Werken is niet leuk meer. Die slogan siert een recente cover van Vrij Nederland, waarop verder een man met een zweep is afgebeeld. Bedrijven halen die boven in tijden van recessie. Gedaan met de wildgroei aan laptops, gsm's en leasewagens van de firma. Basta met de survivalweekends, de anti-rsi-trainingen en massage op het werk. Voorbij de gouden dagen van de dotcom-boom, waarin al wie een muis kon vasthouden bij wijze van spreken van straat werd geplukt om tegen een vet salaris als programmeur te beginnen.
...

Werken is niet leuk meer. Die slogan siert een recente cover van Vrij Nederland, waarop verder een man met een zweep is afgebeeld. Bedrijven halen die boven in tijden van recessie. Gedaan met de wildgroei aan laptops, gsm's en leasewagens van de firma. Basta met de survivalweekends, de anti-rsi-trainingen en massage op het werk. Voorbij de gouden dagen van de dotcom-boom, waarin al wie een muis kon vasthouden bij wijze van spreken van straat werd geplukt om tegen een vet salaris als programmeur te beginnen. Aanpoten en buffelen is nu het devies, schrijft het weekblad in dat onnavolgbare Nederlands van boven de Moerdijk. Wat velen van ons wellicht al langer aan den lijve ondervonden, is nu ook officieel geconstateerd : in enkele jaren tijd is de sfeer op de werkvloer totaal omgeslagen. Steeds vaker worden bedrijven weer geregeerd met de ijzeren vuist, al dan niet verborgen in de spreekwoordelijke fluwelen handschoen. En dan nog is de enige curve die gestaag de hoogte ingaat, die van de werkloosheidscijfers. Terug naar af, bedenk ik treurig. Been there, seen that, bought the T-shirt. Uit de vergeetputten van mijn geheugen welt de verhandelingwedstrijd van de Handelshogeschool in Antwerpen op, waarmee ik toen ik zeventien was mijn eerste computer won. "Ik zie niet werkloos toe op de werkloosheid", was de ietwat lullige titel van mijn uiteenzetting. Hooggeschoolden van mijn generatie kregen de werkloosheid echt wel door de strot geramd. Toen ik afstudeerde, in '92 was dat, werd je op het hart gedrukt vooral niet te kieskeurig te zijn. Blikkentikker of taxichauffeur : het maakte niet uit. Als je maar wérk had. Door die filosofie kwam het dat ik, haaks op zowat elke vezel van mijn persoonlijkheid, kort nadat ik was afgestudeerd een paar dagen bij een verzekeringsmaatschappij heb gewerkt. Ik zal ze hier gemakshalve maar Het Gulden Vlies noemen, naar de plek waar de hoofdzetel was gevestigd. Een tot mijn eigen verbazing bijna vlekkeloos examen zorgde ervoor dat ik gretig werd binnengehaald. "Voor jonge krachten als jij heeft Het Gulden Vlies mooie carrière-opportuniteiten", ik hoor het mijn toekomstige werkgever nog zeggen. Mijn enthousiasme zakte al wat toen ik achter mijn computer plaatsnam en vaststelde hoe een brief in de verzekeringswereld werd geschreven : je tikte een cijfercombinatie in - bijvoorbeeld 1, 5, 12 - en prompt kwam er een gortdroog samenstelsel van standaardzinnetjes uit de printer gerold. Qua dichterlijke vrijheid kon dat tellen. Het vloekte zo met mijn liefde voor het geschreven woord, dat ik van de weeromstuit even ging verpozen bij de koffieautomaat. Of ik voor haar ook een kopje mee kon brengen, bood ik mijn naaste collega aan. "Nooit meer vragen", siste die mij toe. "Ik ga zélf wel om koffie. Dat is de enige manier waarop we hier eens de benen kunnen strekken." Haar toontje als van opgejaagd wild begreep ik pas toen het afdelingshoofd even later onze werkplek binnenkwam. Met spiedende oogjes en een kwaadaardige trek rond de mond loerde hij rond in het stoffige zaaltje. Mijn pasverworven collega's verstijfden van iets dat ik het best kan omschrijven als onversneden angst. Welgeteld twéé dagen hield ik die dwangarbeid vol. Toen vroeg ik het afdelingshoofd of elk spoor van mijn kortstondig verblijf bij de verzekeraar weggegomd kon worden. Geld hoefde ik niet, hoewel ik op dat moment geen andere concrete vooruitzichten had dan een wankel bestaan als freelance schrijvelaar. Zoiets had hij, denk ik, nog niet eerder beleefd. Tot vandaag ben ik blij dat ik toen die sprong in het duister heb gewaagd. Sinds mijn tweedaagse bij Het Gulden Vlies heb ik geen job meer gehad die ik niet ook een beetje leuk vond. Het belang daarvan ga je pas goed inzien als je bedenkt dat de meesten van ons meer tijd met hun baas doorbrengen dan met hun partner. Was ik daar in lengte van jaren 1,5,12 blijven tikken, dan zat ik nu hoogstwaarschijnlijk in dezelfde onverkwikkelijke situatie als nogal wat mensen die ik ken. Werk is voor hen een noodzakelijk kwaad, iets waar je je 's ochtends tegen je zin naartoe laat rijden om er 's avonds totaal afgepeigerd en uitgeblust van terug te keren. Als ik die doffe blikken op spitsuurtreinen zie, dan verwondert het mij al heel wat minder als ik in de krant lees dat België op vijf na het beste land ter wereld is om in te wonen, terwijl ik luttele pagina's verder verneem dat het voorschrijven van antidepressiva het afgelopen jaar een angstaanjagend hoge vlucht heeft genomen. Erst kommt das Fressen, akkoord. Maar een mens leeft niet van aanpoten en buffelen alleen. Dat werken minder leuk aan het worden is, daar vinden slimme consultants tegenwoordig zelfs voordelen in. "Werknemers klagen vooral over de werkdruk ten tijde van hoogconjunctuur", zeggen ze met het verrukkelijk soort ironie waarop ze een patent lijken te hebben. "Recessie doet het ziekteverzuim slinken. Wie nog werk heeft, is zó blij dat er niet op gefoeterd wordt. De inhoud van het werk komt weer centraal te staan." Het benadert al bijna het sarcasme van wat destijds boven de toegangspoort van Auschwitz stond geschreven. Jean-Paul Mulders