Na het onverwachte overlijden, vorige week, van ontwerper Azzedine Alaïa, op zijn 77ste, leek iedereen die van dichtbij of ver met mode bezig is, oprecht aangedaan.
...

Na het onverwachte overlijden, vorige week, van ontwerper Azzedine Alaïa, op zijn 77ste, leek iedereen die van dichtbij of ver met mode bezig is, oprecht aangedaan. Er werden herinneringen gedeeld en anekdotes. Heel vaak gingen die over feestelijke maaltijden in de keuken van Alaïa. En er werden selfies gepost: met Azzedine, drie appels groot, of met een van zijn adembenemende jurken, een paar geweldige schoenen. Alaïa was al bij leven een legende (hij begon zijn loopbaan bij Dior in 1957 en begon zijn eigen label in 1979), maar hij was geen ontwerper in een ivoren toren. Dat spreekt zelfs uit mijn eigen ervarinkje: ik zag Alaïa op een druilerige namiddag vorige winter in de kelder van grootwarenhuis Le Bon Marché in Parijs. Er was verder bijna niemand, en hij liep daar, op de afdeling herenmode, een beetje doelloos rond, net als ik. Alaïa had drie honden en acht katten en stond ook dicht bij de mensen. Hij ontwierp niet voor de show (letterlijk en figuurlijk): hij was in eerste instantie een geniale klerenmaker. Hij was ervan overtuigd dat zijn kleren vrouwen macht en kracht gaven. Hij was ook een perfectionist. Hij nam zijn tijd. Hij showde sporadisch, als hij vond dat een collectie klaar was, en anders niet. Hij was niet geïnteresseerd in trends. Zijn kleren waren misschien niet tijdloos, maar je kon ze wel jarenlang dragen. In juli organiseerde Alaïa voor het eerst sinds zes jaar nog eens een officiële show, tijdens de coutureweek, in zijn hoofdkwartier in rue de la Verrerie, tegenover een ander grootwarenhuis, de BHV. Er waren geen papieren uitnodigingen. Alle gasten, voornaam en minder, moesten aanschuiven, en hun naam laten aftikken op een lijst. Het spektakelgehalte was klein: het zat geconcentreerd in de kleren, in Alaïa's meesterlijke gebruik van materiaal en techniek, en in Naomi Campbell, die de show opende en afsloot. Na afloop dronken we, allemaal tegen elkaar gedrukt, champagne op de kleine binnenplaats van het gebouw. Alaïa was, als man en ontwerper, onafhankelijk en ontembaar. Hij volgde altijd koppig zijn eigen weg. Maar hij had wel de financiële steun van een luxegroep: het in juwelen en horloges gespecialiseerde Richemont (zie ook Cartier en Van Cleef & Arpels, en Chloé). Nu rijst de vraag: wat doe je met Alaïa zonder Alaïa? Hoe concentreer je het vernuft en de ziel van een modegenie in een merk dat vertrouwd lijkt, en niet vals overkomt, maar toch anders is? Hoe tem je de geest van Alaïa?