C harlotte Perriand groeide op in Parijs. Haar vader was kleermaker, haar moeder naaister in een coutureatelier. Haar grootouders woonden in de Savoie, met uitzicht op de Alpen. Op haar tiende, toen ze voor een blindedarmontsteking in een hospitaal belandde, ontdekte ze de kracht van de leegte. Terug thuis, tussen de rommel van haar ouders, barstte ze in tranen uit. Leegte is oppermachtig, schreef ze later, "omdat de leegte alles kan bevatten." In 1920 begon Perriand een opleiding aan de Ecole de l'Union Centrale des Arts Décoratifs. Ze bleef er vijf jaar. In biografieën wordt ze beschreven als vrij en vrolijk. Ze hield van sport en van feesten. Ze droeg haar haar kort, en een halssnoer van koperen knikkers om haar nek : "Ik wou niet concurreren met de juwelen van de koningin van Engeland", zei ze fier. In 1926, pas afgestudeerd, huwde ze haar eerste echtgenoot. Ze droeg een roodfluwelen mantel. Geen wit. "Ik wou er niet uitzien als een vet kalf dat naar het slachthuis wordt geleid."
...

C harlotte Perriand groeide op in Parijs. Haar vader was kleermaker, haar moeder naaister in een coutureatelier. Haar grootouders woonden in de Savoie, met uitzicht op de Alpen. Op haar tiende, toen ze voor een blindedarmontsteking in een hospitaal belandde, ontdekte ze de kracht van de leegte. Terug thuis, tussen de rommel van haar ouders, barstte ze in tranen uit. Leegte is oppermachtig, schreef ze later, "omdat de leegte alles kan bevatten." In 1920 begon Perriand een opleiding aan de Ecole de l'Union Centrale des Arts Décoratifs. Ze bleef er vijf jaar. In biografieën wordt ze beschreven als vrij en vrolijk. Ze hield van sport en van feesten. Ze droeg haar haar kort, en een halssnoer van koperen knikkers om haar nek : "Ik wou niet concurreren met de juwelen van de koningin van Engeland", zei ze fier. In 1926, pas afgestudeerd, huwde ze haar eerste echtgenoot. Ze droeg een roodfluwelen mantel. Geen wit. "Ik wou er niet uitzien als een vet kalf dat naar het slachthuis wordt geleid." Ze vond lang geen werk, vroeg zich ernstig af of ze misschien beter landbouw kon gaan studeren : ze voelde zich net zo goed thuis op het platteland - en dan in het bijzonder in de Savoie - als in de stad. In afwachting van een carrière transformeerde ze haar dakappartement aan de Place Saint-Sulpice tot een futuristisch visioen, met een bar van glas en metaal in plaats van een woonkamer. Op aanraden van een vriend verslond ze twee boeken van Le Corbusier :Vers une Architecture (uit 1923) en L'Art Décoratif d'Aujourd'hui (uit 1925). Ze was onder de indruk : door de boeken kon ze "de muur beklimmen waarachter de toekomst verstopt zat." Ze bezocht Le Corbusier in diens hoofdkwartier, een voormalig klooster in de rue des Sèvres, en vroeg om een baan. "We borduren hier geen kussens", zei Le Corbusier. De architect ging gelukkig wel kijken naar Perriands project voor het Salon d'Automne van 1927, le Bar sous le Toit. Hij zag in dat hij zich vergist had en wierf haar aan om voor zijn gebouwen meubilair en interieurs te ontwerpen. In 1928 tekende Perriand drie klassiek geworden stoelen met Le Corbusier en Pierre Jeanneret (zijn neef, haar minnaar) : de LC2 Grand Confort, de B301 en de B306, een chaise longue. Le Corbusier had de gewoonte zijn gebouwen en tentoonstellingsprojecten in te richten met bestaande stukken : ouderwetse stoelen van Thonet, of clubfauteuils van Maples in Londen. In L'Art Décoratif d'Aujourd'hui, een boek uit 1925, maakt hij een onderscheid tussen drie categorieën meubilair : besoins-types, meubles-types, en objets-membres humains. hij definieert de laatste categorie als "extensies van onze ledematen, geadapteerd aan menselijke functies" en schrijft dat het menselijke ledemaat-voorwerp een gewillige dienaar is. "Een goede dienaar is discreet en cijfert zichzelf weg om zijn meester vrij te laten. Kunstwerken zijn hulpmiddelen, mooie hulpmiddelen. En lang leve de goede smaak zoals die gemanifesteerd wordt door keuze, subtiliteit, proportie en harmonie." De stoelen van Perriand illustreren de meubelfilosofie van Le Corbusier. Ze werden ontworpen voor Maison La Roche in Parijs en een tuinpaviljoen van Henry and Barbara Church, Amerikaanse klanten. De B301 was bedoeld voor conversaties. De LC2 Grand Confort diende om te relaxen (loungen, in de woordenschat van de 21ste eeuw). De B306, geïnspireerd op achttiende-eeuwse ligbedden, was een chaise longue die uitnodigde tot slapen. Perriand poseerde zelf voor de promotiefoto's, in een voor die tijd opvallend kort rokje. Voor het Salon d'Automne van 1929 bedacht ze een modelappartement van glas en staaltube met bijbehorend équipement d'habitation. Haar appartementen en woningen waren resoluut modern : ze schafte muren en gangen af, introduceerde de open keuken. Ze werkte hard, vaak dag en nacht. Ze leerde alles over vorm en materiaal, glas en staal, in een eerste fase, en later over hout en bamboe. In 1931 reisde ze op haar eentje naar de Sovjet-Unie, waar ze deelnam aan de Russische editie van de Congrès Internationaux d'Architecture Moderne (CIAM), een trefpunt voor de architecturale avant-garde. Diezelfde zomer ging ze met enkele vrienden kanovaren op de Balearen. Ze genoot van de zon, zwom, danste. Tot ergernis van haar echtgenoot. Laat ons naar Parijs terugkeren, smeekte hij, tevergeefs. Hij keerde alleen terug. Hun huwelijk was voorbij. Perriand verhuisde van Place Saint-Sulpice naar een dakappartement op de zevende verdieping, zonder lift, in de wijk Montparnasse. 's Ochtends kroop ze op het dak van de buren voor dagelijkse sessies ochtendgymnastiek. In die periode ontwierp ze meubilair voor twee belangrijke Parijse gebouwen van Le Corbusier, de Arche de l'Espoir van het Leger des Heils, en het Pavillon Suisse, het Zwitserse studentenhuis van de Cité Universitaire. Er was ook een Brussels soloproject in 1935, het Maison du Jeune Homme. In 1937 ging Perriand haar eigen weg. Haar laatste opdracht bij Le Corbusier : de inrichting van het nieuwe dakappartement van de architect in rue Nungesser-et-Coli. Met kunstenaar Fernand Léger kleedde ze een paviljoen aan voor de Exposition de Paris, waarna ze zich een tijdlang in Savoie vestigde. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, keerde ze terug naar Parijs. Daar werkte ze met Pierre Jeanneret en ingenieur Jean Prouvé aan een project rond prefabgebouwen. Iets later werd zij door het ministerie van Handel en Industrie naar Japan uitgenodigd, als adviseur inzake industrieel design. De afreis was bewogen. Het was juni 1940, de halve wereld stond al in brand. In Japan bezocht ze ateliers, scholen en fabrieken. Ze geraakte bevriend met Sori Yanagi, de belangrijkste moderne de-signer van Japan. In 1941 organiseerde ze een belangrijke tentoonstelling in Osaka, met de resultaten van haar zoekwerk : Traditie, selectie, creatie. Een jaar later moest ze de archipel verlaten. Frankrijk en Japan waren al lang geen dikke vrienden meer. Maar de wereldzeeën konden net zo goed van beton zijn gegoten. Frankrijk was onbereikbaar. Perriand bracht de rest van de oorlog door in Vietnam, waar ze voor de tweede maal trouwde, en moeder werd van een dochter, Pernette. Haar werk werd na haar verblijf in het Verre Oosten minder formeel, zachter, vrijer ook. Ze geraakte in de ban van stro, bamboe en takken. Ze stelt vast dat er geen magische formules bestaan, geen sluitende antwoorden. Er zijn vormen en technieken, plekken en mensen. Elke techniek heeft zijn nut, elk materiaal is ergens bruikbaar. In 1946, terug in Parijs, begon de ontwerpster de tweede fase van haar carrière. Vaak solo, soms in duo, met Prouvé, Leger (het ziekenhuis van Saint-Lo, anno 1947) en Le Corbusier (een prototypekeuken voor de Unité d'Habitation in Marseille, anno 1950), maar ook met de Braziliaanse architect Lucio Costa (interieurs voor het Maison du Brésil in de Cité Universitaire) en de Brit Erno Goldfinger (de inrichting van het Franse bureau voor toerisme aan Piccadilly, in Londen). Voor een aantal prestigeprojecten werkte ze samen met de Kortrijkse meubelfabrikant De Coene, bijvoorbeeld voor de ambitieuze herinrichting van het Palais de la société des nations in Genève (alias de Verenigde Naties, 1959) en de residentie voor de Japanse ambassadeur in Parijs (1968). Het pronkstuk van dat laatste project was een zeven meter lange bank, uitgevoerd in gelamineerd hout, deels voorzien van gevlochten riet en deels gestoffeerd met kussens. Perriand bleef altijd veel reizen, onder meer naar India en Tahiti. Ze bezocht Oscar Niemeyers' bouwwerf van Brasilia. In 1962 zette ze haar schouders onder een groot immobiliënproject in de Alpen. Nadat ze eerder al betrokken was bij de ontwikkeling van Méribel, speelde ze een grote rol bij de bouw van Les Arcs (de stations 1600, 1800 en 2000), goed voor zo'n twintig jaar werk. Daarna werd het iets stiller rond Perriand - misschien omdat een vrouwelijke designer op dat moment in Frankrijk niet helemaal ernstig werd genomen. Toen ze later toch nog een zekere status verwierf, rukten speculanten het op maat gemaakte houten meubilair uit haar modernistische chalets, om het aan woekerprijzen te verkopen. In 1985 kreeg ze officiële erkenning, met een overzichtstentoonstelling in het Musée des Arts Décoratifs van haar geboortestad. Perriand overleed in 1999, een jaar na het verschijnen van haar autobiografie, Vie de création. n Tekst Jesse BrounsNa haar verblijf in het Verre Oosten werd haar werk minder formeel, zachter, vrijer ook. Perriands flats en woningen waren resoluut modern : ze schafte muren en gangen af, introduceerde de open keuken.