerper appreciëren, vragen ze om gebouwen te tekenen. Ik ben bezig aan een hotel in Brussel, waarover ik echt niets meer kan vertellen. En ik werk aan een ecologische school in Louvain-La-Neuve. Niet speciaal. Maar ik heb altijd heel veel getekend. Ik tekende volledige stripverhalen over. En vliegtuigen ! Toen ik vijftien was, wilde ik eigenlijk beeldhouwer worden. Maar dat was geen echt beroep, vonden ze thuis. Dus begon ik aan de voorbereidende jaren architectuur in Sint-Lukas in Brussel. Heel artistiek, ik vond het super ! Daarna ging ik naar La Cambre architectuur studeren. Ondertussen werkte ik al sinds mijn zestiende in mijn vrije tijd bij de Brusselse architect François Terlinden. Zijn zoon Christophe was een vriend. Daar heb ik misschien meer over het beroep geleerd dan op school. Ja. Mijn ervaring is heel kort, maar heel concreet. Ik sta in de realiteit. Ik verkondig geen grote theorieën, vertel hoogstens de basics van de geschiedenis van de meubelcreatie. En voor de rest tekenen we meubels. Daarbij hamer ik erop dat het belangrijk is om betekenis in die meubels te leggen. Dat ze zinvol zijn. Een goed ontwerp is ook nuttig. Wat is het belangrijkst ? Het product of de persoon die het zal gebruiken ? Veel mensen zullen zeggen het product, maar daar ben ik het helemaal niet mee eens. Een product is pas goed als iedereen het kan gebruiken. Als je een kraan maakt die duurzaam is, die je comfortabel kunt gebruiken, die het leven op dat ene moment een tikkeltje aangenamer maakt, dan is het al niet slecht. Als je omringd bent met slecht design, kan het frustrerend worden. Uiteraard zal je geen leven veranderen met een kraan, maar je moet je vak vanuit dat opzicht bekijken. Maar wat ik nog interessanter vind, is oplossingen zoeken voor nieuwe problemen. Bijvoorbeeld wat ik voor Van Marcke gedaan heb. Het is niet omdat een badkamer er altijd zo uitgezien heeft, dat er daar in 2006 geen verandering in kan komen : met verrolbare kastjes, opberging en wastafel ineen... Er zijn mensen die mij zeggen : "Waarom nog een stoel ontwerpen ? Er zijn er al zoveel ?" Maar daar gaat het natuurlijk om : dat je probeert nog beter te doen. "Tiens, je moet er maar op komen !" Als mensen dat zeggen van een object, is het een goed object. Dan heb je een oplossing gevonden voor een bestaand probleem. Eerst zoek ik een oplossing, pas daarna denk ik aan stijl, aan elegantie, aan trends. Dat kan achteraf. De vraag van stijl is een ouderwetse vraag. Want hoe kan je nu een klein plastic voorwerp vergelijken met een grote lederen zetel ? Als ik met Montis samenwerk, wil ik 'een Montis' maken. Dat wil zeggen gebruik maken van hun knowhow wat betreft stoffen en leder en hun ongelofelijke ervaring in zitcomfort. Die kennis wil ik zoveel mogelijk naar buiten brengen. Als ik iets voor Branex doe, ga ik van hun sterkte uit : zij werken erg goed met modulaire plastic eenheden. Dat is mijn werkmethode : op de typologie doorgaan, niet op mijn stijl. Neen. Hoe kan je nu een gelijkenis vinden tussen Bram Boo, Xavier Lust, Maarten Van Severen en mij ? Het enige dat we gemeen hebben is onze geografische ligging. Belgisch design bestaat niet, en waarom zou het moeten bestaan ? Als verkoopargument ? Ik beschouw mezelf niet als Belg, maar als een Europeaan. Ik heb klanten in Frankrijk, Nederland, Duitsland, het zuiden. Ik reis, ik beweeg, ik ontmoet mensen, kom in contact met verschillende visies op de industrie. Je doet niet overal op dezelfde manier zaken. Het grote voordeel van Brussel is zijn centrale ligging. Weet je, als je geen producten maakt met een hoge toegevoegde waarde - intelligent en vooruitstrevend - kan je niet meer overleven in Europa. Alleen hebben sommige fabrikanten dat nog niet door. Die zien design als een hobby en blijven op het klassieke elan verdergaan. Ze riskeren een stille dood te sterven. Gelukkig zijn er ook fabrikanten die tijdig het gevaar inzien. RVB bijvoorbeeld, een kranenfabrikant uit Vorst, die bekend staat voor haar retrokranen. En om hun medische kranen met een lang handvat, dat je met de elleboog kunt bedienen. Hoe verder je de hendel naar rechts duwt, hoe warmer het water. Heel hoge kwaliteit. Maar ze kunnen het zich niet meer permitteren om met een banaal product op de proppen te komen. Daarvoor is de concurrentie te groot. Wel, zij hebben me gevraagd om samen te werken. Ik wilde absoluut gebruik maken van hun hoogtechnologische binnenwerk, dat een heel aangename en zachte draaibeweging mogelijk maakt. Maar ik wilde een totaal nieuwe toepassing ervan. Wat is een interface die mensen goed kennen ? Die van de iPod. Ja. Met vier knoppen : minder of meer water, warm en koud. En een knop om te bevestigen. Voor mijn dochter van vijf is zo'n interface veel natuurlijker dan een thermostatische kraan. Een systeem dat ook op spelcomputers zit, afstandsbedieningen... Ik wilde daar niet alleen om esthetische redenen mee werken. Het is handig om je favoriete waterstraal samen te stellen. Bovendien is het economisch : pas als je je voorkeur ingegeven hebt, laat je het water stromen. Het verschil met een iPod is dat het voor een kraan mechanisch moet werken, niet elektronisch. Daarvoor heb je hoogtechnologie nodig, zoals die aanwezig is in de ziekenhuiskranen. Die zullen we integreren in de nieuwe kraan die er heel atypisch uit zal zien : als een ronde schijf. Inox, chroom, massief goud of ceramiek, in principe is alles mogelijk. Omdat je er over moet wrijven, dacht ik eraan de kraan 'DJ' te noemen. Het is Radius geworden. Ja, ik ben niet beschaamd over mijn werk (lacht). Het gaat zelfs beter dan ik verwacht had. Ik krijg nu steeds meer klanten uit het buitenland. Ik heb drie jaar heel hard gewerkt en mijn communicatie goed verzorgd met een duidelijke website. En zie, onlangs was ik in New York en stapte er iemand op mij af die mijn werk kende. Dat is aangenaam, natuurlijk. www.alainberteau.comDoor Leen Creve I Portret Guy Kokken