Mijn moeder zegt dat ze een bericht van Aaikloet heeft ontvangen. Ik laat dat woord een keer of drie passeren, voor ik besluit dan toch maar in te grijpen.
...

Mijn moeder zegt dat ze een bericht van Aaikloet heeft ontvangen. Ik laat dat woord een keer of drie passeren, voor ik besluit dan toch maar in te grijpen. "Het is Aaikloùt, mama", rol ik met mijn ogen. "En jij weet dat. Ik heb het je al horen zeggen. Het is niet omdat je zeventigplus bent, dat je Engels met haar op moet spreken. Je hebt Afrika doorkruist en mij het leven geschonken." Haar gespeelde verontwaardiging kan een glimlach niet verhullen. Op zulke momenten weet ik dat alzheimer nog wel even in de kast blijft. Hoewel al actief sinds 1944, is de geest van mijn moeder nog scherp als een scheermes. Soms vraag ik mij af of dat een vloek is of een zegen. Misschien is het comfortabeler om de avond langzaam te zien vernevelen, in plaats van veranderingen om je heen haarscherp te registreren. Zeker als die veranderingen je doorgaans niet aanstaan. Mijn moeder ergert zich aan de berichten dat we met z'n allen kleiner moeten gaan wonen. Zij vreest dat er op deze wereld straks geen plaats meer is voor ouderen. Zij heeft haar opvoeding aan mij doorgegeven, zodat ik op mijn beurt huiver als ik aan tafel een jongedame het lemmet van een mes in haar mond zie stoppen. Het lijkt mij best wel een opgave, als haarscherpe geest te zitten opgesloten in een lichaam dat ouder wordt. Maar ik ben trots dat mijn moeder zo helder is. Soms hoef ik maar twee woorden te zeggen en zij kan het derde al aanvullen. Ik kan met haar praten over tante Cécile en tante Paula, die zo goed met elkaar opschoten dat zij rijhuizen kochten die naast elkaar lagen. Toen moet er iets zijn voorgevallen. Wij weten niet wat. Wij weten alleen dat zij de rest van hun leven geen woord meer tegen elkaar hebben gesproken. Wat drijft mensen zo uiteen die uit dezelfde zaadbal en eierstok komen? Met mijn dochter van elf praat ik vaker over transmigranten en zonneboilers dan over tante Cécile en tante Paula. Zij is het aanstormend bewustzijn. Zij heeft opvattingen die fris zijn als groene appels, en ook een nuchterheid waarvan ik niet weet waar ze vandaan komt. Onlangs zei ze dat ik iets moest zien in zijn context. We zaten in de auto. Ik antwoordde dat ik context een moeilijk woord vond. Zij loerde naar mij vanuit een ooghoek. Een lachje verried dat zij de ironie van mijn opmerking doorhad. Het is een grote stap voor een mens: je kind opeens het woord context horen gebruiken in zijn juiste context. Met iets dat aan hartzeer grensde, herinnerde ik mij haar laaiende enthousiasme voor Bumba. Voor ons reed een yoghurtpotje op wielen, een Toyota Yaris of zoiets. Aan de achteruitkijkspiegel bungelden twee pluchen dobbelstenen. Je ziet dat vaker; ik vraag mij af wat het betekent. Wil de bestuurder zichzelf eraan herinneren dat autorijden, en bij uitbreiding het leven, altijd een kansspel zal blijven? Of schoot hij die dobbelstenen op de kermis en wil hij ze toch érgens voor gebruiken, profijtig als de mens is? We vervolgden onze weg zonder dit raadsel op te kunnen lossen. Voor ons ontvouwde zich een stralende toekomst, waarin ik Aaikloet zei en mijn dochter met haar ogen rolde.