Het leek in alles een doodgewone zondag. Of althans, een doodgewone zondag in tijden van een pandemie: ik had zin om naar de film te gaan, maar kreeg visioenen van ontblote neuzen in het donker, ronddansende aerosolen en een beademingsbuis in het ziekenhuis. Waardoor ik dacht: laat ook maar. In plaats daarvan gingen we naar een tuincentrum, mijn vriend en ik. Kwestie van alles uit het leven te halen.
...

Het leek in alles een doodgewone zondag. Of althans, een doodgewone zondag in tijden van een pandemie: ik had zin om naar de film te gaan, maar kreeg visioenen van ontblote neuzen in het donker, ronddansende aerosolen en een beademingsbuis in het ziekenhuis. Waardoor ik dacht: laat ook maar. In plaats daarvan gingen we naar een tuincentrum, mijn vriend en ik. Kwestie van alles uit het leven te halen. Het lastige aan een tuincentrum is tegenwoordig dat je niet zomaar een kar kunt pakken. Je moet en zal langs een machine passeren waar stugge donkerblauwe papieren uit vallen, die je dient vol te spritsen met een ademafsnijdende vloeistof, om dan als een dolle je kar schoon te vegen, snel, sneller, voor een achterligger zijn eigen blauwe prop in je nek kleddert. Fun fact: de karren werken nog met muntjes, van die ronde dingen die je alleen nog in Bokrijk vindt. Opstopping gegarandeerd. Cortisol door het dak. Manoeuvrerend door de gangen overvielen me filosofische gedachten. Waren we écht allemaal op zoek naar die ene bloempot in dat tere roze? Of zochten we vruchteloos naar de gezelligheid van een vorig leven, waarin we net zo knus tegen elkaar aan hingen en vrijuit ademden als de uitgestalde calathea's en Mexicaanse dwergpalmen? "Misschien moeten we een andere keer terugkomen", mompelde ik. Soms zit er simpelweg niet meer in een dag dan twee schrale zakken potgrond. "Schuif jij al aan aan de kassa", zei mijn vriend, en verdween in de rekken. De rijen waren lang en enigszins dreigend, met al die mondmaskermummies achter kooien van karren, maar in de mijne zat vaart. Té veel vaart. Ik belde mijn vriend. Hij nam niet op. Op het serredak van het tuincentrum hamerde intussen een oerregen. Net nu het einde der tijden was aangebroken zou het aan mij zijn. Er prikten blikken in mijn rug. Er moest iets gebeuren. Ik draaide me om, gebarend als een politieagent op een kruispunt. "Ga maar al! Ga maar voor!" De figuur met wie ik oogcontact maakte schreeuwde iets terug. Dierlijke kreten die ik even later kon samenpuzzelen tot: "IK KAN NIET VERDER! IK KAN NIET VOORUIT!" Het klonk even boos als hulpeloos. De man, een potige kerel die me niet vies leek van een proteïneshake als ontbijt, stond achter een vrijwel lege kar. Waarom deden zijn benen het niet? En waarom schoot de vrouw aan de kar achter hem, die hij leek te kennen, hem niet te hulp? In wat voor vreselijk verhaal was ik terechtgekomen en waar schoot ik in godsnaam tekort? De lamme gooide zich nu met zijn achterwerk tegen de kar, die log opzijzwiepte. Plots was alles helder: natuurlijk, dit voorwerp was aangeraakt en achtergelaten door een Mens! Hoe gevaarlijk kon je het hebben? Dat wist ook het vrouwtje met sippe krullen dat krom van schaamte naar de bewuste kar snelde en in één moeite door, als een koe die van een wei wordt gejaagd, op de eerste de beste kassa af draafde, het dodelijke object achter zich aan sleurend. Vanachter een plastic wand zag ik hoe ze tot stilstand kwam. Op minieme afstand van een afrekenende klant. Vergeet de bioscoop. In potentie is elke zondag een horrorfilm.